De strijd der professoren

door PB op 22/09/2010

in Grondrechten, strafrecht

Wat doe je als je als experts van de verdediging worden afgewezen door de rechtbank? Precies, dan kom je samen om te bespreken hoe we “toch nog invloed kunnen uitoefenen op het verloop van de zaak.” En wat is dan natuurlijk de manier: een gezamenlijk interview in “de Pers”. Zo gaven de hoogleraren Ellian, De Roos, Sackers en Zwart een gezamenlijk interview over waarom dhr. Wilders vrijgesproken moet worden.

Zo’n interview is natuurlijk nog interessanter wanneer er nog andere belangen een rol spelen. Zo is Prof. Zwart, die het initiatief had genomen voor deze bijeenkomst, ook actief VVD lid en hij wil uiteraard niet dat de beoogde coalitie waarbij rechts zijn vingers aflikt in gevaar wordt gebracht door uit de bocht vliegende magistraten.  Prof. Sackers en prof. De Roos hadden het OM in het eerdere stadium juist geadviseerd niet te vervolgen en willen hun gelijk halen. Daar komt bij dat volgens prof. De Roos de vervolging van Wilders ligt aan het feit dat prof. Schalken, die als raadsheer optrad, verwikkeld is in een “ruzie die we als hoogleraren toch al hebben over dit soort wetsartikelen.” Een zeer interessante insinuatie…. En wie de columns van prof. Ellian leest op Elsevier weet wel waar hij ongeveer staat.

Maar bovenal waren zij allen ontdaan over het feit dat de rechter hun expertise niet nodig had om tot een oordeel te komen. Deze combinatie was volgens de hoogleraren speciaal voor de zaak Wilders tot stand te komen. Maar enfin, wat waren de argumenten.

1. De toepassing van het opportuniteitsbeginsel

Volgens De Roos en Sackers was het niet opportuun te vervolgen omdat het niet zeker was dat een veroordeling zou volgen. Sackers: ‘Mijn overweging was: als het risico bestaat dat hij wordt vrijgesproken, dan maar niet vervolgen.’ De uitspraken van Wilders waren onderdeel van een politiek debat. De Roos zag vond de gevolgen van het vervolgen van Wilders, of het nu tot een veroordeling zou leiden of niet, zo wie zo schadelijk voor het algemeen belang.  En volgens De Roos was het opportuniteitsbeginsel juist hiervoor bedoeld.

Interessant is dat de instructie van prof. Hirsch Ballin juist wil dat alle vormen van discriminatie worden vervolgend en is er bij voorbaat opportuniteit. De Roos vindt dit allemaal leuk politiek correct, maar niet praktisch toepasbaar bij uitingsdelicten.

2. Niet-juridische argumenten

Volgens prof. Zwart die veel goede betrekkingen heeft met China, past deze vervolging niet bij een beschaafd land. “Wij spreken China en Cuba aan op hun omgang met dissidenten. Die zeggen nu terug: jullie vervolgen zélf een dissident.” Dus niet goed voor de internationale mensenrechtenpositie van Nederland.

Volgens prof. Zwart zou de boodschap naar de PVV-kiezers ook negatief zijn: ‘Wat zeg je met die vervolging nou tegen al die mensen die op de PVV hebben gestemd? Eigenlijk zeg je dat zij ook achter de tralies moeten.’

3. Context

Een interessant punt was wat prof. De Roos zei over de context waarbinnen Wilders zijn specifieke uitspraken deed. Volgens prof. De Roos heeft Wilders “een consequent verhaal over het beschermen van de Nederlandse cultuur tegen de Islam.” En dat is een bijdrage aan het maatschappelijk debat. Eventuele ‘harde’ uitspraken moeten binnen die context worden gezien.

4. Uitingsdelicten als zodanig

Maar eigenlijk hebben de hoogleraren grote problemen met uitingsdelicten als zodanig. Zwart: ‘Je moet uiterste terughoudendheid betrachten bij uitingsdelicten.’ Dat vinden ze allemaal. Eigenlijk menen ze dat de strafbepalingen tegen discriminatie  daar niet voor zijn bedoeld. Discriminerende uitingsdelicten zijn eigenlijk ongrijpbaar. Ze zorgen voor meer problemen dan dat ze dingen oplossen.

5. Artikel 10 EVRM

Toen kwam nog de interessante discussie over artikel 10 EVRM als zodanig. Dit is vrij lastige materie. Het Hof spreekt zich namelijk alleen uit of het vervolgen van discriminerende uitingsdelicten in strijd is met artikel 10 EVRM. Maar het Hof zegt nergens dat lidstaten een positieve verplichting hebben tot het vervolgen van bepaalde uitingsdelicten. Prof. Zwart is overtuigd dat artikel 10 EVRM Wilders de vrijheid garandeert te zeggen wat hij zegt over de Islam. Dat prof. Lawson daar anders over denkt, betekent alleen dat je kan vervolgen maar niet dat je het moet doen. Vervolgen ‘is niet in de geest van álle Europese uitspraken op dit gebied.’

Toen de Pers hem confronteerde met de recente uitspraken in Le Pen en Ferret, waarin een veroordeling in stand bleef voor minder harde uitspraken dan van dhr. Wilders (ik geloof dat het ging om het scheppen van een vijandbeeld van moslims), meende hij dat deze uitspraak wellicht een verandering kan brengen in de houding van het Hof. Maar hij was het er duidelijk niet mee eens.

Mij valt op dat het meest belangrijke argument tegen vervolging van dhr. Wilders helemaal niet wordt genoemd. Alle uitspraken van dhr. Wilders betreffen de Islam als systeem en nooit moslims als personen. Zijn stelling is altijd: ik hou van moslims, ik haat Islam. Dat is een zeer wezenlijk verschil. Dit is ook de visie van de Hoge Raad. In HR. 10 Maart 2009 (LJN: BF0655) ging het om de vraag of de uitspraak op een poster “stop het gezwel dat Islam heet” een belediging vormde van een groep mensen wegens hun godsdienst.

Het hof beantwoorde die vraag met ja: “Door de Islam aan te duiden als een gezwel, en daarmee tot uitdrukking te brengen dat het daarbij gaat om iets kwaadaardigs dat verwijderd of uitgebannen zou moeten worden, heeft verdachte zich middels de tekst op de poster onnodig grievend uitgelaten over de Islam, en gezien de verbondenheid tussen de Islam en haar gelovigen, ook ten aanzien van die groep mensen die de Islam belijden.”

Juist deze zienswijze wordt verworpen door de HR. Die zegt Nee: “Art. 137c Sr stelt strafbaar het zich beledigend uitlaten “over een groep mensen wegens hun godsdienst”, doch niet het zich beledigend uitlaten over een godsdienst, ook niet indien dit geschiedt op zo’n wijze dat de aanhangers van die godsdienst daardoor in hun godsdienstige gevoelens worden gekrenkt.

Strafbaar is enkel het zich nodeloos krenkend uitlaten over een groep mensen omdat deze een bepaalde godsdienst aanhangt. Het beledigen van een groep mensen wegens hun godsdienst valt alleen onder art. 137c Sr als men de mensen, behorend tot die groep, collectief treft in hetgeen voor die groep kenmerkend is, namelijk in hun godsdienst, en men hen beledigt juist omdat zij van dat geloof zijn. Alle, zelfs felle kritiek op opvattingen die in die groep leven of op het gedrag van hen, die tot de groep behoren, blijft buiten het bereik van art. 137c Sr.

De bepaling vereist dat de uitlating onmiskenbaar betrekking heeft op een bepaalde groep mensen die door hun godsdienst wordt gekenmerkt en zich daardoor onderscheidt van anderen. De enkele omstandigheid dat grievende uitlatingen over een godsdienst ook de aanhangers van die godsdienst krenken, is niet voldoende om die uitlatingen te kunnen gelijkstellen met uitlatingen over die aanhangers.”

Dit lijkt mij het sterkste argument, waar ik ook van harte mee instem.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: