De terughoudendheid van de Eerste Kamer

door GB op 08/04/2013

in Haagse vierkante kilometer, Uitgelicht

Post image for De terughoudendheid van de Eerste Kamer

Dat het rommelt tussen de beide zijden van het Binnenhof is inmiddels al wel bekend. Sinds de bende van Engels in de zomer van 2010 in een lopende formatie intervenieerde, komen er dubbelzinnige geluiden uit de Senaat. Zo klaagde Han Noten over het toenemende politieke gehalte van de discussies in de Eerste Kamer, maar voerde diezelfde Noten eind 2010 het woedende verzet tegen de verhoging van de belasting op opera-kaartjes en daarmee tegen het hele belastingplan 2011 aan. Daarvan kan veel ontkend worden, maar niet dat het voluit politiek was. Zoals het ook niet meer ontkend werd door de generatie kanonnen die naar binnen werd gereden bij de nieuwe verkiezingen voor de Senaat. Inzet was duidelijk de politieke strijd over het voortbestaan van het kabinet Rutte I. Marleen Barth van de PvdA meldde rechtuit ‘niet voor het staatsrecht, maar voor haar idealen’ aan te treden, terwijl Elco Brinkman van het CDA waarschuwde dat ‘het karretje in de prut zou rijden’ als de Eerste Kamer zich al te veel met de gang van zaken zou gaan bemoeien. Nu bij de vorming van Rutte II de bordjes zijn verhangen probeert de PvdA’er Klaas de Vries staatsrechtelijke olie op de politieke golven te gooien en beheert Brinkman een loket voor politieke koehandel over huurverhogingen.

Deze ontwakende politiek in de gewijde zaal van de reflexion plaatst staatsrechtgeleerden voor een puzzel. Want hoe zit het dan staatsrechtelijk? De staatsrechtelijke argumentatie voor de terughoudendheid was altijd al een beetje houtje-touwtje. Zo zou het feit dat in de Grondwet de Tweede Kamer eerst en de Eerste Kamer als tweede genoemd worden gewicht in de schaal leggen. Dat doet een beetje denken aan het oude argument dat Adam eerst en Eva daarna geschapen is, als gevolg waarvan de tweede voor de eerste moet koken. Belangrijker nog was het ontbreken van een amendementsrecht voor de Eerste Kamer en het deeltijdkarakter van de functie. Maar strikt genomen wordt daaruit niet meer duidelijk dan dat de de Eerste Kamer in ieder geval niet dezelfde rol speelt als de Tweede. Ten slotte ging het over de vertrouwensrelatie tussen kabinet en Senaat: kunnen de Senatoren een kabinet naar huis sturen? Hoe dat precies zit moet nog een keer worden uitgevochten; feit blijft dat ze een kabinet kunnen lamleggen door de begroting naar de prullenbak te verwijzen.

Dit zijn een beetje de stukken waarmee wordt geschoven in het staatsrechtelijke debat over de rol van de Eerste Kamer. We slaan de Handelingen van de Grondwet van 1983 er nog eens op na om te kijken wat er precies gezegd is en speuren nog eens naar stoffige voorbeelden over ministers die in de problemen zijn gekomen in de Eerste Kamer. En, luidt dan telkens de conclusie: er valt inderdaad geen hard staatsrechtelijk betoog op te zetten waaruit volgt dat de Senatoren niet tegen voorstellen mogen stemmen die ze slecht vinden. Verder valt er dan staatsrechtelijk niets meer over te zeggen – even vergetend dat de terughoudenheid van de Eerste Kamer toch in heel wat staatsrechtelijke handboeken rustig geponeerd werd.

Deze beoefening van het staatsrecht is te beperkt voor deze kwestie. Politiek staatsrecht is uiteindelijk grotendeels aangekoekte politieke opportuniteit. De bestudering van dit staatsrecht gaat verder dan wat er in de Memorie van Toelichting bij de Grondwet van 1983 staat en is ook anders dan argumenteren met gezag van precedenten. Het gaat ook over een analyse van wie waar belang bij heeft. Daarmee komt in beeld wat prof. Dölle al in 2010 aandroeg: de Eerste Kamer heeft na de oorlog nog nooit een van de meerderheid in de Tweede Kamer afwijkende samenstelling gehad. Dat werpt verhelderend licht op de telkens aangevoerde terughoudendheid. Grote meerderheden hebben continu belang gehad bij een goed verhaal om te kunnen instemmen met wat hun partijgenoten aan de overkant bedacht hadden. En wat doet een politicus die ergens mee moet instemmen waar hij eigenlijk tegen is? Die beperkt zijn toetsingscriteria. De terughoudendheid van de Eerste Kamer is niet het verhaal van een zichzelf beperkende oppositie geweest, maar de politieke smeerolie van met de coalitie geestverwante fracties.

De discussie over de staatsrechtelijke terughoudendheid gaat dan nu over de vraag hoe normatief de terughoudende opstelling blijkt als de politieke opportuniteit de andere richting op stroomt. En dat valt kennelijk tegen.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 a.zecha 19/04/2013 om 17:26

De duidelijke en terechte afwijzing door de Senaat van het honderden millioenen Euro’s kostende EPD-project dat de Tweede Kamer en de regering – doof en blind als zij zijn voor de individuele rechten op privacy van burgers – als een moderne intolerante totalitaire kolos tesamen met collaborerende verzekeringsmaatschappijen en andere deelnemers uit de winstnajagende vrije markt poogde op te leggen aan onze vrije democratische gemeenschap van burgers ligt m.i. aan de basis van de hetze tegen een democratische instelling als de Staten Generaal. Wie niet met mij is is tegen mij denken en zeggen veel machthebbers die zich als van God of Allah gezonden wanen.

Dat een evidente democratische politieke instelling als de Staten Generaal “geen politiek mag bedrijven”!?
Hoe verzinnen ze het! In welk een waanwereld leeft de binitas politica? Vermoedelijk reeds in die van een totalitaire unitas politica!
( http://njblog.nl/2012/01/20/unitas-politica/ )
a.zecha

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: