De verkiezing van de Eerste Kamer (deel 1)

door LD op 09/08/2010

in Haagse vierkante kilometer

Post image for De verkiezing van de Eerste Kamer (deel 1)

Mocht in de komende weken een minderheidskabinet van VVD en CDA met gedoogsteun van de PVV gerealiseerd worden, dan blijft de vraag hoe dit kabinet om zal gaan met de Eerste Kamer. VVD en CDA beschikken daar gezamenlijk over ‘slechts’ 35 van de 75 zetels en kunnen niet aan een meerderheid geholpen worden door de PVV. Die beschikt op het moment immers over nog geen enkele zetel aan het Binnenhof 22. Over de vraag of de nieuwe coalitie in de Senaat gedoogsteun kan verwachten van de kleine christelijke partijen SGP en ChristenUnie is de afgelopen week verwarring en ruzie ontstaan. Gesteld dat de formatie van Rutte I met succes wordt afgerond, dan zullen de blikken de komende tijd wellicht meer dan gebruikelijk op de plenaire vergaderzaal van de Eerste Kamer gericht zijn (niet op de commissiekamers, waar nog altijd in beslotenheid vergaderd wordt; daar gaat overigens wel verandering in komen). Dat zal gelden tot de provinciale statenverkiezingen van 2 maart volgend jaar en de daarop volgende Eerste Kamerverkiezingen op 23 mei 2011. Maar ook daarna, zeker wanneer de coalitiepartijen geen meerderheid van de kamerzetels weten te bemachtigen.

In deze bijdrage in twee delen (deel twee volgt morgen) wil ik stil staan bij een wetswijziging die betrekking heeft op de wijze van verkiezing van de Eerste Kamer. Hoewel het te bespreken wetsvoorstel niet het hele systeem van getrapte verkiezing door provinciale staten op de schop neemt en op onderdelen zelfs een voornamelijk technisch karakter heeft, is het niettemin de moeite waard het voorstel te bespreken. Al was het alleen maar vanwege de gevolgde wetgevingsprocedure. Formeel is dat – uiteraard – de grondwettelijk verankerde procedure geweest, inclusief de daar vastgelegde procedurele volgorde. Materieel blijkt de Eerste Kamer echter op een originele manier gebruik te hebben gemaakt van rechten die zij formeel niet heeft, terwijl ook de volgorde van het wetgevingsproces lijkt te zijn omgekeerd: eerst (inhoudelijke) behandeling in de Eerste Kamer, vervolgens in de Tweede Kamer.

Zoals lezers van dit blog zullen weten, worden de leden van de Eerste Kamer gekozen door de leden van provinciale staten. Binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van provinciale staten dient de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer plaats te vinden (artikel 55 Grondwet). Bij de vorige Eerste Kamerverkiezing in 2007 ging er nog wel het een en ander mis, onder meer bij het invullen van de juiste hokjes op het stembiljet. Ook opvallend was het relatief grote aantal senatoren dat met voorkeurstemmen gekozen werd. Dat dit niet binnen iedere fractie gewaardeerd werd, moge blijken uit de casus van senator Düzgün Yildirim, die met voorkeurstemmen voor de SP in de Eerste Kamer gekozen werd, weigerde zijn zetel op te geven ten gunste van een hoger geplaatste partijgenoot en uiteindelijk door zijn partij geroyeerd werd. Het complex aan verkiezingsperikelen deed de Senaat in nieuwe samenstelling zich afvragen of de gebruikelijke procedure van verkiezen nog wel op alle punten voldeed. Reeds tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van oktober 2007 werd aan deze vraag aandacht besteed.

De Eerste Kamer identificeerde uiteindelijk drie pijnpunten. In de eerste plaats zou de drempel voor verkiezing door middel van voorkeurstemmen te laag zijn. De indirecte verkiezing van de Eerste Kamerleden zou een hogere voorkeurdrempel rechtvaardigen. Hierbij speelde ook een rol dat door een wetswijziging uit 2007 het aantal statenleden aanzienlijk was teruggebracht van maximaal 83 naar maximaal 55, waardoor de stem van een individueel statenlid een groter gewicht heeft gekregen. Zoals het in de memorie van toelichting bij het zo dadelijk te introduceren wetsvoorstel wordt verwoord:

“De afname van het aantal leden van provinciale staten in 2007 heeft ertoe geleid dat bij de huidige voorkeurdrempel twee statenleden uit Zuid-Holland, respectievelijk drie uit Noord-Holland, Noord-Brabant of Gelderland voldoende zijn voor het halen van de voorkeurdrempel. Vóór 2007 waren drie statenleden uit Zuid-Holland, respectievelijk vier uit Noord-Holland, Noord-Brabant of Gelderland nodig voor doorbreking van de lijstvolgorde.”

Nu kan men zich wel afvragen of het verschil daadwerkelijk zo groot is. Bovendien: zou het feit dat het een rechtstreeks gekozen volksvertegenwoordiger betreft die de lijstvolgorde doorbreekt niet eerder pleiten voor een lagere voorkeurdrempel? Hoe dit ook zij, de Eerste Kamer, minus het lid Yildirim, was van mening dat de drempel omhoog moest van meer dan 50% van de kiesdeler (artikel U 15 Kieswet) naar 100% van de kiesdeler. Met andere woorden: een senator moet een volle zetel verdiend hebben. Een en ander werd vastgelegd in een motie, waarin de regering werd verzocht wetgeving op dit terrein te bevorderen.

Ook met betrekking tot de andere pijnpunten werden moties ingediend. De Eerste Kamer verlangde dat de regering wetgeving zou bevorderen waardoor de verkiezingen van de Eerste Kamer in alle provinciale staten op hetzelfde tijdstip plaatsvinden. Aldus kan worden voorkomen dat het stemgedrag in de ene provincie wordt beïnvloed door kennis van de verkiezingsuitslag in een andere provincie. De laatste motie betrof de kwestie van lijstverbindingen. De kandidaatstelling voor de verkiezing van de Eerste Kamer en het aangaan van lijstverbindingen vinden momenteel plaats ná de verkiezingen voor provinciale staten. Het gevolg is dat het denkbaar is dat partijen na het bekend worden van de uitslag van de statenverkiezingen aan het rekenen slaan: met welke partij(en) kunnen we het beste een lijstverbinding aangaan om die extra zetel binnen te halen? Dat hoeft dus niet per se een partij te zijn met wie politieke verwantschap bestaat. De Eerste Kamer hekelde deze niet-transparante politieke rekenkunde en verzocht de regering wederom om wetgeving te bevorderen die het onmogelijk moest maken om nog ná de statenverkiezingen lijstverbindingen aan te gaan.

Nu kan men zich ook bij de laatste twee pijnpunten afvragen of wetgeving wel op z’n plaats is. Gelijktijdig stemmen in alle provincies kan ook zonder wetswijziging, zoals de Eerste Kamerverkiezing van 2007 wel heeft bewezen. En transparantie betrachten bij het aangaan van lijstverbindingen is toch vooral een kwestie van goed fatsoen. Dat hebben de politieke partijen waarvan de senatoren unaniem om wetgeving vroegen geheel zelf in de hand. Welke ongebruikelijke lijstverbindingen hebben we eigenlijk gezien bij de laatste Eerste Kamerverkiezing (ter informatie: de combinaties waren CDA-CU-SGP, VVD-D66-OSF en GL-PvdD; een confessioneel, een liberaal en een ecologisch blok dus)? En hoe waarschijnlijk is een lijstverbinding van – om maar een voorbeeld te noemen – PVV en D66? Hoe dit verder ook zij, de regering bleek maar al te bereid om aan alle drie de wensen van de Eerste Kamer te voldoen. Op dit blog heeft een auteur zich al afgevraagd of de Eerste Kamer zichzelf hiermee niet een verkapt recht van initiatief aanmeet. Hoewel de Eerste Kamer natuurlijk bij motie alles aan de regering mag vragen, is het wel heel opvallend dat het uiteindelijk ingediende wetsvoorstel vrijwel geheel aan het initiatief van de Eerste Kamer ontsproten is. Dat is de eerste reden waarom de procedure rondom het wetsvoorstel bijzonder genoemd mag worden.

Op de andere redenen zal in deel twee van deze bijdrage worden ingegaan.

{ 5 reacties… read them below or add one }

1 M.J. Arts 11/08/2010 om 21:32

Als de politiek het onwenselijk vindt dat Eerste Kamerleden via voorkeurstemmen gekozen worden hadden ze die mogelijkheid ook helemaal af kunnen schaffen. Het recht om een voorkeurstem uit te brengen staat nergens in de Grondwet. Dus de gewone wetgever kan die mogelijkheid afschaffen.

2 Hylke ten Cate 18/10/2010 om 18:37

Het manipuleren van de senaatsverkiezingen werd in de senaat het “Hylke ten Cate effect” genoemd…

3 PWdH 18/10/2010 om 18:53

Een hele eer natuurlijk, maar waarom eigenlijk…?

4 GB 18/10/2010 om 20:47

Ben ook benieuwd. Op zijn site lees ik: ‘Een heel bijzonder onderdeel van dat kieswetspecialisme is het regisseren van de senaatsverkiezingen. Zo regisseerde ik in 1991 de verkiezing van Herman Tjeenk Willink en in 1999 de achteringang van de senaat voor Erik Jurgens. Dat vereist wel voorbereiding.’

Vertel!

5 Hylke ten Cate 24/10/2010 om 09:37

Voor het “voorspellen” van de uitslag van de senaatsverkiezingen heb je voor alle provincies de aantallen statenzetels per partij en het inwoneraantal nodig. Afhankelijk van het aantal inwoners en het aantal statenzetels in de provincie hebben de 564 statenleden een stemwaarde, die gelijk is aan het inwonertal gedeeld door 100 maal het aantal statenzetels. Zo hebben statenleden uit Flevoland en Zeeland ongeveer 100 stemmen en de Zuid-Hollandse statenleden zijn goed voor zo’n 630 stemmen.
Het totaal aantal stemmen is ongeveer 165.000 (16,5 miljoen gedeeld door 100). De kiesdeler is dan 165.000/75=2.200.
De gecombineerde CU/SGP lijsten in Noord-Holland en Noord-Brabant bleken gevuld te zijn met CU-leden. De statenleden van de regionale partijen als FNP moeten gerekend worden tot OSF-stemmers.
Deze wetenschap had ik in een Excel-sheet verwerkt met een Visual Basicprogrammaatje om de restzetels toe te wijzen. Daarin konden ook lijstverbindigen worden ingevoerd om daarvan het effect te berekenen.
Dat Excel-sheet was gekoppeld aan mijn website. De NRC publiceerde de website en daarmee de Excel-sheet. Toen kon iedereen rekenen en dat is ook gedaan.
Jurgens had zijn zetel te danken aan de omstandigheid, dat de provincie Gelderland ’s morgens stemde en de uitslag inclusief voorkeurstemmen om 12.00 uur bekend was. Noord-Holland stemde ’s middags…
Tjeenk Willink was veel gecompliceerder. De PvdA diende in twaalf provincies zestien verschillende kandidatenlijsten in! In Zuid-Holland hadden de statenleden de keus uit drie verschillende lijsten. In Zuid-Holland waren drie gewesten: Den Haag, Rotterdam en rest (kieskringen Dordrecht en Leiden). De kiezers kregen per gewest een andere kandidatenlijst voor de statenverkiezingen. De 18 PvdA zetels werden naar rato van de stemmen verdeeld in 2 voor Den Haag, 4 voor Rotterdam en 12 voor de rest. De lijst van het PvdA-gewest Den Haag werd na de uitslag van de statenverkiezingen vastgesteld. Het voorstel lag gevoelig. In de Haagse vacature was toenmalig PvdA-voorzitter Marianne Sint voorgedragen met op de tweede plaats de Hagenaar Tjeenk Willink. Die zou immers verkiesbaar zijn in de kieskring Tilburg. Tjeenk Willink werd door velen gezien als opvolger van senaatsvoorzitter Piet Steenkamp. Alleen de Rode Vrouwen dachten er anders over en wilden de Gelderse mevrouw Baarsveld in die rol. Toen had ik de gevolgen van de statenverkiezingen voor de zestien kandidatenlijsten al doorgerekend. Na de WAO-afstraffing van 1991 bleek die tweede Tilburgse zetel en de Haagse zetel vervallen. Dat heb ik toen naar de Volkskrant gecommuniceerd. Dat miste de uitwerking niet: de vergadering in Den Haag zette Tjeenk Willink op de eerste plaats van hun kandidatenlijst voor de senaat. Wijselijk had ik in mijn bericht aan de Volkskrant weggelaten, dat statenleden gekozen op de lijst “overig Zuid-Holland” niet allemaal op de eigen lijst hoefden te stemmen. Als er twee op de Haagse lijst zouden stemmen zou Tjeek Willink in de senaat komen ten koste van de PvdA-kandidaat uit Drenthe. Drenthe wist dat weer te voorkomen door de stem van de Onafhankelijke Partij Drenthe binnen te halen. Uiteindelijk bleef de Gelderse David van Ooijen uit de senaat.
Gelderland nam in 1995 revanche. Door Rottenberg was er een centrale kandidaatstelling gekomen met een zeer hoog Randstad gehalte. Met voorkeurstemmen werd hun eigen Gelderse kandidaat Mijne Pit gekozen ten koste van Piet Stoffelen.

Reactie achterlaten

{ 2 trackbacks }

Vorige post:

Volgende post: