De verkiezing van de Eerste Kamer (deel 2)

door LD op 10/08/2010

in Haagse vierkante kilometer

Post image for De verkiezing van de Eerste Kamer (deel 2)

Gisteren verscheen op dit blog deel 1 van een bijdrage over een wijziging van de Kieswet betreffende de verkiezing van de Eerste Kamer. Vandaag deel 2.

De kwesties van de voorkeurdrempel en het tijdstip van verkiezing waren vrij gemakkelijk te regelen. Voor de kwestie van de lijstverbindingen gold dat echter bepaald niet. Aanvankelijk had de regering aangegeven dat zij simpelweg de kandidaatstelling en de mogelijkheid van het aangaan van lijstverbindingen zou vervroegen naar een tijdstip gelegen vóór de statenverkiezingen, maar in september 2009 kwam zij van dat voornemen terug. Bij brief van 28 september 2009 informeerde de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de Eerste Kamer hierover. Ik citeer de staatssecretaris even letterlijk:

“Bij de uitwerking van het wetsvoorstel is evenwel nader stil gestaan bij het feit dat de kandidatenlijsten voor de Eerste Kamerverkiezing moeten worden ingediend door een lid van provinciale staten. De vervroeging van de kandidaatstelling zou er toe leiden dat een partij die niet in de «oude» provinciale staten is vertegenwoordigd geen kandidatenlijst kan indienen. Dit kan worden opgelost door niet als eis te stellen dat een lid van provinciale staten de kandidatenlijst ondertekent. Dit acht ik echter onwenselijk gezien het indirecte karakter van de Eerste Kamerverkiezing.

Gelet hierop is in het wetsvoorstel dat op 15 september 2009 voor advies naar de Raad van State is gezonden de huidige periode van kandidaatstelling gehandhaafd. Wel is geregeld dat alleen lijstencombinaties die bij de provinciale statenverkiezingen in meer dan de heeft van de provincies zijn aangegaan als een lijstencombinatie gelden voor de Eerste Kamerverkiezing. Deze doorwerking sluit goed aan bij het indirecte karakter van de verkiezingen. Ik hecht er aan u hierover in dit stadium te informeren.”

De woorden ‘in dit stadium’ zijn veelbetekenend: op het moment van schrijven was er nog geen wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend. Dat zou pas op 29 oktober 2009 geschieden. De regering was duidelijk al aan het aftasten of de Eerste Kamer zou kunnen leven met de door haar bedachte oplossing. Dit bleek niet het geval te zijn. De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van de Eerste Kamer schreef dat de brief van de staatssecretaris ‘veel vragen’ had opgeroepen en belegde later zelfs een mondeling overleg met de bewindsvrouw waarin over een betere oplossing werd gedebatteerd. Al die tijd was het stil in de Tweede Kamer, waar het wetsvoorstel inmiddels formeel voorlag om aan een voorbereidend onderzoek onderworpen te worden. Het verslag zou pas op 30 december 2009 verschijnen, ruim vier weken nadat de Eerste Kamercommissie het mondeling overleg had gehouden. Men kan dus volhouden dat in dit bijzondere geval de inhoudelijke behandeling eerst in de Eerste Kamer heeft plaatsgevonden, en vervolgens pas in de Tweede Kamer. Gezien het onderwerp van het wetsvoorstel is dat overigens niet onlogisch: nu het gaat om de verkiezing van de Eerste Kamer wilde de regering graag in een vroeg stadium de opinie van de Senaat weten, om niet later in het wetgevingsproces voor verrassingen geplaatst te worden. Verrassingen, die bijvoorbeeld weer tot novelles moeten leiden.

De discussie tussen de commissie voor Binnenlandse Zaken en de staatssecretaris is overigens een interessante, met name vanwege het principiële karakter ervan. Het is duidelijk dat de hierboven beschreven oplossing van de regering gevolgen heeft voor politieke partijen die niet landelijk, maar provinciaal zijn georganiseerd. Ik ken maar één zo’n partij: de Onafhankelijke Senaatsfractie (OSF). Zoals de naam van de partij (een samenwerkingsverband van provinciale partijen) al aangeeft, tracht deze zetels in de Senaat te verwerven. De provinciale partijen die de OSF funderen, doen mee aan de statenverkiezingen en proberen vervolgens een kandidaat van de OSF in de Eerste Kamer te krijgen. De OSF zelf doet dus niet mee aan de provinciale statenverkiezingen. Er zijn dientengevolge geen lijstverbindingen op provinciaal niveau waarbij de OSF betrokken is, met als gevolg dat deze partij voor de Eerste Kamerverkiezing geen lijstverbinding aan zal kunnen gaan in de (oorspronkelijke) oplossing van de regering. Op dit moment wordt de OSF door slechts één senator vertegenwoordigd. Bij lange na niet genoeg om een wetsvoorstel als het onderhavige te blokkeren, zelfs niet als je de fracties van VVD en D66, met wie in 2007 een lijstverbinding werd aangegaan, erbij betrekt. Het is echter opvallend hoe alle andere fracties zich sterk maakten om de positie van de OSF te beschermen. De gehele commissie vond het ‘principieel onjuist’ dat een partij als de OSF geen lijstverbindingen bij de Eerste Kamerverkiezing aan zou kunnen gaan. Bovendien had de commissie bezwaar tegen de automatische doorwerking van de provinciale lijstverbindingen. Anders gezegd: als twee partijen bij de provinciale statenverkiezingen in 7 provincies hun lijsten combineren, dan moeten zij de vrijheid behouden om bij de Eerste Kamerverkiezing onafhankelijk van elkaar mee te doen, of juist met andere partijen in zee te gaan. Alles afwegende gaf de commissie de voorkeur aan hetgeen de Eerste Kamer bij motie had gevraagd, namelijk vervroeging van het tijdstip van aangaan van lijstverbindingen.

Nu moest de regering staatsrechtelijk zwaarder geschut van stal halen. In de brief van 28 september had de staatssecretaris nog slechts het woord ‘onwenselijk’ in de mond genomen om tegen vervroeging van kandidaatstelling en lijstverbinding te pleiten. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel was dit al aangescherpt tot ‘principiële bezwaren’. Ten slotte werd in het mondeling overleg op 1 december jl. de Grondwet erbij gehaald, een argument waarvoor de senatoren gevoelig bleken. Het standpunt van de regering kan als volgt worden samengevat: de Eerste Kamer wordt getrapt gekozen. Artikel 55 Grondwet spreekt van ‘verkiezing’ van de leden van de Eerste Kamer binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van de provinciale staten. Blijkens de Grondwetsgeschiedenis moet onder de term ‘verkiezing’ (althans, de eerste keer dat de term in artikel 55 genoemd wordt; de tweede keer merkwaardig genoeg blijkbaar niet) worden verstaan: het totaal aan verkiezingshandelingen, dus kandidaatstelling én stemming. Vervroegen van de kandidaatstelling (met daaraan gekoppeld vervroeging van de lijstverbinding) zou grondwettelijk dan ook niet mogelijk zijn, terwijl ook het aangaan van een lijstverbinding als verkiezingshandeling moet worden gezien.

Of het voorgaande overtuigt, mag de lezer zelf beoordelen. In iedere geval passeerden nog enige alternatieven de revue, zoals het voortaan combineren van partijen in plaats van lijsten (wat uiteraard slecht past in de lijstensystematiek van de Kieswet). De staatssecretaris had in elk geval haar werk ‘goed’ gedaan, want de commissie vormde niet langer één front. De verdeeldheid leidde tot een drietal door de commissie voorgestelde alternatieven (in volgorde van preferentie) waaruit de bewindsvrouw kon kiezen. Uiteindelijk koos zij voor de oplossing waaraan geen grondwettelijke of rechtssystematische bezwaren kleefden, te weten het geheel schrappen van lijstverbindingen bij de Eerste Kamerverkiezingen. Hoewel deze wijziging van het wetsvoorstel (en uiteraard het voorstel zelf) formeel nog door de Eerste Kamer behandeld moet worden, lijkt het akkoord van de senatoren reeds verzekerd. Met de onderhandelingen over de wijziging van het wetsvoorstel lijkt de Senaat ook mogelijkheden te zien zijn verkapte recht van amendement te versterken (waarbij uiteraard wederom het bijzondere karakter van het wetsvoorstel moet worden benadrukt). De hier gekozen weg – die leidde tot een nota van wijziging – is zelfs in beginsel sneller dan die van de traditionele novelle.

Het schrappen van de mogelijkheid van lijstverbindingen kent overigens niet louter voordelen. Voor kleinere partijen, die juist door lijstverbinding een extra zetel kunnen binnenhalen, is de schrapping zelfs uitermate nadelig. Dit hangt samen met het bij de restzetelverdeling gehanteerde systeem van grootste gemiddelden, dat niet alleen bij de Eerste Kamerverkiezing (artikel U 9 Kieswet), maar ook – daarvóór – bij de statenverkiezingen wordt gebruikt en naar algemeen bekend is in het voordeel van de grotere partijen werkt. Juist door de introductie van de lijstverbindingen zouden kleinere partijen voor dit nadeel gecompenseerd worden. Het was dan ook niet toevallig een representant van een kleinere partij – SGP’er Van der Staaij – die middels twee amendementen probeerde ofwel de lijstverbindingen te handhaven, ofwel een systeem van grootste overschotten te introduceren. Zijn oplossing haalde het niet, maar zijn bezwaren verdienen ook in de Chambre de Réflexion nog wel enige overpeinzing. Of dat gaat gebeuren – of dat de Eerste Kamer simpelweg haar kruisje zet – zullen we na het zomerreces leren. Het voorbereidend onderzoek vindt op 14 september aanstaande plaats.

{ 3 reacties… read them below or add one }

1 Hylke ten Cate 18/10/2010 om 18:19

De wet is inmiddels op 29 juni 2010 aangenomen in de Tweede Kamer.
Het betreft: geen lijstverbindingen; voorkeursdrempel 100% kiesdeler; stemmen om 15.00 uur (i.v.m. Bonaire, Saba en St. Eustatius),

2 Hylke ten Cate 18/10/2010 om 18:40
3 Hylke ten Cate 19/11/2010 om 15:40

De senaat kreeg een ander product dan waarom ze hadden gevraagd.
Via een U-bocht hadden ze zich het recht van iniatief toegeëigend. Ze vroegen om het aangaan van lijstverbindingen voor de senaatverkiezingen te vervroegen tot vóór de statenverkiezingen. Ze vonden manipulatie met kennis van de uitslag van de statenverkiezing ongewent. Volgens Raad van State, regering en Tweede Kamer was vervroeging in strijd met artikel 55 van de grondwet. Dus werd de hele lijstverbinding afgeschaft.
Er blijven nog wel een paar manipulaties mogelijk. Laat statenlid van partij A stemmen op partij B en partij C levert een zetel in. Of ga de senaatverkiezingen in met een gezamenlijke lijst.
Kamergeleerde Donner achtte een verzoek tot stemmen op een andere partij in strijd met “stemmen zonder last” en dacht, dat het daarom niet zou gebeuren. Zo blijkt, dat ook een minister naïef kan zijn.

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: