De volgende Minister van Staat

door Ingezonden op 20/10/2011

in Haagse vierkante kilometer

Post image for De volgende Minister van Staat

‘Ben ik nou een staatsman of niet?’ Die vraag zal leidende politici vast wel eens zorgen baren. In Nederland is er een aardig criterium om dat te beoordelen. Wie bijzondere verdiensten heeft in de politiek kan in de herfst van zijn leven in aanmerking komen voor het ministerschap van Staat. Toen ik de term voor het eerst hoorde dacht ik altijd dat je als Minister van Staat het voorrecht hebt om altijd binnen te wandelen in de Trêveszaal. Overigens is die titel al vier jaar niet meer verleend, en dat is uitzonderlijk lang. Zijn er geen staatsmannen meer? Zeker wel: binnenkort komt er weer eentje te voorschijn. Daarover aan het eind van deze column meer.

Het leuke van het ministerschap van Staat is dat er ook een zekere willekeur mee gepaard gaat. Dat mensen als Hans van Mierlo en Hans van den Broek het werden, dat begrijpt iedereen. Vermoedelijk zullen echter weinigen in Jos van Kemenade een typische Minister van Staat gezien hebben, tot hij het werd in april 2002.

Wie minister-president geweest is, gooit hoge ogen om het te worden. Zo benoemde Kok zijn voorganger Lubbers, en Balkenende zijn voorganger Kok binnen een jaar na hun einde van dienst in dit ere-ambt. Dat Balkenende het na een jaar nog niet geworden is, duidt er dan ook op dat hij het ook niet meer wordt. Daarvoor was hij dan ook te onervaren in staatszaken toen hij aantrad, en schutterde hij wat al tezeer in kwesties waarvan men op het Paleis nou juist graag ziet dat de minister-president het gezag heeft om te voorkomen dat het echte affaires worden (Margarita & Mabel, maar bijvoorbeeld ook het gedoe over de villa van Willem-Alexander). Hij is natuurlijk ook nog een stuk jonger dan Kok en Lubbers waren aan het eind van hun premierschap.

Om als scheidend minister-president tot Minister van Staat gebombardeerd te worden is er natuurlijk nog wel een andere vereiste: geen terugkeer in de actieve politiek. Minister-president Van Agt had zijn voorganger Den Uyl kunnen voordragen als minister van Staat: Juliana zou er zeker oren naar gehad hebben, gezien haar “special relationship” met Den Uyl. Maar ja: het was wel erg veel gevraagd van Van Agt om degene die hem als oppositieleider wekelijks in de Kamer uitkafferde, en die bovendien vond dat niet Van Agt maar hij er had moeten zitten en dat met verve uitdroeg, in die erefunctie te benoemen. Maar waarom werd Van Agt zelf geen Minister van Staat? Daar zijn – kort samengevat – drie redenen voor: Lubbers, Beatrix en Van Agt zelf.

“Meneer Van Agt, weest u eens wat meer statesmanlike”, zo moet de jonge koningin ooit Van Agt hebben toegevoegd. Het verhaal is in de biografie van Van Agt waaraan ik zes jaar werkte terechtgekomen, maar alleen maar omdat Van Agt het meteen nadat dit was gebeurd vertelde aan een van zijn raadsadviseurs, die het onthield. Op zichzelf had de vorstin haar dankbaarheid aan Van Agt best mogen uitdrukken voor het onder zijn verantwoordelijkheid ordelijk afwikkelen van de troonsafstand. Dat was bepaald geen vanzelfsprekendheid in het Amsterdam van 1980. Met de formatie van 1981 heeft hij het echter vermoedelijk verknald. De grilligheid die hij daarin tentoonspreidde om maar niet het kabinet te krijgen dat er nu eenmaal toch moest komen (van CDA, PvdA en D’66) zal Beatrix onaangenaam getroffen hebben in wat nou juist haar eerste formatie was, en waarin ze dus graag wilde laten zien dat ze wist hoe het moest. Dat ze hem bijvoorbeeld een informateur (De Gaay Fortman) opdrong die, bij bekendwording daarvan, Van Agt deed besluiten ziek te worden en zich een paar dagen onbereikbaar voor politieke zaken te houden, zal niet direct aan zijn reputatie ten paleize hebben bijgedragen.

Pas bij het werken aan de Van Agt-biografie realiseerde ik me ook hoe slecht eigenlijk de relatie tussen Van Agt en Lubbers was. Van Lubbers is de verzuchting dat hij niet begreep waarom mensen het CDA in die tijd als een geoliede machine beschouwden. Als collega’s in het kabinet-Den Uyl zaten zij elkaar (op Justitie resp. EZ) niet in de weg. Toen Van Agt premier werd, verwachtte Lubbers niet anders dan minister te worden in het kabinet Van Agt-Wiegel, maar daar hadden zowel premier als vice-premier weinig behoefte aan. Lubbers werd dus tot zijn bittere teleurstelling eind 1977 “gewoon” Kamerlid. Echt goed is het tussen die twee nooit meer gekomen. Zodra Lubbers fractievoorzitter was (vanaf 1978) en Van Agt premier, was het vier jaar lang gedoe tot Van Agts afscheid van het ambt. “Ruud komt dan toch nog aan de beurt”, schreef Frans Andriessen hem dan ook in een briefje kort daarna.

Van Agt zelf was in de biografie eerlijk genoeg om toe te geven wat de twee nogal afwijkende eigenschappen waren waarvoor hij een voorliefde in de politiek had: relativeren en improviseren. Dat zijn nu net twee dingen waar zowel Beatrix als Lubbers niet erg van houden. Het is niet voor niets dat Van Agt van zijn wekelijkse gesprekken met Juliana geen aantekeningen maakte. Dat ging hij pas doen toen bleek dat Beatrix als koningin van hem verlangde dat hij nog wist wat hij de week ervoor gezegd had. Zelf zegt Van Agt in de biografie al dat bij Lubbers zijn ambities in het geheel niet gezeefd werden door zijn relativeringsvermogen; te vrezen valt dat hij dat juist ziet.

Om Minister van Staat te worden had Van Agt zich wat meer moeten aantrekken van de nu volgende Minister van Staat. Het betreft een jonge medewerker, die hij eind 1977 aantrof op het departement van Algemene Zaken. Deze was, net als de andere raadsadviseurs, gewend om naar Den Uyl te hollen met de nieuwste gegevens op allerlei terreinen zodra deze bekend waren. Het is een apocrief verhaal, maar het had zo gebeurd kunnen zijn: toen de betreffende medewerker dat vervolgens ook bij Van Agt deed schijnt deze er even naar gekeken te hebben om vervolgens de historische woorden te spreken: “o, allemaal cijfertjes. Neem maar weer mee.”

Sinds de oorlog is de regel dat een vice-voorzitter van de Raad van State benoemd wordt tot Minister van Staat. De eerste, Beelaerts van Blokland, had de titel zelfs al in 1936 binnen terwijl hij pas 20 jaar later in het ambt zou overlijden. Zijn opvolger Rutgers, die het instituut toen al enige tijd de facto draaiende hield, is de uitzondering op de regel: hij werd geen Minister van Staat toen hij drie jaar later afscheid nam. Beel was het juist al drie jaar toen hij Rutgers in 1959 opvolgde. Na Beel hebben alle vice-presidenten de titel gekregen bij hun afscheid: Ruppert in 1980 (overigens met twee maanden vertraging) en Scholten in 1997 (tegelijk met zijn afscheid, zoals het hoort). Ik voorspel u dus binnenkort de bekendmaking van het Koninklijk Besluit om per 1 februari 2012 tot Minister van Staat te benoemen, de heer Herman Tjeenk Willink.

Peter Bootsma

{ 5 reacties… read them below or add one }

1 Rob van der Hilst 20/10/2011 om 08:54

Het verlenen van de (ere)titel ‘Minister van Staat’ aan een zeer verdienstelijk openbaar ambtsbekleder – de overtreffende trap boven koninklijke onderscheidingen – is in feite de Nederlandse equivalent van (zoals in het Verenigd Koninkrijk gebeurt) het verheffen door de monarch van de persoon in kwestie in de adelstand.

Dit laatste gebeurt hier namelijk nauwelijks meer en dan nog alleen in het geval dat een burgerkind in het huwelijk treedt met een lid van de inner circle van de koninklijke familie (‘koninklijk huis’).

Het vervelende van adeltitels is dat ze erfelijk zijn – de nazaten van een zeer verdienstelijke persoon die ooit geadeld werd zouden er een potje van kunnen maken (zal de zeer op Excellente Prestaties gerichte huidige konig(in) van Nederland ongetwijfeld menen) – en dat het Minister van Staat-schappen dat helemaal niet zijn.
Deze titulatuur blijft aan een specifieke persoon ‘hangen’.

Overlijdt hij of zij – hoeveel vrouwen zijn Minister van Staat eigenlijk? – dan houdt de eretitel van de betreffende persoon ‘op te bestaan’.
Klaar is kees.

Aangezien

2 Maurits van den Toorn 20/10/2011 om 09:55

Adel hoeft niet altijd erfelijk te zijn. Groot-Brittannië kent het verschijnsel van ‘life peers’, en het feit dat Eddy Mercx zich tegenwoordig baron mag noemen betekent niet dat zijn nazaten die titel ook hebben gekregen.
Maar het lijken me onvergelijkbare grootheden, Minister van Staat is exclusief voor mensen die zich in buitengewone mate nuttig hebben gemaakt voor het openbaar bestuur. Bovendien staat tegenover die eretitel de verplichting om op te draven voor het oplossen van lastige klusjes. En om aan te haken bij het begin van deze column: is dat Van Kemenade eigenlijk al eens overkomen?

3 Peter Bootsma 20/10/2011 om 12:56

@ Rob: volgens mij is het Minister van Staat-schap niet te vergelijken met het verheffen in de adelstand; Maurits zegt het juist hierboven.
Om je vraag te beantwoorden: er is maar één vrouwelijke Minister van Staat geweest (tot haar overlijden dus), en wel Marga Klompé.

4 DL 26/10/2011 om 21:56

In ieder geval een stuk transparanter dan de kabinetsformatie…

5 revo santegoets 16/02/2014 om 11:05

Beste Peter

De reden waarom van Agt geen minister van staat is geworden,
is, mijns inziens, gelijk aan de reden waarom Wiegel dat nooit
geworden is. Het kabinet van Agt-Wiegel was een handjeklap
tussen deze twee figuren om den Uyl buitenspel te zetten
Beatric was teveel staatshoofd om zich hier mee in te laten

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: