De vuurwerkramp in Enschede en de aansprakelijkheid van de gemeente

door FTG op 10/09/2010

in Rechtspraak

Post image for De vuurwerkramp in Enschede en de aansprakelijkheid van de gemeente

Onlangs heeft het Gerechtshof Den Haag uitspraak gedaan in verband met een schadeclaim van omwonenden die schade hebben geleden door de vuurwerkramp in Enschede. Omdat bij S.E. Fireworks, de primair aansprakelijke, niets meer te halen was, spraken zij de staat en de gemeente aan op onrechtmatige daad. Deze vordering wordt door het Hof afgewezen. Ik wil hier slechts één aspect van dit arrest bespreken, namelijk de vraag of de gemeente Enschede onrechtmatig heeft gehandeld door niet handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van zonder bouwvergunning geplaatste containers (zie R.O. 21.5-21.6).

Bij aansprakelijkheid van een toezichthouder wordt onderscheid gemaakt tussen algemeen toezichtsfalen en concreet toezichtsfalen. Bij algemeen toezichtsfalen was er een onrechtmatigheid, maar was de toezichthouder hiervan niet op de hoogte. De vraag is dan of de toezichthouder op de hoogte had moeten zijn en dus intensiever had moeten controleren. In dergelijke gevallen strandt de vordering meestal op de beleidsvrijheid van de toezichthouder. Deze mag zelf beslissen hoe de schaarse middelen die tot zijn beschikking staan ingezet worden en de vraag of de wijze waarop dat gebeurde redelijk was, wordt door de rechter marginaal getoetst.

Bij concreet toezichtsfalen is de toezichthouder wel op de hoogte van de onrechtmatigheid, hetgeen, zo begrijp ik uit het arrest, met betrekking tot de bewuste containers inderdaad het geval was. Als zich dat voor doet, is het de vraag of de toezichthouder onrechtmatig gehandeld heeft door niet handhavend op te treden.

Het Hof beantwoordt die vraag ontkennend. De handhavingsbevoegdheid is een discretionaire bevoegdheid, zo overweegt het Hof. Alle belangen, waaronder die van derden en die van de overtreder moeten dan afgewogen worden. Het Hof stelt vast dat er door derden geen handhavingsverzoeken gedaan zijn en dat er bovendien van enige hinder niets gebleken is. Aan de factor hinder hoefde dus geen doorslaggevend belang gehecht te worden. Bovendien, zo vervolgt het Hof, waren er gesprekken gaande over de eventuele verplaatsing van het bedrijf, dus het probleem was wellicht slechts van tijdelijke aard.

Dergelijke redeneringen ziet men wel vaker bij de civiele rechter, bijvoorbeeld in de uitspraak van de rechtbank waar dit hoger beroep tegen gericht was. Toch lijkt dit in strijd te zijn met vaste jurisprudentie van de bestuursrechter, die (met name in het omgevingsrecht, maar ook elders) uitgaat van een beginselplicht tot handhaving. Uitgangspunt daarbij is dat het algemene belang bij handhaving altijd zwaarder weegt dan andere belangen, tenzij zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen.

Dat zich zo’n bijzondere omstandigheid voordoet wordt door de rechter niet snel aangenomen. Een aardig voorbeeld deed zich voor in een geval waarin iemand een kapelletje in zijn tuin had gebouwd, omdat Maria daar verschenen was. De verschijning van Maria (en de bouw van het kapelletje) was echter in flagrante strijd met het bestemmingsplan. Volgens de bestuursrechter moest hier handhavend worden opgetreden, omdat de (gestelde) verschijning van Maria geen bijzondere omstandigheid was.

Uit andere rechtspraak blijkt dat het gegeven dat slechts sprake is van een pietluttige overtreding, op zichzelf geen reden is om van handhavend optreden af te zien. Ook het gegeven dat omwonenden niet hebben verzocht om handhavend optreden is niet doorslaggevend. Het enkele feit dat er sprake is van een overtreding levert al zo’n zwaarwegend belang op dat in die gevallen in beginsel tot handhaving dient te worden overgegaan. Om van handhaving af te kunnen zien, moet er dus meer aan de hand zijn, maar daarvan blijkt in de uitspraak verder niets.

Wel is het zo dat als er sprake is van een concreet zicht op legalisatie van handhaving moet worden afgezien. Het moet dan wel gaan om gevallen waarin al min of meer duidelijk is dat een vergunning verleend zal gaan worden of dat het bedrijf zich gaat verplaatsen naar een omgeving waar vergunningverlening wel mogelijk is. Vrijblijvende gesprekken over een eventuele verplaatsing zijn daarvoor echter niet voldoende.

Het lijkt er dus op dat op de gemeente Enschede een rechtsplicht rustte handhavend op te treden. Het nalaten daarvan is dan onrechtmatig. Daar vloeit overigens niet uit voort dat Enschede dan ook aansprakelijk is, omdat bijvoorbeeld het causale verband tussen de onrechtmatige daad en de schade kan ontbreken. In de laatste zin van overweging 21.6 neemt het Hof, overigens zonder motivering, dit standpunt in.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: