Debat in de Kamer over de kabinetsformatie

door Redactie op 28/05/2010

in Haagse vierkante kilometer

Onlangs is op voorstel van de Kamerleden Van der Ham (D66) en Van Gent (GroenLinks) in artikel 139a van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer vastgelegd dat de Kamer in de eerste vergadering na haar verkiezing kán beraadslagen om de betekenis van de verkiezingsuitslag vast te stellen en zo richting te geven aan de kabinetsformatie. (Kamerstukken II 2009-2010, 30 698, nr. 9).

De eerste mogelijkheid voor een richtinggevend debat is donderdag 17 juni. Een dergelijk debat zou vervolgens ook kunnen plaatsvinden na afronding van elke tussenfase in het formatieproces of na een tussentijdse val van het kabinet (derde en vierde lid).

Het voorstel sluit aan bij het rapport van de Parlementaire Zelfreflectie (pp. 57-59) waarin geopperd is om tot (her)invoering over te gaan van ‘een debat waarin de Kamer zo snel mogelijk na de verkiezingen rekenschap en openheid geeft om de betekenis van de uitslag vast te stellen en zo richting te geven aan de formatie’.

Het oorspronkelijk door de Kamerleden ingediende voorstel behelsde een verplichting voor de Kamer om bij eerste samenkomst te spreken over de uitslag van de verkiezingen en te beraadslagen over het doen van een voordracht aan de Koning voor de benoeming van (een) informateur(s) of formateur(s). Omdat dit voorstel geen meerderheid had – de PVV vond het voorstel niet vergaand genoeg t.a.v. het terugdringen van de rol van de Koningin in het formatieproces, hebben de indieners het voorstel afgezwakt om daarmee de steun van het CDA en de VVD te verwerven. Deze partijen hadden namelijk juist weer moeite met het verplichtende karakter van het debat en met de inspanningsverplichting om tot een voordracht van een (in)formateur te komen. De VVD noemde in dit verband de moeilijkheid en schadelijkheid van het openbaar beraadslagen over informateurskandidaten.

De uiteindelijke reglementswijziging is bescheiden. Een debat kan de Kamer immers altíjd organiseren. Als gevolg van de wijziging wordt nu echter wel geïnventariseerd of een dergelijk debat gewenst is en de fracties zullen zich daardoor rekenschap moeten geven waarom zij een aanvraag voor een dergelijk debat niet wensen te steunen.

In 1971 was de eerste en laatste keer dat een specifiek debat werd gehouden over de verkiezingsuitslag. De aanvaarde motie-Kolfschoten uit 1971 sprak uit dat het wenselijk was dat de nieuwgekozen Tweede Kamer kort na de verkiezingen van 1971 bijeen zou komen om, als de Tweede Kamer dat zou wensen, in een openbaar debat te onderzoeken of een oordeel kon worden uitgesproken omtrent een door het staatshoofd te benoemen kabinetsformateur, die in beginsel de leiding van het door hem te formeren kabinet op zich zou nemen. Het door Kolfschoten bedoelde debat vond twee weken na de verkiezingen daadwerkelijk plaats, maar het lukte de Tweede Kamer niet tot een meerderheidsoordeel over de gewenste formateur te komen. De fractievoorzitters gingen alsnog naar de Majesteit. Het debat leverde wel op dat sinds 1971 de adviezen van de fractievoorzitters aan de Koningin openbaar zijn.

De kans op mislukking van het debat is nu kleiner dan in 1971, omdat simpelweg het ambitieniveau in het huidige voorstel een stuk lager is. Het debat beoogt richting te geven aan de kabinetsformatie. Dat kan een voordracht voor een informateur zijn, een voordracht voor een bepaalde formatieopdracht, of een verslag van de stand van het debat op dat moment. Afhankelijk van de uitslag van de verkiezingen kan het dus ook een enkele aanbeveling zijn om eerst maar eens het slagveld te laten verkennen. De kans dat de Kamer bijvoorbeeld met een eensluidende uitspraak over de gewenste informateur komt, is niet zo hoog. De omslag van verkiezingsstrijd naar formatieproces zal voor partijen moeilijk te maken zijn in korte tijd, zo merkte de Vice-President van de Raad van State in zijn advies over de reglementswijziging op. Hij maakte ook de kanttekening dat door het voorstel de partijpolitieke rationaliteit een zwaardere rol zal gaan spelen in het formatieproces. De vraag ‘wie gaat met wie’ gaat dan boven de vraag welke grote maatschappelijke problemen moeten worden opgelost en wat voor soort kabinet daarvoor nodig is (Kamerstukken II2009-2010, 30 698, nr. 5). De Rob ziet in zijn recente briefadvies dergelijke vragen juist wel beantwoord in zo’n debat en ziet bovendien als voordeel dat stemmers op partijen die niet bij een (besloten) formatieproces worden betrokken zich niet meteen buitenspel gezet voelen. De Tweede Kamer kan dan publiekelijk discussiëren en politieke conclusies trekken over de verkiezingsuitslag. Om dezelfde reden vindt de Rob het van belang dat de Kamer voorafgaand aan het (in)formatieproces publiek in gesprek gaat met de (in)formateur.

Tussen de verkiezingen en de dag van eerste samenkomst zitten acht dagen. Die zijn noodzakelijk om de uitslag vast te kunnen stellen en het geloofsbrievenonderzoek te doen. Het is onvermijdelijk dat partijen in de media al posities innemen na de verkiezingen en voorsorteren op de onderhandelingen. Het debat na acht dagen is dan niet meer, en niet minder, dan verantwoording over de al ingenomen standpunten in de media. De meerwaarde is vooral dat de standpunten bevraagd kunnen worden door andere fracties.  

De indieners Van der Ham en Van Gent beogen dat de acht dagen worden gebruikt om het debat voor te bereiden. Dit gebeurde in 1971 niet. In het tweede lid van artikel 139a is daarom neergelegd dat de Kamervoorzitter voorafgaand aan het debat overlegt met de beoogde fractievoorzitters over de wenselijkheid en de procedure van het debat.

Niet is vastgelegd hoe die voorbereiding gaat. Een mogelijkheid is dat er enkel afspraken worden gemaakt over spreektijden en het formatieproces tot aan het debat wordt stilgelegd. De maatschappelijke druk zal echter groot zijn om het formatieproces niet acht dagen stil te leggen en direct na de verkiezingen met consultaties te starten. Als de fractievoorzitters direct naar de Koningin gaan dient het Kamerdebat vervolgens niet meer om een informateur aan te wijzen, maar om publieke verantwoording af te leggen over de adviezen aan de Koningin.

Dit is echter niet wat de indieners voor ogen hebben. Zij hebben gesuggereerd dat de voorzitter van de Kamer een eerste consultatieronde zou kunnen houden om de Kamer zodoende gemakkelijker tot een voordracht voor een informateur te laten komen richting het staatshoofd. Een vergelijking kan daarbij worden getrokken met Spanje waar de benoeming van een premier door de Koning plaatsvindt op voordracht van het Congres (via de voorzitter).

De rol van de Kamervoorzitter en de Koningin is zo groot als de nieuwe (toekomstige) fracties wenselijk vinden.

De Kamervoorzitter moet in elk geval inventariseren of in de nieuwe Tweede Kamer een debat over de verkiezingsuitslag zal worden gewenst en wanneer en hoe men de consultatieronde wil starten. Het ligt voor de hand dat de Koningin zich door de Kamervoorzitter, één van haar onafhankelijke adviseurs, laat informeren over deze inventarisatie, en desgewenst met de consultatieronde onder de lijsttrekkers wacht tot het debat heeft plaatsgevonden. De bewegingsruimte voor de Koningin is voorts afhankelijk van de wijze waarop de Kamer vervolgens tot een uitspraak weet te komen. Mocht de Kamer tot een uitspraak komen, dan dient de Koningin af te wegen of zij de lijsttrekkers nog afzonderlijk consulteert.

Bij een grotere rol voor de Kamervoorzitter moet wel het volgende worden bedacht. De Kamervoorzitter wordt (her)benoemd in de eerste beraadslaging van de nieuwe Kamer (artikel 4 RvO TK). De persoonlijke continuïteit in het formatieproces is dus niet per se verzekerd.

Bovendien zal een aantal partijen vermoedelijk liever naar de Koningin gaan dan naar een politiek gekleurde en/of onervaren Kamervoorzitter. Ik zie althans Wilders, Balkenende of Rutte niet zo snel op de thee bij het PvdA-Kamerlid Verbeet (huidig voorzitter) of een net benoemde voorzitter. Voor kleinere partijen kan de gang naar de Koningin ook aantrekkelijker zijn door de publieke zichtbaarheid dat hun stem op gelijkwaardige wijze wordt gehoord.

Zolang er verdeeldheid heerst onder de partijen over de procesbegeleidende rol van de Kamervoorzitter, wordt de positie van de Tweede Kamer in het formatieproces niet sterker en een onafhankelijke derde noodzakelijker. Schrijf de rol van de Koningin in het formatieproces dus niet af, haar rol als bewaker van de constitutionele spelregels komt nog van pas.

Hans Klok

Werkzaam bij de afdeling Constitutionele Zaken van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, op persoonlijke titel.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

{ 4 trackbacks }

Vorige post:

Volgende post: