Democratie en dictatuur

door PWdH op 13/03/2009

in Varia

Het is bekend: in tijden van crisis neemt de roep om de sterke man toe. Dat roept de vraag op naar het verband tussen democratie en dictatuur. Die blijken verrassend nauw verbonden. Zo werd eerder al opgemerkt dat wie de bakermat van de parlementaire democratie onderzoekt absolute macht vindt.

Nieuw voor mij was dat in de jaren dertig de roep om de sterke man niet alleen in de Eerste maar ook in de Tweede Wereld hardop klonk. Zo schijnt senator David Reed uit Pennsylvania te hebben opgemerkt: ‘If this country ever needed a Mussolini, it needs one now’. En William Borah (Idaho) verklaarde over de noodzaak om politiek terzijde te zetten en: ‘give our incoming President dictatorial power within the Constitution for a certain period’. Zijn oproep politiek terzijde te zetten doet denken aan de Tweede Kamer, waarin ‘even’ geen plaats was voor partijpolitiek toen Fortis/ABN Amro moest worden gered.

De ‘incoming President’ waarover Borah sprak was Franklin D. ‘nothing to fear’ Roosevelt, met wie Obama na zijn aantreden tot vervelens toe werd vergeleken: beide zijn president in crisistijd. In zijn Inaugurele Rede ging Roosevelt in op de vele verzoeken op te treden als dictator. Hij stelde te hopen dat zijn traditionele bevoegdheden zouden voldoen om de crisis aan te pakken. Zoniet, dan zou hij vragen om ‘broad Executive power to wage a war against the emergency, as great as the power that would be given to me if we were in fact invaded by a foreign foe’.

In de politieke filosofie is de sterke man natuurlijk ook een dankbaar thema. Meest bekend is vast de ‘tyrannie van de meerderheid’ van De Tocqueville (ondanks weer leven ingeblazen door Verdonk: we kunnen geen rekening ‘blijven’ houden met de minderheid). De inherente tyrannie was voor De Tocqueville reden te pleiten voor liberale grenzen aan de democratie. Een moderne versie hiervan is Walzer (‘Philosophy and democracy’). Ook de volonté générale van Rousseau is niet vrij van tyranniek potentieel. Daar staat tegenover dat daaraan een sociaal contract ten grondslag ligt en dat de tyrannie dus uiteindelijk (fictief) berust op de instemming van de onderdanen.

Carl Schmitt gaat een stap verder. Hij promoveert de tyrannie van de meerderheid als mogelijk resultaat van democratie tot homogeniteit als voorwaarde voor ‘ware’ democratie. Om tot die homogeniteit te komen kan het uitbannen van heterogeniteit gerechtvaardigd zijn. Aan het hoofd van Schmitt’s democratie staat de Caesar, een bij acclamatie gekozen sterke man. Aan een parlement is geen behoefte: dankzij de homogeniteit dienen beslissingen zich vanzelf aan, letterlijk uit het niets.

Onder meer vanwege deze opvatting staat Schmitt bekend als een van de voornaamste critici van het liberalisme. Hij is ook omstreden, omdat hij bereid was de Machtergreifung van het Nazi-regime te rechtvaardigen. Dat was ongetwijfeld verkeerd van hem (in later werk relativeert Schmitt zijn jaren twintig opvatting weer enigszins); toch wordt ook wel beweerd dat Schmitt vooral mikpunt is van kritiek als boodschapper van het slechte nieuws dat democratie en dictatuur wellicht beter samengaan dan democratie en liberalisme.

Overigens wordt ook op dit weblog inmiddels de roep om de sterke man gehoord. Dick Jol gaat vooralsnog aan kop; blijf stemmen!

Bovenstaande citaten heb ik ontleend aan ‘A Revolutionary President‘ van Russell Baker, New York Review of Books, Vol. LVI, No. 2.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: