Deze week in Luxemburg 2013/45

door AJM op 11/11/2013

in Europa

Post image for Deze week in Luxemburg 2013/45

Ongetwijfeld de meest spraakmakende zaak vorige week betrof de status van homoseksuele asielzoekers. Behoeven zij internationale bescherming en zouden zij zich in het land van herkomst terughoudend moeten opstellen om vervolging te voorkomen? Het Hof heeft afgelopen week deze vragen van de Raad van State beantwoord. Homoseksuele asielzoekers kunnen inderdaad een specifieke sociale groep vormen waarvan de leden gevaar lopen te worden vervolgd op grond van hun seksuele gerichtheid. Het kan van hen niet worden verwacht dat zij zich in het land van herkomst terughoudend opstellen om vervolging te voorkomen. De enkele strafbaarstelling van homoseksuele handelingen vormt geen daad van vervolging. Een daadwerkelijk toegepaste gevangenisstraf voor homoseksuele handelingen wel.

In het postvakje van de Raad van State lag afgelopen week ook het antwoord op een andere vraag over immigratie. Het was al duidelijk dat de standstillbepaling van besluit nr. 1/80 in de weg staat aan de oplegging van nieuwe beperkingen aan Turkse werknemers. Dat geldt volgens het Hof ook wanneer die beperkingen enkel tot doel hebben om de illegale binnenkomst en illegaal verblijf, voorafgaand aan het indienen van een aanvraag om een verblijfsvergunning, tegen te gaan. Het bezit van een machtiging tot voorlopig verblijf die enkel geldig is in afwachting van een definitieve beslissing over het verblijfsrecht, vormt daarnaast geen „legaal verblijf” in de zin van dat besluit.

In een meer economische sfeer (nu een vraag van het hof Amsterdam) verdient de zaak UPC Nederland aandacht. De gemeente Hilversum heeft lange tijd UPC ervan weten te weerhouden om de basisprijs voor het leveren van een basispakket aan radio- en televisieprogramma’s via de kabel te verhogen. Deze activiteit valt volgens het Hof onder het Europees regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken. Op grond van dat kader en het beginsel van Unietrouw had de gemeente niet rechtstreeks mogen ingrijpen in de door UPC berekende eindgebruikerstarieven.

Deze week ook een richtlijn-special. Er worden regelmatig prejudiciële vragen gesteld over het omzetten en uitleggen van richtlijnen. Met de beantwoording daarvan heeft het Hof zich afgelopen week in drie zaken bezig gehouden. Voor het Duitse Bundesverwaltungsgericht was aan de orde vanaf wanneer de verplichting tot uitvoering van een milieueffectbeoordeling geldt en wat deze precies inhoudt. Het Hof heeft geoordeeld dat deze verplichting (op basis van richtlijn 85/337) ook geldt voor vergunningprocedures die zijn ingeleid vóór het verstrijken van de termijn voor de omzetting van de richtlijn, maar waarbij de vergunning pas daarna is afgegeven. Daarnaast moet die vergunning niet alleen kunnen worden aangevochten vanwege het ontbreken van een milieueffectbeoordeling, maar ook vanwege gebreken in de beoordeling wanneer die wel is verricht. Dat gezegd hebbende: het nationale recht mag bepalen dat het ontbreken van of een foutieve milieueffectbeoordeling niet tot vernietiging leidt wanneer aannemelijk is dat het aangevochten besluit zonder de procedurefout niet anders had geluid, mits de bewijslast daarvoor niet op de verzoeker komt te liggen. Bij de verplichting tot omzetting van een richtlijn kan voor de lidstaat discretionaire ruimte blijven bestaan, zoals een andere zaak laat zien. Richtlijn 95/46/EG betreffende persoonsgegevens biedt lidstaten volgens het Hof de mogelijkheid (en dus niet de verplichting) om een of meerdere van de daarin opgenomen uitzonderingen in hun nationale recht om te zetten. Het gaat dan om uitzonderingen op de verplichting om de betrokkenen over de verwerking van hun persoonsgegevens te informeren Onder die uitzonderingen valt ook de activiteit van een privédetective die voor een beroepsorganisatie onderzoek verricht naar schendingen van de beroepscode van een gereglementeerd beroep. In de laatste zaak over richtlijnen is juist de uitleg van een richtlijn aan de orde. Wellicht een opluchting voor degenen die een rechtsbijstandverzekering hebben afgesloten. Artikel 4 van richtlijn 87/344 over de rechtsbijstandverzekering bepaalt dat, “indien een advocaat of andere persoon die volgens het nationaal recht gekwalificeerd is, wordt gevraagd de belangen van de verzekerde in een gerechtelijke of administratieve procedure te verdedigen, te vertegenwoordigen of te behartigen, de verzekerde vrij is om deze advocaat of andere persoon te kiezen”. Aan de orde was of bij een rechtsbijstandverzekering mag worden bedongen dat de verzekeraar bepaalt of de behandeling van de zaak aan een externe rechtshulpverlener moet worden uitbesteed. Volgens het Hof is dat niet het geval.

Wie tot aan dit punt heeft doorgelezen weet inmiddels dat het Hof niet om prejudiciële vragen verlegen zit. Voor hobby-werk heeft het dan ook geen tijd. Dat blijkt maar weer uit de niet-ontvankelijkheid van een prejudiciële vraag van een Italiaanse rechter. Deze wilde weten of een nationale rechterlijke instantie op grond van een nationale regeling die voor zuiver interne situaties naar het Europese recht verwijst, moet aansluiten bij de uitlegging van de rechtspraak van het Hof van Justitie. Uit de verwijzingsuitspraak bleek echter niet dat de bedoelde nationale regeling daadwerkelijk bedoelde om zuiver interne situaties bij het Europese recht (in dit geval artikel 296 Handvest) en daarmee leende de zaak zich niet voor een antwoord.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: