Dialoog met eenrichtingsverkeer

door LD op 24/09/2013

in Europa, Haagse vierkante kilometer, Uitgelicht

Post image for Dialoog met eenrichtingsverkeer

Als het Nederlandse parlement EU-voorstellen toetst, dan kan het gebruik maken van de subsidiariteitstoets of het parlementaire behandelvoorbehoud. Die instrumenten zijn in eerdere bijdragen besproken. Deze bijdrage richt zich op een derde instrument: de politieke dialoog met de Europese Commissie. Verreweg de meeste Europese voorstellen zijn afkomstig van de Commissie. Dat vloeit onder meer voort uit artikel 17 van het EU-verdrag, dat bepaalt:

“Tenzij in de Verdragen anders is bepaald, kunnen wetgevingshandelingen van de Unie alleen op voorstel van de Commissie worden vastgesteld. Andere handelingen worden op voorstel van de Commissie vastgesteld in de gevallen waarin de Verdragen daarin voorzien.”

De Europese Commissie heeft dus in beginsel het exclusieve recht van initiatief bij wetgevingshandelingen. Daarnaast brengt zij regelmatig discussiedocumenten uit, zoals mededelingen, groenboeken en witboeken. Of het nu om wetgevende of niet-wetgevende dossiers gaat, nationale parlementen hebben er vaak een mening over. In september 2006 lanceerde de Europese Commissie de zogenaamde politieke dialoog, die nationale parlementen in staat stelt rechtstreeks met haar te communiceren en suggesties, kritiek en lof over te brengen. Daarbij stelde de Commissie zichzelf een termijn van drie maanden om op brieven van nationale parlementen te reageren. De politieke dialoog kan naast of in plaats van de subsidiariteitstoets worden ingezet. Nationale parlementen kunnen bijvoorbeeld uitsluitend subsidiariteitsbezwaren indienen of uitsluitend de politieke dialoog over andere aspecten van een EU-dossier aangaan, terwijl zij ook heel goed subsidiariteitsbezwaren kunnen combineren met andere vragen, opmerkingen en kritiek. Soms zal alleen een politieke dialoog mogelijk zijn, bijvoorbeeld bij mededelingen en groenboeken. Dat zijn immers niet-wetgevende voorstellen, en daar kan de subsidiariteitstoets niet tegen worden ingezet.

Het voorgaande klinkt allemaal vrij veelbelovend, maar werkt het ook in de praktijk? Ik vrees dat het antwoord vooralsnog ontkennend moet luiden. Nationale parlementen hebben nogal enthousiast van de mogelijkheid gebruik gemaakt de dialoog met de Commissie aan te gaan en die heeft zich hierop duidelijk verkeken. Tussen 2006 en 2009 werden al 525 opinions ontvangen en in 2010 zelfs 387 (in één jaar dus). Het lukt de Commissie zelden om binnen de eigen deadline van drie maanden te reageren. Daar heeft ze kennelijk de (ambtelijke) mankracht niet voor. Op deze wijze komt er natuurlijk weinig van een dialoog terecht. Terwijl de nationale parlementen op antwoord wachten, gaan de onderhandelingen op Europees niveau gewoon door. Inhoudelijk zijn de antwoorden van de Commissie ook niet om over naar huis te schrijven: uitermate beknopt en vaag.

Een goed voorbeeld van een feitelijk mislukte dialoog is de correspondentie tussen de Eerste Kamer en de Europese Commissie over een ontwerprichtlijn inzake het gebruik van Passenger Name Record (PNR – gegevens van passagiers van vliegtuigen) voor de bestrijding van terrorisme en zware criminaliteit. Bij brief van 15 maart 2011 vroeg de Eerste Kamer de Europese Commissie onder meer waarom de passagiersgegevens vijf jaar bewaard moesten worden, zoals het voorstel voorschreef. Het antwoord kwam pas op 11 oktober van dat jaar binnen, dus bijna zeven maanden later. Het luidde dat de Europese Commissie een termijn van vijf jaar beschouwde als een goed evenwicht tussen rechtshandhaving en gegevensbescherming. Deze zeer magere motivering leidde tot een nieuwe brief van de Eerste Kamer met een verzoek om een uitgebreidere toelichting. Die brief werd op 11 november 2011 verstuurd en het antwoord volgde op 20 juli 2012, meer dan acht maanden later. Het luidde nu dat vijf jaar de standaardbewaartermijn voor databases op rechtshandhavingsgebied is. Zo’n antwoord kan moeilijk voor een doorwrocht betoog doorgaan.

Deze casus met de Eerste Kamer in de hoofdrol is geen incident. De Conferentie van commissies Europese Zaken van nationale parlementen en van het Europees Parlement (COSAC) stelde in oktober 2012 vast dat er verbeteringen mogelijk waren in de politieke dialoog. Diverse nationale parlementen en kamers daarvan hadden aangegeven dat snellere en meer inhoudelijke reacties van de zijde van de Europese Commissie dringend gewenst waren. Die wens werd uitgesproken door het Britse House of Lords, de beide kamers van de Ierse Oireachtas, de Portugese Assembleia da República, de Italiaanse Camera dei Deputati, de Spaanse Cortes Generales, de Duitse Bundesrat en last but not least de beide Kamers der Staten-Generaal. Het leidde tot een tot duidelijke oproep aan de Commissie:

“COSAC calls on the European Commission to further enhance its cooperation with national Parliaments by sending more substantive responses and in a more timely manner, as requested by a number of Parliaments.”

De Commissie beloofde haar best te zullen doen (of eigenlijk: te blijven doen), maar het is de vraag of verbeteringen al zichtbaar zijn. De voorzitter van het European Scrutiny Committee van het Britse House of Commons, William Cash, vindt in elk geval van niet. In een brief van 26 juni 2013 heeft hij zijn bezwaren aan de Europese Commissie uiteengezet. Hoewel de brief strikt genomen gaat over subsidiariteitsbezwaren, is hij niettemin van toepassing op de gehele politieke dialoog. Wanneer de drempel voor een gele of oranje kaart niet bereikt wordt – en dat is dus meestal het geval – beschouwt de Europese Commissie een brief met subsidiariteitsbezwaren namelijk als onderdeel van de politieke dialoog. De brief wordt dan ook in dat kader beantwoord. Cash merkt op dat de gemiddelde wachttijd voor een antwoord op zes maanden ligt. Over de antwoorden is hij ook niet te spreken:

“Most replies are, in terms of content, of questionable brevity; they are on average two pages long, including preliminary paragraphs which restate the questions raised in the Reasoned Opinions, or the general policy context of the proposal, or the basis for the EU’s competence to act (which is not a relevant subsidiarity consideration)”

Om daar tegen het einde van de brief nog aan toe te voegen:

“There is a sense from many responses that this is a pro forma exercise for the Commission.”

Er is dus nog genoeg te verbeteren.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: