Discriminerende rector? Diploma ongeldig!

door GB op 06/03/2017

in Grondrechten, Haagse vierkante kilometer

Post image for Discriminerende rector? Diploma ongeldig!

Afgelopen vrijdag arriveerde in de Senaat een brief die belangrijk is voor de stemmingen van morgen. Het is een soort spoednovelle, bedoeld om de nieuwe Wet bescherming namen en graden hoger onderwijs te redden. Het voorstel voor deze nieuwe wet bevat een bijzondere bevoegdheid: de minister van onderwijs mag voortaan de deuren gaan sluiten van alle onderwijsinstellingen waar ‘het maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef van studenten onvoldoende wordt bevorderd’. Dat is reeds het geval als iemand die een instelling vertegenwoordigt een discriminatoire uitlating doet. Studenten moeten dus niet alleen het rooster maar ook het Twitteraccount van de rector goed gaan volgen. Ontkent hij op zaterdagmiddag de holocaust, dan kunnen op maandag de colleges vervallen. De Tweede Kamer ging reeds akkoord en deed er meteen een motie bij over waar als eerste het licht uit mag: op de Islamitische Universiteit Rotterdam (IUR). Een nogal bijzondere vorm van terugwerkende kracht, waar het laatste woord nog niet over gezegd is.

Nu valt er weinig positiefs te zeggen over IUR-rector Ahmet Akgündüz. Dat doet hij zelf ook niet over Joden, homoseksuelen, vrouwen, Koerden, Armeniërs of andere groepen die hem tijdens zijn jeugd moeten hebben misbruikt. Maar de Eerste Kamer heeft zo wel zijn vragen bij de staatsrechtelijke inpassing van de nieuwe bestuursbevoegdheid. Is dit niet exclusief het domein van de strafrechter en moet de minister het niet laten bij haar oproep zo vaak en zo veel mogelijk aangifte te doen tegen deze getroebleerde geest? Daarover gaat de brief van vrijdag.

In het debat had Bussemaker haar nieuwe bevoegdheid gerechtvaardigd met twee argumenten: de route via de strafrechter duurt te lang en de uitkomst ervan is te onzeker. Terwijl de aangifte loopt worden studenten vergiftigd en als een aangifte wordt geseponeerd staat de minister met lege handen. Daarom is ze gaan doe-het-zelven. Er komt een adviescommissie met onafhankelijke leden die voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid in de rechterlijke macht. Minstens één van de leden moet ervaring hebben als rechter, ééntje moet in het College voor de Rechten van de Mens hebben gezeten en een ander moet verstand hebben van onderwijsrecht. Deze commissie zal in beginsel bindend adviseren of een schoolbestuurder gediscrimineerd heeft. En pas dan gaat de minister tot handhavende actie over. Met deze inbedding hoopt Bussemaker dat de senatoren morgen haar wetsvoorstel laten passeren zodat het licht in Rotterdam daarna zo snel mogelijk uit kan.

Of het ondertussen door de beugel van de Grondwet kan, hangt af van de vraag of hier sprake is van ‘berechting van strafbare feiten’ door een ad-hoc-adviescommissie terwijl artikel 113 zulks voorbehoudt aan de rechterlijke macht. Ik meen van niet. Het gaat immers niet om het bestraffen van de onderwijsbestuurders zelf, maar om bestuurlijk optreden tegen hun scholen ter bescherming van hun studenten. Daarvoor mogen bestuursorganen zich op een voorlopig oordeel over de strafbaarheid van bepaalde handelingen stellen, mits één en ander uiteindelijk bindend door een onafhankelijke rechter wordt vastgesteld. Jeugdzorg loopt hopelijk wel vaker vooruit op de strafkamer van de Hoge Raad. Principieel is er dus geen staatsrechtelijk probleem.

Praktisch wel. Door een quasi-rechterlijke procedure te willen optuigen, erkent Bussemaker dat zij een bevoegdheid krijgt die eigenlijk bij een rechter hoort. Juist dat maakt haar brief staatsrechtelijk verdacht. Óf het is nodig op te treden op basis van een voorlopig bestuurlijk oordeel over de onrechtmatigheid van een discriminerende uiting, óf er mag pas worden opgetreden nadat de normschending onafhankelijk en deskundig (dus door de rechter) is vastgesteld. In wat Bussemaker in haar brief voorstelt, suggereert ze dat ze wel een onafhankelijk en deskundig oordeel over de feitenkwalificatie wil, maar niet dat van de Nederlandse rechter. En dat is raar.

Misschien ligt de oorzaak in een misvatting die de Eerste Kamer in het debat onweersproken liet. Bussemaker betoogde gepassioneerd dat een opdracht aan het OM om in een concreet geval te gaan vervolgen pas echt in strijd met de trias politica zou zijn. Dat is het echter niet. De minister van Veiligheid en Justitie heeft al sinds jaar en dag de bevoegdheid om een concrete aanwijzing tot vervolgen te geven. Omdat het OM, net als de politie, het verlengstuk van de uitvoerende macht vormt, is dat in zichzelf niet in strijd met de scheiding der machten. Als Akgündüz dus op zaterdag de holocaust ontkent, dan kan het staatsrechtelijk zo worden georganiseerd dat Stef Blok op maandag het busje laat voorrijden. Volgt er dan een onafhankelijk en deskundig oordeel dat de uitlating inderdaad onrechtmatig was en neemt de instelling daarvan geen afstand, dan kan Bussemakers Onderwijsinspectie in Rotterdam de boel meteen gaan dichtspijkeren.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: