Divided We Stand, United We Fall

door JWvR op 09/05/2011

in Buitenland, Uitgelicht

In de media verschenen afgelopen week met betrekking tot de Europese Unie twee alarmerende berichten. Tenminste, als je, zoals ondergetekende, de Europese zaak bent toegedaan. In beide gevallen gingen de berichten over het buitenlandse beleid van de Unie. Of liever gezegd: over de onmacht om op dit terrein ook maar enige vooruitgang van betekenis te boeken, een centrale gedachte achter het twee jaar geleden in werking getreden Verdrag van Lissabon.

Allereerst werd melding gemaakt van een interview dat de Belgische minister van Buitenlandse Zaken, Steven Vanackere, woensdag aan de Waalse krant Le Soir gaf. In dit interview betoonde de minister zich uitermate kritisch over Catherine Ashton, de Europese Hoge Vertegenwoordiger voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid. Volgens Vanackere heeft Ashton het afgelopen jaar gefaald om de Europese Unie op het terrein van externe betrekkingen met één stem te laten spreken. Verder was hij teleurgesteld in het obligate karakter van de strategische analyses die Ashton en haar medewerkers tijdens het recente Belgische voorzitterschap afleverden.

Kritiek op het functioneren van Catherine Ashton is niet nieuw. Feitelijk is deze er al vanaf de dag van haar aantreden geweest. Wel opvallend is dat dit zo openlijk gebeurt door één van haar peers. En nog eens extra pijnlijk is dat deze kritiek afkomstig is uit België, dat om uiteenlopende redenen geldt als de warmste pleitbezorger van Europese samenwerking.

Het tweede bericht dat stof tot nadenken geeft, handelde over de Britse minister van Buitenlandse Zaken, William Hague. Deze had eveneens woensdag tijdens een diner een speech gegeven waarin hij stilstond bij de verstrekkende gebeurtenissen die zich tot dusver al in 2011 in de wereld hebben voorgedaan, in het bijzonder in de Arabische regio. In deze speech had Hague ook aandacht voor de buitenlandse rol van de EU. Kern van zijn betoog was dat Europa zich met haar beleid ten aanzien van de Arabische wereld in de toekomst vooral dient te richten op meer economische integratie. Wat de Unie volgens Hague heel nadrukkelijk niet moet doen, is als een soort natiestaat een volwaardig buitenlands beleid nastreven. Dat, verklaarde de minister, zou naar zijn stellige overtuiging namelijk gedoemd zijn te eindigen in een ‘embarrassing failure’.

En passant kondigde Hague ook nog aan dat de regering waar hij deel van uitmaakt de komende tijd zwaar zal gaan inzetten op de wereldwijde uitbreiding en aanvulling van Britse ambassades. Dit plan is een klap in het gezicht van Ashtons Europese buitenlandse dienst, die vorig jaar het levenslicht zag en nu juist het tegenovergestelde poogt te bewerkstelligen.

Hague’s aankondiging de Britse aanwezigheid op het wereldtoneel, na een aantal schrale jaren onder de vorige Labour-regering, weer te vergroten, komt voort uit een hervonden vertrouwen in het Verenigd Koninkrijk als wereldmacht. Dit ongetwijfeld mede naar aanleiding van de recente militaire acties in Libië, waarin de Engelsen samen met Frankrijk – nog zo’n voormalige grootmacht – het voortouw namen. Om dit hervonden vertrouwen te onderstrepen, haalde Hague, ongehinderd door enige bescheidenheid, aan het einde van zijn verhaal een citaat van de befaamde Britse politicus William Pitt aan. Deze hield daags na Admiraal Nelsons overwinning bij Trafalgar op Napoleon in 1805 zijn publiek voor dat Engeland ‘will (…) save Europe by her example’.

Dat de Britten, anders dan de Belgen, zich niet rouwig tonen dat het buitenlandse beleid van de Unie niet echt goed uit de verf komt, vormt op het eerste gezicht geen verrassing. Het Verenigd Koninkrijk staat traditioneel als zeer eurosceptisch te boek. Bij nader inzien zijn de woorden van Hague echter toch wel opvallend te noemen. Temidden van de vele maatregelen in de Unieverdragen waar de Engelsen niet bepaald warm voor liepen, vormde een sterker opgetuigd Europees buitenlands beleid een paar jaar geleden nu net één van de weinige doelstellingen waar zij wel redelijk enthousiast over waren. Dit, toen nog, op grond van de redenering dat Europa onontbeerlijk was om in de wereld nog een rol van enige betekenis te spelen. Weliswaar speelt hierbij mee dat over deze verdragen werd onderhandeld door een Labour-regering en nu de Conservatieven aan de macht zijn, dit kan de ommezwaai echter niet geheel verklaren.

Dat de perceptie van de Britten, en van andere lidstaten met hen, over het Europese buitenlandse beleid binnen zo’n korte periode kennelijk alweer is gekanteld, is zowel kortzichtig als zorgwekkend. Kortzichtig, omdat de Europese lidstaten zonder een meer gezamenlijk extern optreden geen vuist kunnen maken in de wereld van de 21e eeuw. Zorgwekkend, omdat blijvend onvermogen om op dit punt stappen vooruit te zetten op termijn de bodem onder het integratieproces als geheel vandaan kan slaan. Blijkbaar zijn sommige landen alweer de verwoestende kracht vergeten van de wijze waarop lidstaten voorafgaand en tijdens de Irak-oorlog tegen elkaar werden uitgespeeld. Overigens zijn ook als gevolg van de Arabische crisis weer duidelijk breuklijnen zichtbaar – denk aan Duitsland – en worden door deze crisis inmiddels zelfs fundamentele interne afspraken – het Schengenakkoord – bedreigd.

Verdedigers van het buitenlandse beleid van de EU wijzen erop dat de Arabische lente, net als eerder de Irak-oorlog, een buitengewone gebeurtenis is, ten aanzien waarvan je niet kunt verwachten dat de lidstaten als één man optreden. Een crisis, zo is de gedachte, heet niet voor niets een crisis; zij breekt in op de normaliteit. Een ander geluid dat je wel hoort, is dat het inherent is aan de dynamiek van het integratieproces dat de Unie zich van (buitenlandse of binnenlandse) crisis naar crisis voortsleept. Dezelfde dynamiek zou tegelijkertijd echter ook impliceren dat de lidstaten uiteindelijk maar één keus hebben: namelijk de vlucht naar voren.

Beide argumenten treffen geen doel. Onder normaliteit, om te beginnen, wordt in de context van de EU vaak verstaan dat Europeanen het vooral van ‘soft power’ moeten hebben in hun buitenlandse betrekkingen. Waar Amerika van Mars komt, is de Unie afkomstig van Venus. De gebeurtenissen in de Arabische wereld hebben echter aangetoond dat het vertrouwen in zachte instrumenten, dat wil zeggen economische samenwerking in ruil voor beloftes op het gebied van goed bestuur, niet zonder meer gerechtvaardigd is. De economische welvaart waar landen als Egypte en Tunesië mede dankzij associatie-akkoorden met de EU van hebben kunnen profiteren, is maar ten goede gekomen aan een kleine elite. En met mensenrechten hebben heersers in deze landen, zoals we hebben kunnen zien, het nooit zo nauw genomen.

Het meer fundamentele tweede argument dat de Europese landen à la Hegels Weltgeist zijn voorbestemd om, zij het piepend en krakend, hun samenwerking alsmaar te verdiepen, is ook axiomatisch. De EU bevindt zich, met alles wat momenteel op haar afkomt, in een kritieke fase van haar bestaan. Scepsis over haar functioneren is wijdverbreid onder Europese burgers. Een voortdurend gebrek aan harmonie op het terrein van externe betrekkingen zal deze scepsis alleen maar vergroten. Weinig zaken spreken namelijk zo tot de verbeelding als grand politique op het wereldtoneel.

Bijzonder aan de constitutionele structuur van de Unie is dat zij vanuit federaal perspectief atypisch is ingericht. In een klassieke federale staat zoals de VS genieten de delen veel vrijheid om zelf hun interne beleid te bepalen, maar beschikt de centrale overheid over de volheid van externe bevoegdheden. Bij de EU is het omgekeerde het geval. De Unie heeft juist relatief veel zeggenschap over typisch binnenlandse kwesties, maar treedt in de wereld op naast de lidstaten. Hoewel deze opzet om uiteenlopende redenen begrijpelijk is, maakt hij haar wel erg kwetsbaar. Niet voor niets was de primaire drijfveer achter de totstandkoming van de federale constitutie van de VS in 1787 de angst dat de jonge Amerikaanse natie ten prooi zou vallen aan de grillen van buitenlandse mogendheden.

Met dit alles is niet gezegd dat de lidstaten subiet hun bevoegdheden op het gebied van buitenlandse zaken dienen over te dragen aan de Unie. En ook niet dat de laatste naar het voorbeeld van de VS tot staat moet transformeren. Wel is van groot belang dat de lidstaten nu eindelijk ook ten aanzien van gevoelige politieke kwesties een serieuze poging wagen op een meer gezamenlijke manier naar buiten te treden. Op de huidige weg van verdeeldheid doorgaan, zal op den duur ook de vezels van de binnenlandse verworvenheden van de EU aantasten. En als dat gebeurt, zullen alle Europese lidstaten daar onder lijden.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: