Donner slijpt de messen

door MN op 17/10/2011

in Haagse vierkante kilometer, Uitgelicht, Varia

Post image for Donner slijpt de messen

Het SP-kamerlid Van Raak heeft geheime stukken van een man in een lange regenjas gekregen en probeerde tevergeefs premier Rutte daarom te laten bedelen. Het ging om aantekeningen die de Curaçaose Gevolmachtigde Minister Osepa had gemaakt tijdens de rijksministerraad van 4 oktober jongstleden. Tijdens die vergadering is gesproken over de ruzie tussen de president van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten Emsley Tromp en de minister-president van Curaçao Gerrit Schotte. Van Raaks opzetje ten spijt zijn de stukken niet meer geheim: RTL Nieuws beweert zowel Osepa’s aantekeningen als de concept-reactie van verantwoordelijk minister Donner te hebben bemachtigd, en heeft de stukken online gezet.

Aangenomen dat de door RTL geopenbaarde stukken authentiek zijn, geven ze een klein inkijkje in hoe een (rijks)minsterraadsvergadering verloopt. Zo zou de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Kamp zich met de discussie hebben bemoeid. Kamp trekt zich kennelijk niet zoveel aan van het in de ministerraad heersende non-interventiebeginsel, dit ongetwijfeld tot genoegen van de Rob. Kamps interesse voor de Curaçaose problemen laat zich wellicht verklaren uit zijn Caribische periode, toen hij als regeringscommissaris de transitie van de BES-eilanden voorbereidde.

Een tweede conclusie die uit de gelekte stukken kan worden getrokken, is dat de verantwoordelijk minister Donner op het punt staat zwaar geschut in te zetten teneinde het conflict te sussen. Zijn concept-reactie gebruikt eufemistische termen (als de regering of de Staten niets doen is er nog “het derde alternatief”), maar Osepa’s aantekeningen winden er geen doekjes om: mochten de Curaçaose autoriteiten niet daadkrachtig optreden, dan gaat er “een instructie naar de gouverneur”. Wie een beetje thuis is in de koninkrijksverhoudingen voelt dan wel aan welke bevoegdheid hier uit de mottenballen gehaald wordt: de rijksministerraad overweegt toepassing te geven aan art. 43 Statuut.

Dat artikel is bedoeld als de winterdijk die moet garanderen dat het openbaar bestuur van de landen in het koninkrijk okselfris blijft. Landen moeten zelf deugdelijkheid van bestuur, rechtszekerheid en mensenrechten waarmaken. Mochten ze daarin ernstig en onherstelbaar tekortschieten, dan is het koninkrijk geroepen de kwaliteit van het openbaar bestuur te waarborgen. Het laat zich raden hoe zulk ingrijpen zal worden ervaren: de verwijten van kolonialisme zullen niet van de lucht zijn. In het verleden is enige ervaring opgedaan met art. 43 Statuut. Het ging dan om het sturen van mariniers om een einde te maken aan verstoringen van de openbare orde, een vinger aan de pols bij ministersbenoemingen of de overname van bevoegdheden van lokale autoriteiten (vergelijkbaar met de curatele van gemeenteraad en college van Finsterwolde in 1951).

Het inzetten van art. 43 Statuut en de daarmee verband houdende art. 50 en 51 is, met andere woorden, een laatste redmiddel. Dat blijkt ook uit de nota over de waarborgfunctie die het kabinet zeer onlangs op verzoek van de Tweede Kamer heeft gepubliceerd. De nota heeft een veelbetekenende slotzin: de constatering dat de meest dramatische toezichtsbevoegdheden uit het Statuut (art. 50 en 51)  nooit zijn gebruikt “is de meest passende constatering om deze notitie mee te besluiten”. Met andere woorden: er moet nog heel veel water door de Sint Annabaai stromen voordat serieus overwogen wordt in te grijpen. Geheel conform deze nota gaat minister Donner in de ruzie tussen centrale bank en landsregering uiterst terughoudend te werk. Hij heeft een externe commissie onderzoek laten doen naar het hoe en wat van de ruzie tussen de Curaçaose regering en de Centrale Bank. Het rapport van deze commissie-Rosenmöller inventariseert feiten en meningen, en maakt zo de voorgeschiedenis en aard van de ruzie duidelijk. Ondertussen neemt de druk om tot een spoedige oplossing te komen, rap toe. Zo heeft het IMF laten weten bezorgd te zijn over de slagkracht van de centrale bank. Van de Curaçaose minister-president hoeft weinig inschikkelijkheid verwacht te worden: hij heeft het Rosenmöllerrapport afgedaan als roddel. Rosenmöller zou zelfs bedreigd zijn met arrestatie als hij zijn gezicht nog op het eiland zou vertonen.

Osepa’s aantekeningen laten zien dat Donners aanvankelijke terughoudendheid inmiddels is ingewisseld voor een wat directievere opstelling. Op dit moment is onduidelijk of het Curaçaose parlement de door Rosenmöller en Donner aangereikte handschoen oppakt. Mocht het dat niet doen, dan zou de gouverneur uit Den Haag opgedragen kunnen worden een “commissie van wijzen” in te stellen die onderzoek doet naar de integriteit van de betrokken ministers en de bankdirecteur. Dat is nog geen al te schokkende ingreep, al moet niet onderschat worden hoe gevoelig zulke bemoeienis ligt. De echte uitdagingen liggen echter na oplevering van het integriteitsonderzoek. Wat te doen aan een centrale bank die renteloze persoonlijke leningen verstrekt, en hoe krijg je een ministersploeg die voor een deel uit (volgens Rosenmöller) ongeschikte figuren bestaat, weer in het gareel? Donner heeft het er maar druk mee, hij komt zo nauwelijks aan het schrijven van zijn sollicitatiebrief toe.

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 WvdW 17/10/2011 om 17:13

@MN, Wat vind je zelf eigenlijk? Ik proef weinig enthousiasme.

Ten aanzien van de “ongeschikte figuren” in de regering lijkt het me ook wel erg lastig ingrijpen. Te meer omdat “geschiktheid” als zodanig geen vereiste voor de benoeming of het onstag van ministers is. Ik zie dat de Staatsregeling van Curacao het ministersambt met iets meer waarborgen omkleedt dan de Nederlandse Grondwet (met – m.i. verstandige – bepalingen over bloedverwantschap en echtgenoten), maar de basis om in te grijpen, zal niettemin waarschijnlijk eerder liggen in het waarobrgen van de ‘deugdelijkheid van het bestuur’ (art. 43 lid 2 Statuut) dan wegens ‘strijd met het Statuut’ (art. 51 Statuut).
Tenzij je zou ingrijpen op grond van art. 51 jo. 43 lid 1 Statuut en volhoudt dat de Staten niet of niet voldoende voorzien in hetgeen ingevolge art. 43 lid 1 van hen gevergd wordt, maar zelfs in dat geval is de onderliggende reden dus de deugdelijkheid van het bestuur. Ik kan me de ellende bijna niet voorstellen als met een beroep op dergelijke vage statutaire termen een besluit dat de kern van het democratische proces raakt (het ontslag van ministers) tegen de wil van de Staten wordt doorgezet.

Immers, de reden dat de meeste grondwetten (niet alleen de Staatsregeling, maar ook onze eigen Grondwet) zo weinig expliciete vereisten voor het ministerschap opnemen, is nu juist dat dit soort beslissingen tot de kern van het democratische proces behoren.

2 MN 18/10/2011 om 10:30

Eens. In de spaarzame voorbeelden van art.43-toepassingen die we tot dusver kennen, ging om incidenten op een lager bestuursniveau (curatele Sint Maarten) of om ingrijpen dat gesteund werd door de lokale regering (30 mei-opstanden). De bemoeienis met Arubaanse ministersbenoemingen vertoont enige gelijkenis met wat momenteel op Curaçao gaande is, al is de directe aanleiding niet zozeer de formatie als wel een conflict tussen de centrale bank en de regering. Met toepassing van Wiarda’s gezichtspuntenmethode zou ik concluderen dat in dit geval van het inzetten van de art. 50 en 51 geen sprake kan zijn, om zowel staatsrechtelijke als politieke redenen. Maar hoe het dan wel moet…

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: