Een historische wijziging?

door Ingezonden op 15/11/2010

in Haagse vierkante kilometer

Afgelopen donderdag presenteerde de Staatscommissie-Thomassen haar advies over versterking van de grondwet. Bij de presentatie lichtte voorzitter Thomassen toe dat die versterking vooral in de normatieve kracht van de grondwet is gezocht – dat er geen preambule of hertaalde grondwet zou komen wisten we dan ook al een tijdje. Wel op het verlanglijstje van de commissie staan onder meer een nieuwe algemene bepaling, enkele nieuwe grondrechten en de invoering van constitutionele toetsing. In praktijk betekent dat dat de Nederlandse grondwet vooral wordt versterkt ten opzichte van het buitenland. Historisch gezien een opvallende keuze.

In zijn toespraak bij de ontvangst van het commissierapport stelde minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Piet Hein Donner dat de grondwet ‘als het ware gestold verleden’ is. Ook dat belooft niet veel goeds voor de aanbevelingen van de commissie (zie voor een eerder slecht voorteken hier). Want als telg uit een waar grondwetsgeslacht – zowel zijn vader als zijn grootvader leidden ooit een staatscommissie voor grondwetsherziening – moet Donner zich ervan bewust zijn dat de aanbevelingen van de commissie-Thomassen juist met dat verleden breken.

De Nederlandse grondwet is historisch gezien relatief zwak. Binnen eigen land laat de grondwet veel ruimte aan parlement en regering om zelf de grondwet uit te leggen – de rechter mag wetten immers niet aan de grondwet toetsen. En internationaal stelt de grondwet zich wijd open voor verdragen en besluiten van internationale organisaties.

Die open houding ten opzichte van internationaal recht is in 1953 in de grondwet verankerd, in de tijd dat vol vuur werd gewerkt aan allerlei internationale samenwerkingsorganen zoals de Verenigde Naties en de Europese Unie. Maar eigenlijk legde de herziening van 1953 een al veel langer bestaande Nederlandse traditie in de grondwet vast. Dit bleek wel uit het feit dat de herziening in 1953 eigenlijk maar weinig discussie opriep.

De Commissie-Van Eysinga bijvoorbeeld, de belangrijkste adviseur voor deze grondwetsherziening, meende aanvankelijk dat zowel artikel 67 (nu 92) wel achterwege gelaten kon worden en voegde artikel 65 (nu 94) slechts toe vanwege de bescherming van de burger tegen niet-bekendgemaakte verdragen. Ten aanzien van artikel 63 (nu 91.3) merkte zij in haar eindrapport slechts op dat ‘dat ‘de Regering en de Staten-Generaal ook bij het sluiten van verdragen gebonden zijn aan de Grondwet, echter met deze beperking, dat de evolutie in de internationale sfeer er toe kan leiden, dat een vrijere opvatting van bepaalde artikelen der Grondwet aanvaard moet worden.’

De gevolgen van de herziening – en meer nog van de ontwikkelingen in het internationale recht – waren echter groot. Alleen al in de afgelopen weken konden we meerdere malen in de krant lezen hoe het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens ingrijpt in de dagelijkse Nederlandse politiek – of dat nu gaat om de uitzetting van asielzoekers of over het kraakverbod.

De staatscommissie-Thomassen lijkt met haar advies dit ‘internationale’ tij te willen keren. Als het aan de commissie ligt richten krakers en Iraakse asielzoekers zich voortaan tot de Nederlandse rechter wanneer zij zich in hun grondrechten voelen aangetast. Daarnaast moet het Nederlandse parlement weer een actievere rol gaan spelen bij de Europese besluitvorming. De traditionele openheid wordt zo deels een halt toegeroepen.

Dit lijkt mij een belangrijke wijziging van de plaats van de Nederlandse grondwet in nationale en internationale context. Een wijziging die eerder is ingegeven door recente gebeurtenissen als het ‘nee’ tegen de Europese grondwet dan door het verleden. Zo’n wijziging verdient het om serieus overwogen te worden. Het is te hopen dat ook de politiek de portee van deze aanbevelingen inziet.

Karin van Leeuwen

(De auteur is als onderzoeker verbonden aan het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis (ING) en de Radboud Universiteit Nijmegen en werkt aan een promotieonderzoek over het Nederlandse grondwetsdebat in de periode 1945-1983. Vandaag presenteert zij bij het ING bovendien de ‘Onderzoeksgids Grondwetscommissies 1883-1983’, een website met gegevens over en documenten van 17 historische staatscommissies voor grondwetsherziening.)

{ 3 reacties… read them below or add one }

1 Yoeri Roosendaal 15/11/2010 om 22:07

Een kleine nuancering: de staatscommissie stelt uitdrukkelijk dat “de traditionele openheid van de Nederlandse Grondwet jegens de internationale rechtsorde behouden moet blijven” (p. 103). Bovendien stelt zij voor om toetsing aan bepalingen van dwingend internationaal gewoonterecht mogelijk te maken. De helft van de commissie wil zelfs toetsing aan al het internationale gewoonterecht invoeren. Dat kun je moeilijk ‘het internationale tij keren’ noemen.

2 WJLH 16/11/2010 om 13:53

De Staatscommissie kiest er niet voor om bijvoorbeeld tenminste de goedkeuring van ‘EU-Verdragen’ verplicht aan het regime van 91 lid 3 Gw te onderwerpen, maar om het te laten bij de oproep dat de wetgever van deze bepaling actiever gebruik moet maken. Dat hiervan door onze parlementaire verhoudingen niets zal worden lijkt mij gezien de de povere resultaten uit het verleden duidelijk. Het is spijtig dat de Staatscommissie niet voorstelt om ons parlement te dwingen, naar Duits voorbeeld met rechten voor een minderheid in de Tweede Kamer, een eigen rol te gaan spelen in de rechtsorde die Europese Unie heet. Zo’n vernieuwing (!) zou naar mijn mening echt bijdragen aan versterking van de normativiteit van de Grondwet in de ogen van de burgers van Nederland (én daarbuiten!).

3 Karin van Leeuwen 25/11/2010 om 09:32

@WJLH: ik betwijfel of een dergelijke verplichting daadwerkelijk veel zal opleveren. Vergelijking van de huidige praktijk met die uit het verleden maakt vooral pijnlijk duidelijk hoe sterk het contrast is tussen de grote activiteit van (een deel van) het parlement rond 1953 ten aanzien van internationale samenwerking en de geringe belangstelling nu. Dezelfde regels die nu aanmoedigen tot een passieve houding van het parlement werden ooit ingevoerd om het parlement überhaupt een stem te geven in de besluitvorming over internationale verdragen. Kortom: de mogelijkheid ligt er, maar als de Kamers daar geen gebruik van maken, weet ik niet of dwang veel zal veranderen.

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: