Een post over posters

door LD op 10/03/2009

in Grondrechten, Rechtspraak

Post image for Een post over posters

“”Stop het gezwel dat Islam heet. Theo is voor ons gestorven, wie wordt nu de volgende? Kom in verzet NU. Nationale Alliantie, wij buigen niet voor Allah. Word lid!”

Een 18-jarige jongen plakte in 2004, enkele dagen na de moord op filmmaker en islamcriticus Theo van Gogh, een poster met deze tekst voor het raam van zijn woning. Toegegeven: het had fijnzinniger gekund. Maar is het strafbaar?

Het Gerechtshof Den Bosch vond van wel. Het hof besloot voorts dat een flinke sanctie gepast was en veroordeelde de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken. Dat oordeel verbaasde mij destijds nogal. Nogmaals: fijnzinnig is het niet, en kwetsend is het zeker. Maar veel erger dan de uitspraken van imam El-Moumni, die homoseksualiteit een (besmettelijke) ziekte en een gevaar voor de samenleving noemde, kan de poster toch niet genoemd worden. De imam werd in 2002 vrijgesproken. Ook een dominee die homoseksualiteit in een adem noemde met pedofilie en sprak van ‘vieze en vuile zonden’ ontkwam aan een veroordeling. Terecht lijkt me. Een uithaal in het publieke debat mag robuust zijn en zal niet snel onder de strafrechtelijke gordel zijn. Bovendien functioneert de vrijheid van meningsuiting ook als uitlaatklep: als iets je dwars zit, kun je het beter van je afbrullen dan met het object van je ergernis op de vuist gaan (of erger…).

Waarom moet kaalkopje dan hangen? Dat vroeg ook de Advocaat-Generaal Machielse zich af. Hij had te adviseren over het cassatieberoep dat de advocaat van de jongen had ingesteld. Op drie punten is de AG het duidelijk niet met het hof eens. In de eerste plaats ziet Machielse belangrijke verschillen met de Norwood-zaak. In deze Britse zaak ging het ook om een poster, maar op deze poster stond een plaatje van de brandende Twin Towers met islamitische symbolen erbij en de tekst “Islam out of Britain – Protect the British People”. De Britse rechters veroordeelden, en het Hof in Straatsburg verklaarde Norwood niet-ontvankelijk. De Britse poster riep duidelijk op tot het uitzetten van moslims, die als groep per definitie terroristisch zouden zijn. De Nederlandse poster ging minder ver: daar ging het vooral om het ‘niet buigen voor Allah’ en het lid worden van een rechts-populistische partij. Zo’n oproep mag, aldus de AG.

Verder vindt de AG dat het hof artikel 137c Sr over groepsbelediging veel te ruim heeft uitgelegd:

“In het oordeel van het hof ligt voorts besloten dat iedere kritiek op een godsdienst meteen ook kritiek op de gelovigen inhoudt. Zonder nadere redengeving lijkt mij die conclusie voorbarig.”

Verder vindt de AG dat het hof het recht op vrijheid van meningsuiting te beperkt uitlegt:

“Ook degene die alleen maar zijn mening te kennen geeft buiten het kader van een publiek debat wordt beschermd.”

Het hof had aangenomen dat het plakken van een poster achter een raam geen bijdrage aan het publieke debat is. Tijdens de terechtzitting was namelijk “niet gebleken van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat het zou gaan om een uiting dienstig aan het publieke debat”. Waarom eigenlijk niet? Posters en spandoeken met kwetsende teksten aan het adres van Rita Verdonk werden – terecht – wel als bijdrage aan het publieke debat gekwalificeerd, zowel in een civiele als in een strafzaak. Een poster is geen erg subtiel middel. Het heeft iets van een losse flodder. Maar we kunnen toch moeilijk verwachten dat mensen die deel willen nemen aan een publiek debat dat doen in de vorm van een proefschrift van 608 bladzijden met 2125 voetnoeten. Zulke bijdragen worden trouwens meestal genegeerd, en ook dat is terecht.

Genoeg munitie voor de Hoge Raad dus om wat gaten in het arrest van het hof te schieten. Het hoogste rechtscollege besluit echter de zaak op een tamelijk technische wijze af te doen, namelijk door interpretatie van artikel 137c Sr, dat strafbaar stelt het opzettelijk beledigen van een groep mensen wegens onder meer godsdienst. Wat moet, ook volgens de wetsgeschiedenis, worden verstaan onder “beledigen van een groep mensen wegens godsdienst”? De Hoge Raad is duidelijk. Het artikel vereist:

“dat de uitlating onmiskenbaar betrekking heeft op een bepaalde groep mensen die door hun godsdienst wordt gekenmerkt en zich daardoor onderscheidt van anderen. De enkele omstandigheid dat grievende uitlatingen over een godsdienst ook de aanhangers van die godsdienst krenken, is niet voldoende om die uitlatingen te kunnen gelijkstellen met uitlatingen over die aanhangers, dus over een groep mensen wegens hun godsdienst in de zin van art. 137c Sr.”

Het hof had geoordeeld dat de verdachte ook een groep mensen had beledigd “gezien de verbondenheid tussen de Islam en haar gelovigen”. Die redenering verwijst de Hoge Raad, in navolging van de AG, met een beroep op de parlemtaire stukken naar de prullenmand. De posterplakker wordt vrijgesproken.

Drie opmerkingen naar aanleiding van deze uitspraak:

1. Hoewel de Hoge Raad de kwestie zorgvuldig probeert los te koppelen van de vrijheid van meningsuiting, zijn enkele van zijn overwegingen toch van belang voor dat grondrecht. In de parlementaire stukken van eind jaren ’60, begin jaren ’70 – kennelijk een zeer verlichte en vrijheidslievende tijd – werden namelijk interessante overwegingen gegeven, zoals:

“Kritiek op opvattingen en gedragingen – in welke vorm ook – valt buiten het bereik van de ontworpen strafbepaling.”

En daarnaast:

“Alle, zelfs felle kritiek op opvattingen die in die groep leven of op het gedrag van hen, die tot de groep behoren, blijft buiten het bereik van de strafwet.”

2. Een interessante vraag is wat dit arrest voor de vervolging van Geert Wilders betekent. Nog interessanter is dat de griffier en de persrechter van de Hoge Raad daar enige uitspraken over gedaan hebben. Zij benadrukken dat het in de onderhavige zaak alleen ging om artikel 137c Sr, en niet tevens om het ‘haatzaaien’ (artikel 137d Sr), het delict dat aan Wilders verweten wordt. Verder blijkt uit het bericht van de griffier dat de Hoge Raad toch een soort instructie aan de feitenrechter in de zaak-Wilders geeft, althans voor zover die betrekking heeft op artikel 137c. Deze feitenrechter zal moeten onderzoeken, gelijk de Hoge Raad zelf heeft gedaan, of “een uitlating onmiskenbaar betrekking heeft op een bepaalde groep mensen die zich door hun godsdienst onderscheiden van anderen”. Is dat niet het geval, dan moet vrijspraak volgen.

3. Misschien nog wel interessanter is de vraag wat minister van Justitie Ernst Hirsch Ballin gaat doen naar aanleiding van deze uitspraak. De minister vindt dat ook ‘indirecte belediging‘ van gelovigen strafbaar moet zijn. De Hoge Raad heeft nu juist geoordeeld dat het bijzonder scherp oordelen over een godsdienst in beginsel geen belediging van een groep gelovigen oplevert, tenzij de uitlating onmiskenbaar betrekking heeft op deze groep. Zet Hirsch Ballin dus zijn voorstel door om indirecte belediging aan artikel 137c Sr toe te voegen (als wisselgeld voor het schrappen van de strafbaarstelling van godslastering), dan verandert er wel degelijk iets. Van deze minister hoeven we duidelijk niet dezelfde liberale gedachten te verwachten als van de wetgever van 40 jaar geleden.

Conclusie:

De uitlatingen van de verdachte zijn niet fijnzinnig en intelligent te noemen. Voor moslimgelovigen zijn zij beslist kwetsend. Maar de vrijspraak waarmee de Hoge Raad nu komt is terecht. Religie is een geheel ander fenomeen dan ras, geslacht of handicap. Mensen kunnen voor een ander geloof kiezen en ieder geloof brengt een set normen en waarden mee die (scherp) bekritiseerd kunnen en moeten worden. Een eerste reactie op zulke kritiek zal tegenkritiek moeten zijn. Dat vereist niet alleen de vrijheid van meningsuiting. Hiervoor hebben we gezien dat een imam en een dominee uitspraken deden die evenmin van goede smaak getuigden. Zij werden vrijgesproken. De lijst kan nog verder worden uitgebreid. Yvette Lont wordt niet vervolgd voor haar oproep homo’s uit bestuursfuncties binnen de ChristenUnie te weren en evenmin voor haar kwalificatie van homoseksualiteit als een door God gehate zonde die de geestelijke dood verdient, Leen van Dijke werd vrijgesproken, moslimfundamentalistische lectuur wordt (grotendeels) ongemoeid gelaten, idem voor andere omstreden imams. In een wat verder verleden werd Theodor Holman vrijgesproken nadat hij in een column “iedere christenhond een misdadiger, bidden kinderachtig en de kerk een poppenkast” had genoemd. In de zaak van onze posterplakker speelde dus op z’n minst ook het gelijkheidsbeginsel mee.

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 GB 10/03/2009 om 16:43

Uit het persbericht: De uitspraak van de Hoge Raad in de zaak van de verdachte M.B. betekent dat de rechter die eventueel over een tenlastelegging op dit punt in de zaak tegen Wilders moet gaan oordelen, zal moeten onderzoeken of – zoals de Hoge Raad hier heeft overwogen – een uitlating onmiskenbaar betrekking heeft op een bepaalde groep mensen die zich door hun godsdienst onderscheiden van anderen. Het hangt van dat onderzoek af wat de uitkomst zal zijn.

Waar zou dat ‘eventueel’ op slaan? Komt er cassatie in belang der wet aan?

2 LD 10/03/2009 om 17:02

Het is natuurlijk mogelijk dat de griffier die mogelijkheid uitdrukkelijk openlaat. Daarmee is niet gezegd dat cassatie eraan komt, maar wel dat cassatie niet uitgesloten moet worden geacht. Zonder cassatie zal de OvJ immers moeten vervolgen terzake van artikel 137c Sr, en zal de rechter dus ook moeten oordelen.

Maar misschien lezen we wel teveel in zo’n persberichtje. Voor juristen is alles toch “in beginsel”.

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: