Een pyrrhusoverwinning voor D66?

door Ingezonden op 07/03/2012

in Haagse vierkante kilometer, Uitgelicht

Post image for Een pyrrhusoverwinning voor D66?

Het lijkt er zowaar op dat de D66-Kamerleden Gerard Schouw en Boris van der Ham afstevenen op een meerderheid voor hun initiatief-voorstel ‘tot wijziging van het Reglement van Orde in verband met de aanwijzing van kabinets(in)formateur(s)’. Het belangrijkste element van hun initiatief is dat een nieuw gekozen Tweede Kamer in haar eerste vergadering, dus acht dagen na de verkiezingen, na een debat een (in)formatie-opdracht voor (een) (in)formateur(s) moet formuleren.

Schouw en Van der Ham hebben in de befaamde achterkamertjes – daar kan niemand omheen in Den Haag, zo moest zelfs PVV-woordvoerder Elissen toegeven – steun verworven voor hun voorstel. Uit de inbreng van PvdA, GroenLinks en de PVV viel af te leiden dat zij het voorstel zullen steunen. Vermoedelijk hebben de indieners ook wel even aangeklopt bij de Partij voor de Dieren, ook al nam die geen deel aan het debat: daarmee zou er een meerderheid van 76 Kamerleden voor hun voorstel zijn. CDA, VVD, ChristenUnie en SGP zullen er tegen zijn. De SP durfde hardop te twijfelen (waarvoor wat mij betreft altijd hulde).

Ineke van Gent (GroenLinks) had déja-vu-gevoelens, zei ze, omdat pas in 2010 de bepaling in het huidige Reglement van Orde is opgenomen dat de Kamer een dergelijk debat kan voeren. Zij had toen een initiatief-voorstel hierover ingediend met Van der Ham. Voor de bepaling dat zo’n debat er moet komen was toen geen meerderheid. Nu doet D66 het dus alleen en zowaar lijkt er nu wel een meerderheid voor zo’n moet-bepaling. Om precies te zijn zal in lid 1 van artikel 139a van het Reglement van Orde dan komen te staan:

In de eerste vergadering na haar verkiezing formuleert de Kamer ten behoeve van de kabinetsformatie een informatieopdracht onderscheidenlijk formatieopdracht, en wijst zij voor de uitvoering daarvan een of meer informateurs onderscheidenlijk formateurs aan.

Ronald van Raak (SP) stelde in het debat wat mij betreft de hamvraag: kan de vorming van een regering wel worden vastgelegd in het Reglement van Orde? Het klonk alsof hij zelf al het antwoord vermoedde: nee, dat kan uit de aard der zaak niet. Van Raak was wel voorstander van een Kamerdebat acht dagen na de verkiezingen: natuurlijk moest dat er komen, zei hij. Maar waarom kwam dat debat er dan niet bij de eerste en (als dit voorstel wordt aangenomen) meteen laatst mogelijke gelegenheid dat die zich daartoe voordeed, acht dagen na de verkiezingen van 2010? Omdat Kamervoorzitter Verbeet toen (in de achterkamertjes, uiteraard) de fractievoorzitters consulteerde en de meerderheid geen behoefte aan zo’n debat had. Opvallend daarbij was dat degenen die wél voor zo’n debat waren, daar toen geen moord en brand over schreeuwden, wat zij makkelijk hadden kunnen doen. Zou dat misschien komen omdat zij hoopten aan de onderhandelingstafel plaats te kunnen nemen, en zo’n openbaar debat dan alleen maar lastig is?

Bruins Slot (CDA) vroeg in het debat aan Heijnen (PvdA) waarom er, bij een dergelijke ‘moet’-bepalling, niet een herhaling zou kunnen optreden van ‘1971’. Toen was er een motie aangenomen van de KVP’er Kolfschoten. Die luidde:

de Kamer (…) ‘spreekt als wenselijk uit, dat na de verkiezingen van 28 april 1971 de nieuwgekozen Kamer op korte termijn bijeenkomt teneinde — indien deze nieuwe Kamer dit wenst — in een openbare beraadslaging te onderzoeken of een meerderheidsoordeel kan worden uitgesproken omtrent een door het staatshoofd te benoemen kabinetsformateur, die in beginsel de leiding van het door hem te formeren kabinet op zich zal nemen.’

Dat was dus ook een kan-bepaling. Het debat kwam er ook, maar er was geen meerderheid om Den Uyl tot formateur te laten benoemen, en de Kamer moest met hangende pootjes terug naar het paleis, waarna het staatshoofd de formatie met enige vertraging alsnog op gang bracht. Heijnens antwoord kwam er op neer dat de tijden veranderd zijn: in het mediatijdperk anno 2012 zouden volksvertegenwoordigers zoiets niet meer aandurven.

Wat kunnen wij verwachten als deze dwingende bepaling inderdaad in het Reglement van Orde opgenomen zal worden? De Kamer verplicht zichzelf dan tot een debat, acht dagen na de verkiezingen, én de keus voor wat meestal wel een informateur zal zijn. Het is geen toeval dat het in 1971 nog alleen over een formateur ging: de indieners zagen het risico wel van een informateur die enige tijd verplichte figuren zou schaatsen waarna de echte zaken dan alsnog in de achterkamertjes gedaan zouden worden. Dat moest voorkomen worden.

Laten wij voor het gemak eens uitgaan van een soortgelijke verkiezingsuitslag als in 2010. Dat zou betekenen dat niet meteen duidelijk is welke coalitie er moet komen: dat is in de Nederlandse politieke verhoudingen niet ongebruikelijk. Niet uit te sluiten valt bijvoorbeeld dat, net als in 2010, de VVD weer de sleutel in handen heeft en kan kiezen uit samenwerken met CDA en PVV of met PvdA, GroenLinks en D66. Geen van de genoemde partijen zal op voorhand zijn eigen kansen onnodig willen verkleinen en dus zal men zich scharen achter een aanwijzing tot een VVD-er als eerste informateur om de mogelijkheden maar eens te gaan verkennen: precies wat er in 2010 zonder debat en (toen nog) met de koningin in haar ‘ouderwetse’ rol ook gebeurde. Dat zal misschien nog wel lukken. Maar wat als het ingewikkelder wordt? Ook bij elke volgende stap in de formatie moet de Kamer er aan te pas komen om een nieuwe informateur aan te wijzen, tot er aan het eind van de formatie een formateur kan komen. Dat staat in het initiatief-voorstel en dat is ook logisch en consequent. Ik zie bij elke nieuwe stap drie mogelijkheden.

  1. De fractievoorzitters willen het er niet op aan laten komen om de uitkomst van zo’n debat af te wachten; daarvoor zijn de belangen te groot. Er zal dan in de achterkamertjes onderhandeld worden, en in het openbare debat zal er schijn-openheid zijn: de uitkomst zal van te voren vast staan. Het debat heeft geen meerwaarde.
  2. Een herhaling van 1971, waarna de koningin alsnog aan de bak mag (ongetwijfeld met frisse tegenzin). Joop den Uyl kon de beschadiging dat hij in 1971 geen formateur werd nog wel aan (overigens is hij dat niet geweest in de formatie waar hij twee jaar later als premier uit kwam rollen), maar Heijnen kan best in zoverre gelijk hebben dat partijleiders dat afbrand-risico in het media-landschap van 2012 niet meer willen lopen. Het resulaat is dan eenzelfde afgang voor de Kamer als in 1971.
  3. Hetzelfde als in 2010: een Kamermeerderheid meent dat een openbaar debat en het na afloop daarvan ‘voordragen’ van een informateur, even niet zo erg uitkomt. In artikel 154 van het Reglement van Orde staat immers dat de Kamer in meerderheid altijd mag afwijken van haar eigen Reglement. De overbodigheid van het nieuwe artikel over de informateur is dan bewezen.

Kortom, wat zich volgens mij lijkt af te tekenen is een pyrrhusoverwinning voor Schouw en Van der Ham. Maar voor de lezers van dit blog wel weer interessant om dat bij de eerstvolgende formatie allemaal op de voet te volgen natuurlijk.

Peter Bootsma

{ 3 reacties… read them below or add one }

1 Martin Holterman 07/03/2012 om 17:47

Dit is ook wel geinig ivm eerdere gesprekken op dit blog. De huidige manier van werken is gebaseerd op ongeschreven staatsrecht. Dat die regeling bij Grondwetswijziging of zelfs bij wet veranderd kan worden staat buiten kijf. Maar kan de Tweede Kamer zonder medewerking van de Senaat en de Kroon zo’n belangrijke regel van ongeschreven staatsrecht veranderen?

Misschien denk ik te Brits, maar ik zou denken dat een aantasting van H.M. prerogatieven altijd de instemming van de kroon behoeft. (Bij voorbeeld in de vorm van de handtekening van de Koningin onder een Grondwetswijziging.)

2 Super De Boer 07/03/2012 om 22:31

@ Martin Holterman

Kom op, er is toch wel vaker ongeschreven staatsrecht ehm…tot stand gekomen zonder instemming van de Kroon? (geinig overigens dat ik het woord met een hoofdletter schrijf en jij juist zonder, maar dat terzijde). Ik vermoed dat ik met het noemen van een jaartal als 1867 kan volstaan in dezen. 8) Op deze manier komen we natuurlijk nooit van achterhaalde en ondoorzichtige feodale structuren en werkwijzen af (waarbij ik er gemakshalve maar even vanuit ga dat jij dat uiteraard ook wilt). 😛

Overigens heb ik, omdat de studie alweer een tijd geleden werd afgerond en ik me professioneel niet op dagelijkse basis met staatsrechtelijke zaken inlaat, maar weer eens een studieboek opengeslagen. In “Constitutioneel recht” van Kortmann (2008), het eerste het beste geraadpleegde naslagwerk, lees ik vervolgens op p. 32 en 33 dat hoewel de huidige gang van zaken bij (in)formaties op vaste patronen berust er hierbij GEEN sprake is van ongeschreven staatsrecht. Ik weet niet in hoeverre Kortmann nog hip is in ‘het wereldje’, maar e.e.a. is voor mij toch een indicatie dat er ten minste over te twisten valt. En hoe vatbaarder een ongeschreven ‘regel’ is voor discussie, hoe minder gewicht aan die ongeschreven regel toekomt, als het dus überhaupt al een regel is.

Mijn democratische inborst heeft er iets meer moeite mee dat de Eerste Kamer voor zover ik het voorstel goed begrijp niets met de hele gang van zaken van doen krijgt, maar dat ongemakkelijke gevoel is van korte duur. Lieden die zich protestloos getrapt laten kiezen en waarvan degenen die tot regeringsfracties behoren zich dan ook nog eens niet aan het regeerakkoord gebonden voelen – jaja, ik heb Wiegel zijn nacht nog lang niet vergeven, en hetzelfde geldt voor de tekorten die hij na zijn ministerschap achterliet, maar dat wederom terzijde – kun je gewoon beter niet om raad vragen in staatsrechtelijke aangelegenheden.

Om kort te gaan: vóór.

Ik ben het helemaal met Bootsma eens dat e.e.a. in de praktijk mogelijk tot allerlei fopduiken, schijnbewegingen en complicaties zal leiden. Maar die hebben dan wel meer dan thans het geval is plaats in de openbaarheid. Dat is winst.

Voor het overige ben ik van mening dat er voorlopig genoeg bezuinigd is op de kinderopvang en dat tussenpausen en tussenformateurs daar dus niet over hoeven na te denken.

3 D.L. 11/03/2012 om 23:05

Natuurlijk kan de Kamer een dergelijke bepaling naast zich neerleggen. Desalniettemin zijn er argumenten te vinden die spreken voor het houden van een debat na Kamerverkiezingen.

Denk bijvoorbeeld aan het bieden van transparantie en structuur voor de burger. Of bijvoorbeeld het tijdsverloop van de kabinetsformatie beperken (onder het adagium “formeren is elimineren”). Ook kan de Kamer tijdens een debat de speelruimte van een informateur bepalen.

Los van het bovenstaande zou de wijze van formeren niet dichtgetimmerd moeten worden.

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: