Ernst Hirsch Ballin vs. ‘Hofbashers’

door RdG op 06/12/2010

in Grondrechten, Haagse vierkante kilometer

Tijdens omzwervingen over het internet kwam ik deze toespraak tegen van (destijds, 1 juli 2010) minister van Justitie Ernst Hirsch Ballin, ter gelegenheid van het emeritaat van prof. Anton van Kalmthout.

De toespraak is getiteld Mensbeelden, Beeldvorming en Mensenrechten. Actueler kan het bijna niet, gezien het opgelaaide debat over het Straatsburgse Hof. Een debat waar, na Egbert Myjer in Buitenhof gisteren, nu de waarschuwende blik van Ernst Hirsch Ballin aan kan worden toegevoegd:

‘In mijn beleving is de beeldvorming over mensenrechten in meerdere opzichten aan het kantelen. En ik zal u ook alvast meegeven dat mij dit zorgen baart aangezien die beeldvorming mij op bepaalde punten onjuist voorkomt.’

Hirsch Ballin merkte toen al op, mede vanuit zijn functie als Minister van Justitie, dat steeds vaker vraagtekens werden geplaatst bij ‘nut en noodzaak van mensenrechten’. Hoe kan een ‘levend instrument’ toch door zovelen worden gezien als een verouderd Verdrag?

Naleving van mensenrechten wordt volgens Hirsch Ballin meer en meer als ‘hindernis’ gezien, zelfs in Kamerdebatten. Sommigen pleiten voor het opzeggen van het EVRM, anderen voor heronderhandelen. Hirsch Ballin:

‘Zelf beschouw ik de borging van mensenrechtelijke standaarden niet als “hindernis” op weg naar de realisatie van politieke doeleinden. Die mensenrechtelijke standaarden zijn een doel op zichzelf: de kernwaarden van onze Europese samenlevingen. Mensenrechten zijn niet een product van een bepaalde politieke stroming of bepaalde naoorlogse mentaliteit. Ze zijn het product van lessen die we met veel schade en schande hebben geleerd. Ze zijn het noodzakelijke cement van een bouwwerk waarin we al meer dan 60 jaar vrede hebben.’

Niet alleen een ‘hindernis’, het ‘zou ons van buitenaf worden opgelegd’. Volgens Hirsch Ballin is dit beeld onjuist, doch ‘in elk geval ongenuanceerd’, aangezien ook op nationaal niveau mensenrechten verankerd zijn in rechtsbronnen en wetgeving, zichtbaar of verborgen. Toch is de beeldvorming ‘wellicht begrijpelijk’, gezien de systematiek van onze Grondwet (art. 93 en 120):

‘(…) zo is de focus in het mensenrechtelijk debat verschoven naar dit Europese mensenrechtenverdrag, terwijl in een land als Duitsland het debat veel meer gevoerd wordt in het kader van de eigen constitutie en de rol van het EVRM beperkter is gebleven.’

We kunnen reageren door de nationale instrumenten versterken. Hij noemt enkele voorbeelden: de oprichting van een nationaal instituut mensenrechten, een nationaal actieplan voor de mensenrechten (tegenhanger van de op het buitenland gerichte ‘Mensenrechtenstrategie’), en ‘natuurlijk de discussie inzake wijziging van artikel 120 Grondwet’. Op dit laatste punt gaat hij verder niet in.

Tenslotte juicht Hirsch Ballin internationaal toezicht ‘om meerdere redenen toe’:

‘De tijd dat we die (mensenrechtelijke vraagstukken, RdG) beschouwden als zuiver interne – en politiek te gevoelige – aangelegenheiden ligt achter ons, en dat moeten we zo houden.’

Een internationaal orgaan kan de nationale samenleving ‘een spiegel voorhouden’ en een ‘regionaal systeem is geen inmenging op het nationale rechtssysteem, maar een aanvulling’. Internationaal toezicht is bovendien ‘een logisch gevolg van de toenemende internationalisering van een groot aantal maatschappelijke problemen’, waarbij te denken valt aan mensenhandel en problemen die zich voordoen op het internet (kinderporno, haatzaaierij).

Ook de manier waarop bij de verwezenlijking van mensenrechten actie wordt verwacht van de overheid kan op zijn goedkeuring rekenen: ‘Mijns inziens wordt de mensenrechtelijke bescherming aanzienlijk versterkt door acceptatie van deze positieve verplichtingen.’

Mensenrechten laten genoeg ruimte voor interpretatie en creativiteit, dwingen de overheid wisselend tot actie of terughoudendheid, tot een afweging tussen bescherming van daders en slachtoffers. Als succesvol voorbeeld noemt Hirsch Ballin ‘de maatregelen van de afgelopen jaren in het kader van de bestrijding van terrorisme’.

Het is goed om te weten dat één van de langstzittende ministers van Justitie geen problemen heeft (ervaren) met het internationale toezicht op de naleving van mensenrechten (steek die maar in jullie zak, Ivo & Gerd). Wat een tijden waren dat onder Hirsch Ballin: toen je je nog het beste tot de regering kon wenden voor bescherming tegenover de Staat!

Overigens, we gaan nog wat van hem horen:

‘Het is onze taak als gemeenschap, en daarmee ook voor mij als politicus en bewindspersoon, om pal achter die mensenrechten te staan. Ik ben ervan overtuigd dat we de maatschappelijke problemen – waarvoor we onze ogen niet moeten sluiten – wel degelijk effectief kunnen aanpakken zónder daarbij kernwaarden opzij te zetten.’

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: