Europese verordeningen en het Burgerlijk Wetboek

door RdG op 06/12/2017

in Europa

Post image for Europese verordeningen en het Burgerlijk Wetboek

Afgelopen november kwamen wetenschappers, wetgevingsjuristen en praktijkjuristen bijeen om de 25e verjaardag van het Burgerlijk Wetboek te vieren. Tijdens het congres 25 jaar Nieuw Burgerlijk Wetboek, met het oog op de toekomst discussieerden zij over thema’s als schadebegroting in massazaken, digitalisering en het nog altijd niet ingevoerde Boek 9 over intellectuele eigendom. Aan deze lijst kan wat ons betreft een thema worden toegevoegd: de harmonisering van vermogensrecht door Europese verordeningen.

Het is natuurlijk bekend dat het Unierecht invloed uitoefent op het Nederlandse vermogensrecht. De Europese wetgever houdt zich al sinds de jaren tachtig steeds intensiever met het vermogensrecht bezig. Hij introduceerde verschillende richtlijnen om de werking van de interne markt te verbeteren. Deze richtlijnen zien bijvoorbeeld op misleidende reclame, oneerlijke handelspraktijken, aansprakelijkheid wegens inbreuken op het mededingingsrecht en teruggave van cultuurgoederen. De Nederlandse wetgever heeft deze regels steeds zo goed mogelijk in het Burgerlijk Wetboek ingepast.

De afgelopen jaren lijkt de Europese wetgever vaker de voorkeur te geven aan het gebruik van een verordening in plaats van een richtlijn. De wetgever heeft bovendien meer oog gekregen voor de privaatrechtelijke handhaving van het Unierecht. Als gevolg van deze ontwikkelingen bevatten steeds meer verordeningen vermogensrechtelijke regels. Te denken valt in de eerste plaats aan de rechten en verplichtingen van passagiers en vervoersondernemingen. Maar ook verordeningen op andere terreinen – zoals het financieel recht, de digitale interne markt en justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – bevatten vermogensrechtelijke regels. Het gaat dan bijvoorbeeld om de aansprakelijkheid van ratingbureaus, de contractuele regels uit de verordening over grensoverschrijdende ‘portabiliteit’ van online-inhoudsdiensten en de aansprakelijkheid van de curator bij grensoverschrijdende insolventieprocedures.

Anders dan een richtlijn is een verordening ‘verbindend in al haar onderdelen’ en ‘rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat’ (art. 288 VWEU). Een verordening treedt dus in werking zonder dat implementatie is vereist. Implementatie is in veel gevallen zelfs ongeoorloofd, aangezien dit zou kunnen leiden tot misverstanden over de rechtstreekse werking en uniforme toepassing van verordeningen. Dit betekent dat implementatieperikelen en discussies over conforme interpretatie grotendeels worden vermeden. Een belangrijke consequentie is wel dat de regels niet meer in het Burgerlijk Wetboek terechtkomen. Er verrijzen dus Europeesrechtelijke eilandjes van vermogensrecht buiten het Burgerlijk Wetboek.

Deze ontwikkeling roept belangrijke vragen op. Wat betekent de opkomst van verordeningen voor de toekomst van het zilveren Burgerlijk Wetboek? Welke consequenties heeft deze ontwikkeling voor de inzichtelijkheid, kenbaarheid en coherentie van het vermogensrecht? Hoe kunnen wetgevingsjuristen en rechters met deze ontwikkeling omgaan? Op welke wijze kunnen wetenschappers de verordeningen een plaats geven in hun onderwijs en onderzoek? Wat ons betreft is het tijd om hierover van gedachten te wisselen.

Ruben de Graaff & Dorine Verheij

Verder lezen? In ons artikel ‘Europese verordeningen en Nederlands vermogensrecht’ (gepubliceerd in Ars Aequi) brengen we deze ontwikkeling in kaart en geven we een eerste antwoord op bovenstaande vragen.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post: