Federalist Papers no. 24: The Powers Necessary to the Common Defense Further Considered.

door GB op 29/03/2010

in Varia

In deze paper probeert Publius de bezwaren tegen staande legers in vredestijd te ontzenuwen. Die bezwaren bevonden zich in het hart van de weerstand en campagne tegen de nieuwe constitutie. Onder het pseudoniem Brutus betoogden anti-federalisten dat Ceasar juist als hoofd van een leger in vredestijd de Romeinse Republikiek om zeep hielp.

De kracht van dit argument en de relevantie van de bezwaren zullen in de Nederlandse context misschien niet onmiddelijk duidelijk zijn. Maar de Romeinse Republiek was een belangrijk ijkpunt in het toenmalige constitutionele denken, en het voorkomen van een vergelijkbare ondergang een grote uitdaging. George Washington uitbeelden als een Cincinnatus die het zwaard teruggeeeft aan het volk was een eer. Presidenten die zich tot equivalenten van Romeinse keizers zouden ontwikkelen vormden een nachtmerrie. En die nachtmerrie heeft inderdaad te maken met de positie van militairen in het Romeinse staatsbestel, zoals LD al eens eerder uitwerkte.

Hier en nu is echter, naar mijn door Asterix en Obelix gevormde idee, Ceasar sympathiek en Brutus de verrader die door Dante terecht samen met Judas en Cassius op het dieptste punt van de hel werd opgeborgen. En de meest recente discussie in ons staatsrecht ging over de vraag of de Staten-Generaal de regering niet te veel voor de voeten loopt bij het inzetten van de krijgsmacht. Maar die discussie liep niet echt hoog op. Dat gaat misschien wel gebeuren met het nieuws dat generaals geld kosten.

Publius gaat de bezwaren op een aantal manieren te lijf. Allereerst wijst hij op het gebrek aan feitelijke grondslag. In de voorgestelde Grondwet is het de democratisch gecontroleerde wetgever die over oorlog en vrede en over staande legers besluit. Bovendien is voorzien in een belangrijke waarborg: ‘no appropriation of money to that use [to raise and support armies, GB] shall be for a lonter term than two years.’ (art. 1 lid 8) Vervolgens verwijt hij zijn tegenstanders op een subtiele wijze hysterie, door te betogen dat de constituties van de staten zelf praktisch geen waarborgen bieden tegen staande legers in vredestijd en dat ook de bestaande confederatie niet bekend staat om zijn enorme voorzieningen tegen dit verschijnsel.

Daarna schakelt Publius over op de vaste toonsoort van de federalist-papers: iedereen die er een beetje over nadenkt, ziet in dat een staand leger van een zekere omvang nodig is. Zo lang de marine nog niet sterk genoeg is om de havens te beschermen, zal dat vanaf land moeten gebeuren. En zo lang de Britten noordelijk en de Spanjaarden zuidelijk zitten zullen de Amerikanen daar toch ook een beetje militair aanwezig moeten zijn. En niet te vergeten: ‘the savage tribes on our Western frontier ought to be regarded as our natural enemies.’ Een vast garnizoen dat zich met hen bezighoudt is dus ook niet verkeerd. Om tenslotte volledig op het enlightened self-interest uit te komen: als militair lachertje van het continent valt er weinig te handelen.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: