Federalist Papers no. 29: Concerning the Militia

door JAdB op 14/03/2011

in Varia

Post image for Federalist Papers no. 29: Concerning the Militia

Amerikanen zijn eigenlijk bang voor militaire macht. Met staande legers moet je daarom oppassen. Gelukkig hebben we het budget-recht van de volksvertegenwoordiging, zo betoogde Publius in paper 26. Op die manier wordt de militaire macht in balans gehouden met de macht van het volk c.q. de volksvertegenwoordiging. Publius gaat in paper 29 in op een andere manier om balans te houden, namelijk door middel van een militia. Dat wil zeggen: gewone burgers die getraind worden om als dat nodig is in actie te komen om opstanden neer te slaan of invasies tegen te gaan.  Het gaat dus om doodgewone posses, dus gewoon dezelfde burgers en boeren die volgens FTG in het staande leger zaten.

Wat is daar nu weer mis mee? Welnu, de voorgestelde constitutie bepaalde dat deze militia onder het gezag van de federale overheid vallen. Anti-federalisten vonden dat veel te veel macht. Het primaat zou bij de staten moeten liggen.

Publius legt, een beetje bezijden het punt, uit dat een militia niet al te groot moet zijn. Anders verlies je te veel arbeidskrachten en dus te veel kapitaal. Bovendien heb je aan zo’n grote militia niet veel. Er is eenvoudigweg niet genoeg tijd om al die mensen goed te trainen.

Na dit te hebben uitgelegd, gaat Publius in op het werkelijke punt van de anti-federalisten. En zoals te doen gebruikelijk in de Federalist Papers, worden de anti-federalisten beschouwd alsof zij volslagen krankzinnig zijn:

There is something so far-fetched and so extravagant in the idea of danger to liberty from the militia, that one is at a loss whether to treat it with gravity or with raillery; whether to consider it as a mere trial of skill, like the paradoxes of rhetoricians; as a disingenuous artifice to instill prejudices at any price; or as the serious offspring of political fanaticism.

Je ziet: eind 18e hadden de Amerikanen het mud-slinging al goed in de vingers.

Inhoudelijk gezien heeft Publius echter ook wat te melden.

De macht van de federale overheid over de militia moet niet worden overschat. Het zijn namelijk de staten die de officieren van de militia aanwijzen. Dat is ook bepaald in de constitutie. Aldus kunnen zij wel degelijk voldoende invloed uitoefenen.

Daarnaast is de militia volstrekt ongeschikt om het volk te onderwerpen. Het is onwaarschijnlijk dat doodgewone burgers zich daartoe zouden laten overhalen. Uit de kritiek van de anti-federalisten spreekt dan ook een veel te groot wantrouwen jegens “our sons, our brothers, our neighbors, our fellow-citizens”. Bovendien: als je het volk van zijn vrijheid wilt beroven, dan kun je dat beter met het leger doen! Gewone burgers hebben er namelijk helemaal geen zin in om hun medeburgers aan slavernij te onderwerpen; die zitten veel liever bij huis en haard in plaats van eindeloos te moeten marcheren.

Ten slotte draagt Publius nog aan dat het volstrekt logisch is om de macht over de militia in beginsel bij de federale overheid onder te brengen. Als er problemen in de ene staat zijn, is het niet vanzelfsprekend dat een andere staat daar – belangeloos – iets aan gaat doen. De federale overheid, als belangenbehartiger van de hele federatie, zal daartoe eerder overgaan. Zodoende “there will be no danger of a supine and listless inattention to the dangers of a neighbor, till its near approach had superadded the incitements of selfpreservation to the too feeble impulses of duty and sympathy”.

Mooi gezegd, maar legt Publius daar niet de vinger op de zere plek? Hoe sterk is het gevoel van “duty and sympathy” van de leden van de militia eigenlijk?

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: