Feit en norm in discussies over de rechtspraak

door IvorenToga op 18/12/2012

in Rechtspraak

Post image for Feit en norm in discussies over de rechtspraak

Veel beleid en initiatieven binnen de rechtspraak vinden hun oorsprong in bepaalde stellingnames die de ene keer wel en de andere keer niet gebaseerd zijn op wetenschappelijk onderzoek. Het gaat om diverse en zeer uiteenlopende onderwerpen. Van camera’s in de rechtszaal tot de normering van de werklast. Van het benadrukken van het belang van meervoudige rechtspraak tot de weerstand tegen de invoering van minimumstraffen. Kenmerkend is de stelligheid waarmee oorzaak en gevolg door de rechterlijke beleidsmakers verbonden worden. Camera’s in de rechtszaal zou de samenleving meer begrip doen opbrengen voor de strafrechtspraak. De werklast is billijk want die is gebaseerd op gecertificeerde werklastmetingen. Rechtspraak door de meervoudige kamer leidt tot meer kwaliteit. En invoering van minimumstraffen is niet nodig want de Nederlandse strafrechter is al hoger gaan straffen en behoort zelfs tot een van de strengste van Europa. Op deze conclusies valt het nodige aan te merken.

Over het strafklimaat schreef Steenhuis onlangs nog een kritische column op dit weblog met de conclusie dat er niet op alle fronten een gefundeerd antwoord kan worden gegeven op de vraag of de Nederlandse strafrechter strenger straft. Bovendien: wanneer dat laatste al zo zou zijn, is daarmee nog niet gezegd dat deze streng genoeg straft.
Of camera’s in de rechtszaak het gewenste effect hebben is bij mijn weten nooit aangetoond. Het zou de beeldvorming kunnen beïnvloeden, maar omdat de beeldvorming zulk een moeilijk grijpbaar begrip is, zelfs voor sociaal wetenschappers, is het enigszins pretentieus wanneer juristen dat als de oplossing presenteren voor de slechte beeldvorming. Nog daargelaten dat ook dat laatste – dat de beeldvorming slecht is – op zichzelf nog steeds maar een een aanname is.
Dat de werklastnormering billijk is vastgesteld, verhoudt zich slecht met de vele opinies van rechters over de almaar stijgende werkdruk. Daarmee wil niet gezegd zijn dat die werklastnormering niet klopt. Intrigerend is namelijk het verschil in arbeidsproductiviteit zoals daarvan tussen de verschillende gerechten sprake is. Het zou aardig zijn om die verschillen eens naast de klachten over de werkdruk te plaatsen en te bezien of een en ander interfereert en hoe de verschillen verklaard kunnen worden.
Dat meervoudige rechtspraak leidt tot betere rechtspraak, hangt ten slotte sterk af van wat gezien wordt als goede rechtspraak. Enkelvoudige rechtspraak heeft zo zijn voordelen en bovendien heb ik nog nooit aangetoond gezien dat meervoudige rechtspraak leidt tot minder juridische missers.

Wat deze onderwerpen gemeenschappelijk hebben is dat feit en norm veelal sterk door elkaar lopen. Of straffen te hoog zijn of niet, is niet beantwoord met het gegeven dat de Nederlandse strafrechter strenger straft dan vroeger en dan zijn huidige Europese collega’s. Het is een normatieve opvatting. Of camera’s wel of niet goed zijn voor de beeldvorming is nauwelijks te beantwoorden en daarom is elke opvatting daarover a priori niet meer dan een mening. Werklastnormering en mogelijk ook het verschil in arbeidsproductiviteit hangen samen met wat gezien wordt als voldoende kwalitatieve rechtspraak. Ook dat is een normatief antwoord. Voor de voorkeur voor meervoudige rechtspraak (of niet) geldt hetzelfde.

Misschien is het wel een understatement om te zeggen dat feit en norm door elkaar lopen en moet geconcludeerd worden dat we weinig over die feiten weten. Daar is op zich niets mis mee. Het juridisch discours is bij uitstek normatief. Het is wel mis om die normen als feiten te presenteren. Een voor de hand liggende oplossing is om meer onderzoek te doen naar de feiten, maar de vraag is in hoeverre dat mogelijk is. Dat komt onder meer door de sterke normatieve lading die bovenstaande (en andere) onderwerpen hebben. We zouden misschien al geholpen zijn wanneer rechters hun ervaringen en opvattingen in alle eerlijkheid zouden delen. Op die manier komen we meer over de rechterlijke werkelijkheid te weten en in ieder geval over de opvattingen die er bij rechters leven. Een wezenlijke vraag daarbij is wel of de (meerderheid van) opvattingen van rechters leidend zouden moeten zijn bij het bepalen van de koers ten aanzien van onderwerpen zoals ik die hierboven heb aangesneden. Criticasters van bestuurlijke bemoeienis stellen dit zich dikwijls als vanzelfsprekend voor. Ook dat is echter geen feitelijk gegeven: bemoeienis van de bestuurder met de kwaliteit van de rechtspraak is zelfs een wettelijke taak van die bestuurder, zolang hij binnen de wettelijke taakstelling blijft. Ook valt niet in te zien waarom de wetgever met zijn wetgevende bevoegdheden de rechtspraak niet in de door hem gewenste richting zou kunnen sturen, mits hij blijft binnen de grondrechtelijke, nationale en Europese kaders. Het primaat van de rechter is dus geen vanzelfsprekendheid. Daar kunnen weliswaar goede, en zelfs hele goede, redenen voor zijn, maar niet vergeten moet worden dat het primaat van de rechter een norm is en geen vaststaand gegeven.

Rick Robroek
Stafjurist Gerechtshof Arnhem, wetenschappelijk medewerker vakgroep Strafrecht RUG en rechter-plaatsvervanger rechtbank Maastricht

Deze post is de onderdeel van een reeks bijdragen over de rechtspraak en de organisatie daarvan die tegelijk hier en op de blog IvorenToga.nl verschijnen. Reacties worden gesynchroniseerd.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 a.zecha 30/12/2012 om 15:04

Een getuigenverklaring neemt bij vele rechtszaken een prominente plaats in. evenals “een zich zelf schuldig verklaring” (bekentenis). Bij de laatst genoemde verklaring is het opmerkelijk dat een “zich onschuldig” verklaring vaak merkbaar weerstanden oproept en een uitspraak over de verdachte negatief beinvloedt (in het US-rechtssysteem heel duidelijk).
.
Een getuigenverklaring bevat m.i. dezelfde elementen en opbouw als bij beeldvorming sprake is. Deswege is het zeer opmerkelijk dat de “juridische” status van een getuigenverklaring in de rechtspraktijk veel hoger wordt gewaardeerd dan de feitelijkheid – dat het om een persoonlijke beeldvorming gaat – rechtvaardigt.
a.zecha

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: