Gastpost: Constitutionele smet op BES-wetgeving

door Ingezonden op 02/02/2011

in Decentralisatie, Grondrechten, Rechtspraak, Uitgelicht

Bastian Michel bespreekt elders op dit blog de deelname van de bewoners van de BES-eilanden (Bonaire, St. Eustatius en Saba) aan de Eerste Kamerverkiezingen. Zijn analyse en overzicht zijn op hoofdlijnen juist en evenwichtig. Hij bekritiseert echter de stelling dat de regering roekeloos zou zijn omgegaan met dit indirecte kiesrecht voor de Eerste kamer. Dat woord roekeloos heb ik in de NRC-publicatie niet gebruikt. Ik noemde de huidige positie onrechtmatig, want in strijd met de Grondwet en het internationale gelijkheidsbeginsel. Daarbij kan ook nog worden gewezen op art. 3 van het eerste protocol van het EVRM. De conclusie van Michel dat het mogelijk allemaal niet zo erg is, moet worden bestreden. Angel in het geheel is de vraag waarom de regering niet in een vroegtijdig stadium een grondwetsherziening heeft aangereikt om dit en andere problemen op te lossen. Al in een zeer vroeg stadium hebben we daar vanuit Groningen op gewezen en aangegeven dat zonder grondwetsherziening de BES-wetgeving kwetsbaar zou worden. Die suggestie werd in Den Haag niet met veel dank en instemming ontvangen. Minister Hirsch Ballin noemde deze inbreng vanuit het ultraperifere gebied Groningen weliswaar interessant, maar niet dwingend. Vanuit de UPG-Groningen zijn we echter aanhoudend geweest en het uiteindelijke resultaat heeft ons inzicht bevestigd. De regering wilde per se een grondwetsherziening vermijden omdat dit tot uitstel en mogelijk afstel van de ontvlechting van de Antillen zou kunnen leiden. Ook de Raad van State werkte hier aan mee. Men verzon in gezamenlijkheid de constructie om dan maar de eilandsraden te beschouwen als provinciale staten. Dat de regering hier de constitutionele fantasie de vrije loop liet, kan nog wel worden begrepen. Dat echter ook de Raad van State – als hoeder van de Grondwet – een dergelijke figuur billijkte, moet als uiterst pijnlijk worden beschouwd. De voorgestelde figuur vloog eruit, met name vanwege kritiek uit de Tweede Kamer. Daarbij speelde met name de vraag naar de positie van niet-Nederlanders bij de eilandsraadsverkiezingen (zie ook de bijdrage van Michel). Uiteindelijk werd het indirecte kiesrecht voor de Eerste Kamer helemaal niet toegekend. De ene ongrondwettigheid werd daarbij ingeruild voor een andere ongrondwettigheid. Vanaf het begin heeft de wetgever dit punt gezien, maar daarbij de kop in het zand gestoken omdat een grondwetsherziening dreigde.

In de discussie over de onrechtmatigheid is ook verwezen naar Flevoland. Michiel van Hulten – de oud-staatssecretaris en oud-senator – schreef in de NRC dat in 1971 de inwoners van het latere Flevoland ook niet mee mochten doen voor de Eerste Kamer. Hier zou een precedent liggen, waarmee de BES-kwestie is te billijken. De vergelijking die Van Hulten maakt, gaat echter geheel mank. Destijds speelde de kwestie van grondwetsherziening niet. Maar vooral van belang is dat Flevoland destijds in opbouw was en ook nog geen gemeenten kende. Er was derhalve nog geen enkele infrastructuur om ordentelijke verkiezingen te kunnen houden en in een dergelijke situatie kan een positie van overgang worden gebillijkt. Op de BES-eilanden is die infrastructuur er wel. Als men eerder in benen was gekomen had de thans voorliggende grondwetsherziening op dit moment in tweede lezing kunnen worden afgedaan, maar dan had men de ontvlechting van de Antillen een tijdje moeten uitstellen en dat heeft men uitdrukkelijk niet gewild. De prijs daarvan is een evidente onrechtmatigheid.

Interessant is tenslotte nog dat de toekenning van het kiesrecht voor de eilandsraden aan niet-Nederlanders door het Gemeenschappelijk Hof van Jusititie van de Nederlandse Antillen weer een nieuw probleem schept. Indien de BES-eilanden een volgende keer na grondwetsherziening wel mee mogen doen voor de EK-verkiezingen, dan moet dat kiesrecht de niet-Nederlanders weer worden afgepakt. Er is dan een gerede kans dat dit opnieuw zal worden betwist. Past de Antilliaanse rechter dan opnieuw het internationale gelijkheidsbeginsel toe, dan zullen niet-Nederlanders in ons land kunnen procederen om ook  dat recht op te eisen voor de statenverkiezingen, en wel opnieuw aan de hand van het gelijkheidsbeginsel. Met andere woorden: de opzichtige ongrondwettigheid van de huidige positie zal nog lang door blijven zeuren en heeft het constitutionele blazoen van regering en Raad van State besmet.

Douwe Jan Elzinga
Hoogleraar staatsrecht aan de Universiteiten van Groningen en Aruba

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 Remco van Diepen 04/02/2011 om 21:56

Wat betreft de opmerking over Van Hulten: hij woonde in 1971 in Lelystad, onderdeel van het openbaar lichaam Zuidelijke IJsselmeerpolders. De gemeente Dronten, die in 1972 werd ingesteld en zich losmaakte uit het OL ZIJP, koos er echter zelf voor niet provinciaal te worden ingedeeld. Minister Beernink wilde de gemeente tijdelijk indelen bij Gelderland, in afwachting van het definitieve besluit over de provinciale indeling van de polders. De Adviesraad in Dronten (voorloper van de gemeenteraad) zag echter vrijwillig van provinciale indeling, en dus indirect stemrecht voor de 1e Kamer, af. De gemeente Dronten bleef onder toezicht van BiZa totdat in 1986 de provincie Flevoland werd ingesteld. In die periode was er wel degelijk sprake van een infrastructuur die ordentelijke verkiezingen mogelijk maakte (er waren immers ook gemeenteraadsverkiezingen). Hierbij dient uiteraard wel te worden aangetekend dat deze situatie nadrukkelijk als tijdelijk was bedoeld, en bovendien stoelde op de Grondwet (Additioneel Artikel VII).

Voor de gemeente Lelystad duurde de periode van niet-provinciaal ingedeeld zijn 6 jaar, voor Almere en Zeewolde 2 jaar.

Reactie achterlaten

{ 3 trackbacks }

Vorige post:

Volgende post: