Gastpost: Crisis en Herstelwet III

door GB op 10/10/2009

in Haagse vierkante kilometer

In de Crisis- en herstelwet wordt de verplichte herstelmogelijkheid van artikel 6:6 Awb buiten spel gezet voor beroepen tegen besluiten die vallen onder de reikwijdte van de CH-wet. Dat betekent dat pro forma beroepschriften tegen dergelijke besluiten niet langer worden toegestaan. De beroepsgronden moeten binnen de beroepstermijn van zes weken worden ingediend. Gebeurt dat na ommekomst van die termijn dan volgt niet-ontvankelijkverklaring van het beroep zonder dat een herstelmogelijkheid wordt geboden.

Artikel 1.6, tweede lid, van de Crisis- en herstelwet luidt als volgt:

In afwijking van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is het beroep niet-ontvankelijk indien niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van die wet.

Dit artikel roept een aantal vragen op. Aangenomen mag worden dat de bepaling geldt zowel voor beroep, als voor hoger beroep. Mogelijk dat ook het administratief beroep er onder valt. Dat ligt echter niet voor de hand, omdat de wetgever de grens gelegd lijkt te hebben bij de toegang tot de rechter. Zie ik het juist, dan geldt de aanscherping dus niet voor bezwaar, administratief beroep en voor zienswijzen en bedenkingen. Maar ook in de fase van de bestuurlijke besluitvorming kunnen pro forma schrifturen in combinatie met een herstelverplichting tot vertraging leiden. En juist de wens vertragingen tegen te gaan, is voor de wetgever de drijfveer geweest om artikel 6:6 Awb buiten haken te plaatsen.

Het niet langer toestaan van pro forma beroepschriften roept tevens de vraag op of de Afdeling bestuursrechtspraak voor besluiten die vallen onder de CH-wet niet terug moet keren naar de oude lijn in de rechtspraak, waarin een pro forma zienswijze niet als zienswijze werd aangemerkt. Waarom immers zou de indiener van een pro forma zienswijze op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel wel de gelegenheid moeten krijgen zijn argumenten alsnog aan te voeren, terwijl de indiener van een (hoger) beroepschrift die gelegenheid niet krijgt?

In de situatie dat het tijdig ingediende (voorlopig) beroepschrift wel enige beroepsgrond bevat, is er geen reden het beroep niet-ontvankelijk te verklaren en evenmin om de herstelmogelijkheid van artikel 6:6 Awb te bieden. In beginsel kunnen na ommekomst van de beroepstermijn nog beroepsgronden worden aangevuld, mits de goede procesorde zich daartegen niet verzet. Deze situatie valt niet onder het bereik van de in de CH-wet neergelegde aanscherping. Het in een laat stadium van de procedure aandragen van nieuwe argumenten of beroepsgronden kan echter wel degelijk bijdragen aan vertraging in de procedure. Het roept bij mij de vraag op waarom de wetgever de regeling in de CH-wet niet zo heeft vormgegeven, dat (nieuwe) beroepsgronden die na de zes wekentermijn worden ingediend buiten bespreking kunnen (of: moeten) worden gelaten.

In zijn reactie op het advies van de Raad van State geeft het kabinet aan dat het vereiste om reeds in het beroepschrift beroepsgronden op te nemen in ieder geval het voordeel heeft dat de bestuursrechter in staat wordt gesteld direct na binnenkomst van het beroepschrift met de behandeling van de zaak te beginnen. Dat later nog extra beroepsgronden worden aangevoerd is weliswaar niet uitgesloten, maar naarmate de duur van de procedure als geheel wordt bekort (tot in beginsel zes maanden na afloop van de beroepstermijn), zal ook de termijn gedurende welke dit nog binnen de grenzen van de goede procesorde blijft, korter worden. Het kabinet heeft overwogen tevens te bepalen dat na de beroepstermijn geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd, maar vreest dat dit leidt tot tijdrovende discussies over waar precies de grens ligt tussen het nader onderbouwen van een bestaande beroepsgrond en het aanvoeren van een nieuwe beroepsgrond.

Dit is de derde en laatste aflevering van een serie gastposts van Bart-Jan van Ettekoven over de Crisis- en Herstelwet.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: