Gastpost: Dwangarbeid wel heel voorzichtig aangekaart

door Ingezonden op 03/02/2011

in Bestuursrecht, Grondrechten, Rechtspraak

Post image for Gastpost: Dwangarbeid wel heel voorzichtig aangekaart

In mijn artikel Een onzichtbare hand heb ik er enkele jaren geleden in het Katholiek Nieuwsblad op proberen te wijzen hoe een groot aantal zaken op sociaal economisch vlak, die als overeenkomst hadden dat zwakke groepen in de samenleving er de dupe van werden, geen enkele belangstelling kregen van politiek, pers, media, vakbonden en juristen, en men zich niet aan de indruk kon onttrekken dat ze systematisch en doelbewust uit het nieuws werden gehouden.

Een van de misstanden die ik destijds noemde, was het feit dat er in Nederland sinds 2004, het jaar waarin de nieuwe, door onze huidige premier voorbereide bijstandswet (WWB, Wet Werk en Bijstand) werd ingevoerd, op grote schaal met mensenrechten strijdige gedwongen tewerkstelling wordt opgelegd aan bijstandsgerechtigden. Iedereen die onder de nieuwe wet een uitkering aanvraagt, wordt namelijk onmiddellijk aan het werk gezet en is verplicht deel te nemen aan door de uitkerende gemeente – veelal onder de naam ‘Work First’ – aangeboden werkverschaffingsprojecten, waarbij men in ruil voor zijn uitkering laagwaardige of zelfs volstrekt zinloze arbeid dient te verrichten (kleerhangers sorteren, tubes lijm inpakken, gordijnhaakjes aanzetten, schoffelen in het park). Het begrip ‘passende arbeid’ is dan ook afgeschaft in de WWB. Hierdoor wordt nu vrijwel elke vorm van arbeid als passend voor iedereen beschouwd. Dit alles in combinatie met een aangescherpt sanctiebeleid, waardoor bij onvoldoende medewerking de uitkering eerst wordt verlaagd en vervolgens soms zelfs volledig stopgezet.

Gedwongen tewerkstelling echter staat niet alleen op gespannen voet met het in de grondwet verankerde recht op een vrije arbeidskeuze, ook is daarbij sprake van frictie met verschillende internationale mensenrechtenverdragen, waaronder artikel 4, tweede lid, van het Europees Verdrag tot de bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en artikel 8 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR), die ‘dwangarbeid of verplichte arbeid’ (forced or compulsory labour) verbieden.

Door vertegenwoordigers van overheid en rechterlijke macht wordt deze frictie evenwel weggeredeneerd: er zou hier geen sprake zijn van ‘verplichte arbeid’ in de zin van de mensenrechtenverdragen in kwestie. Een van de weinige plaatsen waar men deze ontkenning zwart op wit kan vinden, is een advies van de Raad van State van 17 oktober 2006: ‘Overigens is vaste uitleg dat arbeidsverplichtingen in het kader van bijstand of sociale verzekeringen niet gelden als verplichte arbeid. Bij de uitleg van deze bepaling speelt de definitie van verplichte arbeid in ILO-Conventie 29 een belangrijke rol.’

Wat met de vage omschrijving ‘vaste uitleg’ wordt bedoeld, wordt door geraadpleegde deskundigen verschillend geïnterpreteerd. Waarschijnlijk moet hieronder worden verstaan: jurisprudentie van het Europese Hof. Deze is echter erg schaars waar het art. 4 EVRM betreft.

Bovendien hebben deze weinige zaken (met name Van der Mussele versus België, Siliadin versus Frankrijk, waarin de definities van de International Labour Organisation inderdaad een grote rol spelen) geen betrekking op arbeidsverplichtingen in het kader van bijstand – daarover is nog nooit geprocedeerd. De Raad van State lijkt dus te verwijzen naar ‘vaste uitleg’ die helemaal niet bestaat.

Om te kunnen spreken van gedwongen arbeid moet naar het oordeel van de Europese Commissie aan een tweetal voorwaarden zijn voldaan: ‘First, that the work or service is performed by the worker against his will and, secondly, that the requirement that the work or service be performed is unjust or oppressive or the work or service itself involves avoidable hardship’ (Van Dijk/Van Hoof, Theory and Practice of the European Convention of Human Rights, 1998, p. 336). Welnu, met het opleggen van een verplichting tot een vorm van arbeid waarmee een uitkeringsgerechtigde niet instemt en die een soort laagwaardig gevangeniswerk behelst, waarvan de uitvoering een psychische vernedering inhoudt, die des te dieper is naarmate het opleidingsniveau van de betrokkene hoger is, wordt aan beide voorwaarden voldaan. Het moeten ondergaan van een dergelijke psychische vernedering staat bovendien in schril contrast met de oorspronkelijke intentie van de bijstandswet, waarvan de toenmalige KVP-minister Klompé bij de introductie verklaarde dat het juist de bedoeling was dat men hierop zonodig ‘met opgeheven hoofd’ een beroep kon doen.

Ook de stelling die door sommigen wordt betrokken dat de uitkeringsgerechtigde niet verplicht is het aangeboden werk te aanvaarden, is onhoudbaar. Weigering leidt immers tot verlaging of stopzetting van de uitkering waardoor de bijstandsgerechtigde, die per definitie niet over eigen financiële middelen beschikt – juist om die reden doet hij een beroep op ondersteuning door de overheid – zonder of met zeer ontoereikende middelen van bestaan komt te zitten met als gevolg armoede, huisuitzetting, afhankelijkheid van particuliere liefdadigheid en dus aantasting van het grondrecht van de menselijke waardigheid, dat immers met name omvat ‘het fundamentele recht van eenieder op bestaansmiddelen en voorzieningen die voor hemzelf en zijn gezin toereikend zijn’ (Europese Grondwet, II,61 Herman-ontwerp). Opschorting van de uitkering is ook in strijd met art. 13 van het Europees Sociaal Handvest (ESH). Het Europese Comité inzake Sociale Rechten waarschuwde de Nederlandse regering in verband met de WWB in 2006 dan ook in de conclusies van zijn jaarlijkse rapport, dat ‘reducing or suspending social assistance benefits is only compatible with the Charter if this does not deprive the individual concerned of means of subsistence’.

Sinds de invoering van de WWB in 2004 is de omvang van de misstand van gedwongen tewerkstelling in Nederland onder neoliberale en populistische invloed alleen maar groter geworden. Dwangarbeid in ruil voor een bijstandsuitkering is maatschappelijk breed geaccepteerd geraakt, minachting voor internationale verdragen en daarmee grondrechten in het huidige politieke klimaat bon ton.

Verheugend is dan ook te constateren dat ook in juridische kringen eindelijk het besef begint door te dringen dat door massale dwangarbeid onder uitkeringsgerechtigden in Nederland de positie van een grondrecht serieus in het geding komt, al blijven de uitingen van dat besef vooralsnog wel heel voorzichtig. Zo werd op dit juridische groepsblog door de Groningse jurist Albertjan Tollenaar onlangs de stelling geponeerd dat de verplichte tewerkstelling die het kabinet Rutte na doorvoering van een wetsaanpassing bijstandsgerechtigden wil opleggen ‘gevaarlijk dicht (komt) bij wat in artikel 4 van het EVRM onder dwangarbeid wordt verstaan’.

Het nieuwe kabinet is immers van plan bijstandsgerechtigden te dwingen in ruil voor hun uitkering allerlei klussen op te knappen die als reguliere arbeidsplaatsen zijn wegbezuinigd (schoffelen, papier prikken, sneeuwruimen, koffie rondbrengen in bejaardenhuizen, etc.), maar feitelijk vindt een vergelijkbare vorm van gedwongen tewerkstelling, zoals gezegd, al sinds de invoering van de WWB in 2004 plaats. Het enige verschil met de nieuwe kabinetsplannen is dat er in de WWB bij deze tewerkstelling – althans in theorie – nog sprake moet zijn van verbetering van het arbeidsmarktperspectief van de betrokkene en er bij het opleggen daarvan – ook weer op papier – op het individu toegesneden maatwerk moet worden geleverd, terwijl het nieuwe kabinet zelfs dat ‘arbeidsperspectief’ en ‘maatwerk’ per 1 januari 2012 als voorwaarden wil schrappen en vervangen door het principe van wederkerigheid of reciprociteit (‘iets terugdoen voor je uitkering’). In één moeite door wil de huidige staatssecretaris van Sociale Zaken, De Krom, – op wiens plannen door tal van gemeenten in strijd met de wet eind 2010 al een voorschot is genomen toen ze bijstandsontvangers verplichtten sneeuw te ruimen – de bijstandswet overigens helemaal afschaffen door haar op te laten gaan in één totaalregeling voor ‘de onderkant van de arbeidsmarkt’.

Tollenaars collega Gijsbert Vonk, die in zijn oratie nog meende dat ‘de Nederlandse rechtsstaat voldoende corrigerend vermogen’ bezat om structurele misstanden in de sociale zekerheid te voorkomen, uitte zich in een recenter artikel scherper, al publiceerde hij het dan wel weer in het gebruikelijke Engels in een academische bundel van de universiteit van Wageningen, zodat waarschijnlijk geen burger of politicus het heeft gelezen: Hunger as a policy instrument? Some reflections on workfare and forced labour. In dit stuk noemt hij het niet langer acceptabel dat rechters ‘reject outright the relevance of the prohibition of forced labour in social security cases’. Een beroep op dit verbod door klagers wordt door de rechtbanken immers bijna standaard ongegrond verklaard, hoewel daarvoor noch in de verdragstekst zelf, noch in het commentaar daarop aanleiding bestaat. De jurisprudentie van het Europese Hof kan evenmin de oorzaak zijn: deze is immers, zoals gezegd, nauwelijks voorhanden waar het art. 4 EVRM betreft en heeft geen betrekking op arbeidsverplichtingen in het kader van bijstand. Men kan voor deze handelwijze dus geen andere verklaring verzinnen dan dat de Nederlandse bestuursrechter – evenals eerder de Raad van State, zoals de Amsterdamse hoogleraar migratierecht Spijkerboer naar aanleiding van de handelwijze van dit (inderdaad ook door het Europese Hof gevoelig op de vingers getikte) rechtscollege met betrekking tot het asielrecht concludeerde – een ‘gouvernementele agenda’ hanteert en feitelijk de scheiding der machten op dit punt in dit land niet wordt gerespecteerd. Een grote doorbraak ziet Vonk dan ook in de uitspraak van de Rechtbank Arnhem in de zaak van de bekende ‘schoffelweigeraar’ Bennie Beck van 8 oktober 2008 (LJN: BF7284), waarin de rechtzoekende weliswaar niet volledig in het gelijk wordt gesteld – betrokkene had de opgelegde arbeid slechts kort verricht en de daarbij uitgeoefende mate van dwang was niet zo groot geweest, aldus de rechter -, maar in ieder geval wel wordt erkend dat in vergelijkbare gevallen ‘wel degelijk sprake kan zijn van verplichte arbeid in de zin van de hierboven vermelde verdragsbepalingen’.

Mij lijkt het hier beter te spreken van een klein lichtpuntje. Het vonnis van de Rechtbank Arnhem vormt weliswaar in zekere zin een breuk met het verleden, maar is geen principiële uitspraak in de kwestie van gedwongen tewerkstelling in het kader van sociale zekerheid. De rechtszoekende slaagde er ook niet in die in tweede aanleg alsnog af te dwingen, omdat na hervatting door de betreffende gemeente van zijn aanvankelijk gekorte uitkering volgens de hoger beroepsrechter geen ‘procesbelang’ meer zou bestaan. Bovendien introduceert de Arnhemse rechtbank twee additionele, in het EVRM ontbrekende, criteria waaraan voldaan zou moeten worden voor er sprake is van gedwongen of verplichte arbeid, namelijk tijdsduur en mate van dwang. Het is met deze uitspraak dus een beetje zoals met de uitlatingen van de bovengenoemde juristen: too little, too late. En bovendien komt de rechtzoekende, lichtpuntje of niet, er ook nog enigszins door van de drup in de regen.

Louis van Overbeek

Dit artikel vormt een bewerking van een gelijknamig stuk dat op 21-1-11 is verschenen in het Katholiek Nieuwsblad. Louis van Overbeek is freelance publicist.

{ 6 reacties… read them below or add one }

1 ROVE 04/02/2011 om 12:24

Ik word al jaren gedwongen om te werken. Zonder werk nl. geen (goed) eten of (leuk) wonen. Gelukkig krijg ik in ruil voor werk wat geld. Maar zou ik morgen de hoofdprijs in de staatsloterij winnen, dan had ik het wel geweten. Is dit niet toevallig (ook) in strijd met een of andere verdragsbepaling? En zo nee, waarom niet?

2 Gary Avercamp 04/02/2011 om 12:32

ROVE, nee. De situatie die jij beschrijft is zelfs verplicht op grond van een direct werkende hogere regeling (Genesis 3:19).

Alle gekheid op een stokje: de nuance die ROVE op enigszins humoristische wijze aanbrengt werpt wel een ander licht op de zaak. Om te leven, zul je nu eenmaal moeten werken. Dat is – in ieder geval sinds de WWB – voor een bijstandsgerechtigde niet anders dan voor iemand met een reguliere baan.

3 Henk 04/02/2011 om 12:51

@ ROVE hoeveel keuze ten aanzien van de soort arbeid moet een bijstandsgerechtigde hebben om zijn uitkering te verdienen?

En: moet een werkende bijstandgerechtigde dan niet het minimumloon verdienen bij de overheid die tegelijk aan zijn pensioen helpt meebouwen?

Als in plaats van de bijstand een serie overheidsbanen met minimumloon zou worden aangeboden, dan gaat de vergelijking met de jouw plicht om het zweet uws aanschijns aan (goed) eten te vermorsen eerder op dan in de huidige praktijk van de sociale zekerheid.

4 sander_1583 08/02/2011 om 14:07

Wat een grote blob onzin.

Je bent niets verplicht in NL vandaar de gemiddelde mentaliteit

Een bijstand kun je helemaal niet afnemen. EN dat gebeurt ook NOOIT.

Het werk wat ze doen is niet zinloos, het moet óok gebeuren. Dat dat in de ogen van de auteur zinloos is zegt genoeg over zijn verheven moraal

Dwangarbeid associeer ik eerder met sweatshops in Bangladesh of poolse turfstekers in Haaren die tegen hun wil 18 uur moeten werken en zoveel voor verblijf en eten moeten betalen dat ze niets overhouden.

5 bona fides 12/02/2011 om 23:43

Het (bestaande) verbod op dwangarbeid moet inderdaad niet worden verward met het (niet-bestaande) mensenrecht op inkomen zonder te werken.

De WWB geeft je de keuze: of je zoekt zelf naar middelen om in je bestaan te voorzien, of je accepteert algemeen aanvaard werk dat je door de gemeente wordt aangeboden.

6 van riel 27/03/2013 om 10:34

Mijn ervaringen als ex-werkloze zijn met participatiearbeid erg slecht. Opeen plaats waar ik toen graag wilde werken kon ik niet betaald aan de slag, wel iets “terug doen voor de uitkering”. Ik werd er vernederd, gepest en door hoger personeel opzettelijk genegeerd. Zo enthousiast als ik begon, zo teneergeslagen droop ik af. Er was geen praten aan: een werkloze deugt niet. Ik verdiende deze aanpak. Gelukkig heb ik nu een andere positie in de maatschappij. Ik hoop nooit meer zo vies bekeken te worden.

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: