Geen democratie zonder rechtsstaat? Het Ermächtigungsgesetz van 1933

door LD op 08/03/2009

in Varia

Post image for Geen democratie zonder rechtsstaat? Het Ermächtigungsgesetz van 1933

Rechtenstudenten aan de Universiteit van Amsterdam krijgen tijdens een van hun eerste colleges Constitutioneel Recht een fundamentele vraag voorgelegd: is het voor een min of meer rechtvaardige staat voldoende dat die staat een democratie is, of is daarvoor méér nodig? Meestal blijft het dan in de zaal wat stil – het is tenslotte pas de eerste of de tweede week – en kijken de studenten wat verweesd om zich heen (“dit is toch een hoorcollege?”), waarop de docent betoogt dat het antwoord ontkennend moet luiden. In een democratie kan immers op democratische wijze besloten worden de democratie af te schaffen en deze te vervangen door een dictatuur. Als voorbeeld wordt de machtovername door de Nazi’s genoemd. Deze lieten de Duitse Rijksdag een wet aannemen, het zogenaamde Ermächtigungsgesetz, op basis waarvan aan de Rijksregering wetgevende bevoegdheid werd gedelegerd. Door de Rijksregering vastgestelde wetten konden bovendien – binnen bepaalde grenzen, die hier verder niet terzake doen – van de Weimarer Verfassung (de toenmalige Duitse Grondwet) afwijken. De Nazi’s hebben dus op democratische wijze de democratie afgeschaft. Wat ze daarna hebben gedaan, behoeft hier niet uiteengezet te worden.

Dit verhaal wordt al zeker sinds 2003 verteld, het jaar waarin het vak Constitutioneel Recht werd ingevoerd. In latere jaren is het wel enigszins geamendeerd: nu heet het dat de Nazi’s op min of meer democratische wijze de democratie hebben afgeschaft. Deze amendering is terecht, maar gaat mijns inziens nog niet ver genoeg. Bij nadere beschouwing blijkt namelijk dat zelfs volgens de meest formele opvatting van het begrip democratie de handelwijze van de Nazi’s gewoon als ondemocratisch te beschouwen is.

Wat was er precies gebeurd? Op 30 januari 1933 was Adolf Hitler tot Rijkskanselier benoemd. Deze functie was niet onbelangrijk, maar de werkelijke macht lag bij de rechtstreeks gekozen Rijkspresident. Op dat moment was dat de hoogbejaarde Paul von Hindenburg. Deze populaire generaal uit de Eerste Wereldoorlog was niet alleen erg oud (bouwjaar 1847) en niet bijster intelligent, maar ook seniel. Een dag voor zijn overlijden in 1934 sprak hij Hitler aan als “Uwe Majesteit” omdat hij meende Kaiser Wilhelm voor zich te hebben. Hindenburg was het vorige jaar na twee ronden tot president gekozen en had daarbij Hitler verslagen. Persoonlijk haatte Hitler de oud-generaal dan ook.

1932 was op electoraal vlak voor de Nazi’s geen bijzonder goed jaar geweest. De verkiezingsnederlaag van Hitler in de race om het presidentschap is reeds genoemd. En hoewel de Nazi’s bij de Rijksdagverkiezingen van juli 1932 nog bijna 38% van de stemmen hadden behaald, was dat percentage bij de verkiezingen van november van datzelfde jaar alweer teruggelopen tot net boven de 33%. De NSDAP had een eclatante verkiezingszege nodig, en Hitler wist Hindenburg te overtuigen dat nieuwe verkiezingen noodzakelijk waren. De President ontbond de Rijksdag en op 5 maart 1933 zou het Duitse electoraat zich mogen uitspreken.

Op 27 februari 1933 vindt vervolgens een schokkende gebeurtenis plaats: de Rijksdag brandt af. De Nederlander Marinus van der Lubbe wordt in de rokende puinhopen aangetroffen en gearresteerd. De vraag of hij de enige dader van de brandstichting is of dat de Nazi’s medeplichtig zijn aan de vuurzee, heeft tot veel discussie geleid. De vele standpunten die hieromtrent zijn ingenomen hoeven hier niet vermeld te worden, al zal onmiddellijk duidelijk zijn dat een betrokkenheid van de NSDAP bij de brandstichting toch onmogelijk ‘democratisch’ kan worden genoemd. Interessant is wel dat de Berlijnse brandweercommandant Gempp later zal verklaren dat Rijksdagpresident Hermann Göring heeft bevolen juist deze nacht geen bewaking bij het gebouw te plaatsen, en bovendien alle ambtenaren vroegtijdig naar huis heeft gestuurd. Hoe dit ook zij, de Nazi’s maken van de Rijksdagbrand veel meer dan er redelijkerwijs van te maken is: zij schreeuwen van de daken dat de communistische machtsovername nu echt aanstaande is en tegen elke prijs voorkomen moet worden. Göring, tevens minister van Binnenlandse Zaken van Pruisen, besluit dezelfde nacht nog alle communistische propaganda voor vier, en alle socialistische voor twee weken te verbieden. Dat gebeurt dus enkele dagen voor de verkiezingen. Min of meer democratisch?

Maar het verhaal gaat verder. De volgende dag weten de Nazi’s de stokoude Rijkspresident Hindenburg gemakkelijk te overtuigen van de naderende communistische revolutie. De President vaardigt daarop een noodverordening uit die onder meer een aantal belangrijke democratische vrijheden de nek omdraait. De grondrechten van vrijheid van meningsuiting, drukpersvrijheid, vrijheid van vergadering en betoging, het briefgeheim en het recht van habeas corpus worden buiten werking gesteld. In verkiezingstijd! Nu kan men volgens een strikt legistische opvatting nog wel volhouden dat de President volgens de geldende constitutie simpelweg bevoegd was dergelijke maatregelen te nemen, maar dan zal toch in elk geval aan één basisvoorwaarde voldaan moeten zijn: de President had zich redelijkerwijs op had standpunt kunnen stellen dat daadwerkelijk van een noodsituatie sprake was. Dat lijkt toch zeer twijfelachtig. Voor de dreiging van een communistische opstand ontbreekt ieder bewijs. Tijdens de Neurenbergprocessen verklaart Göring bovendien dat de lijsten met te arresteren mensen al ruim vóór de Rijksdagbrand klaarlagen. Met de noodverordening op zak gaan de Nazi’s vervolgens voortvarend te werk. De gevangenissen stromen vol en de eerste concentratiekampen worden gesticht. Ook parlementsleden van communistische signatuur, waaronder fractievoorzitter Ernst Thälmann, verdwijnen achter de tralies. Min of meer democratisch?

Op 5 maart vinden vervolgens verkiezingen plaats. De NSDAP wordt met gemak de grootste partij, maar is uiteindelijk toch de verliezer. De partij behaalt namelijk ‘slechts’ 43,9% van de stemmen en heeft dus andere partijen nodig om te regeren. De verkiezingen vinden plaats in een klimaat van intimidatie. Nog afgezien van de uitschakeling van elementaire en voor verkiezingen onontbeerlijke democratische rechten, kan vermeld worden dat zo’n 50.000 leden van SS, SA en Stahlhelm zichzelf opdringen als ‘verkiezingswaarnemers’. Paramilitairen die zichzelf zonder enige wettelijke machtiging opwerpen als onafhankelijke waarnemers? Dat kan niet in een democratie.

Om gemakkelijker te kunnen regeren besluit Hitlers partij een ontwerp voor een Ermächtigungsgesetz bij de Rijksdag in te dienen. Zoals gezegd machtigt deze wet de regering wetgeving vast te stellen, zo nodig in afwijking van de constitutie. Omdat de wet de regering toe staat af te wijken van de constitutie, is voor aanname ervan een meerderheid van twee derden van het aantal zitting hebbende leden nodig. Op 23 maart 1933, de dag van de behandeling, zijn aanvankelijk 535 van de 647 leden lijfelijk aanwezig (volgens een andere bron 538). De afwezigheid van 81 communistische afgevaardigden van de KPD kan verklaard worden door het feit dat zij ofwel in een gevangenis of concentratiekamp zitten, ofwel zijn gevlucht. In een democratie zou dit onmogelijk zijn. Tevens zijn 26 SPD’s afwezig. Voor hen geldt hetzelfde: gevangen of gevlucht.

Om zeker te stellen dat het quorum aanwezig is en de stemming niet wordt gefrustreerd door het weglopen van de 94 overgebleven SPD’ers en sympathisanten van andere partijen, worden tijdens het spel nog even de procedureregels veranderd. Op voorstel van Rijksdagpresident Göring wordt besloten dat wie ‘zonder goede reden’ afwezig is, als aanwezig geldt. Ook een gearresteerde geldt volgens het nieuwe reglement als ‘zonder goede reden afwezig’. Hierbij kan worden aangetekend dat KPD en SPD samen minder dan een derde van de Rijksdagzetels bezetten en op eigen kracht dus geen stemming konden voorkomen door weg te lopen, dus klaarblijkelijk waren de Nazi’s allerminst overtuigd van de loyaliteit van de overige partijen en hun vertegenwoordigers. Vandaar de wijziging van de procedureregels. Nu is dit volgens een strikt formeel-democratische redenering nog wel als ‘democratisch besluit’ te bestempelen, maar dat geldt toch zeker niet voor het gedrag van de SA tijdens de zitting. SA’s lopen de vergaderzaal in en uit en intimideren de aanwezigen. Uiteindelijk wordt de vereiste tweederde meerderheid comfortabel behaald. 441 (of volgens een andere bron 444) leden stemmen vóór. Hoewel voorzien van een sunset clause blijft de wet tot het einde van het Nazi-regime van kracht.

Sommige van hiervoor genoemde acties en maatregelen zijn, wanneer men van een strikt formeel democratiebegrip uitgaat nog wel te verdedigen. Dat geldt echter zeker niet voor de terreurcampagne tijdens de verkiezingen en de acties gericht op intimidatie van de volksvertegenwoordigers van de linkerzijde (en trouwens ook van de twijfelaars van centrum en rechts). In iedere democratie moeten volksvertegenwoordigers in elk geval aan de stemming kunnen deelnemen. Dat was hier niet mogelijk, nu velen op dubieuze gronden gearresteerd waren of noodgedwongen ondergedoken zaten. Hoe dubieus de beschuldigingen waren, blijkt wel uit het feit dat tegen mensen als Thälmann nooit enig proces gevoerd is, laat staan een aanklacht geformuleerd.

En hoe formeel men het begrip democratie ook opvat, in geen enkele democratie is het acceptabel als de zittingen van het parlement geterroriseerd worden door door de vergaderzaal marcherende bruinhemden. Dat parlementariërs gedwongen worden bij belangrijke onderwerpen volgens de fractielijn te stemmen is al erg genoeg, maar dat hun stem mogelijk wordt bepaald door angst en intimidatie kan in geen enkel scenario in overeenstemming met democratische beginselen worden genoemd. Misschien kan een democratie inderdaad niet zonder rechtsstaat, maar de stelling dat de Nazi’s op min of meer democratische wijze de democratie hebben afgeschaft kan wat mij betreft echt niet verdedigd worden. In wezen ging het om een ordinaire staatsgreep en de bij onze oosterburen gebruikelijke term Machtergreifung lijkt mij dan ook bijzonder passend.

Vorige post:

Volgende post: