Geen kiesrecht voor Arubanen II

door MN op 16/11/2009

in Grondrechten, Haagse vierkante kilometer

Enkele jaren geleden antwoordde het Hof van Justitie van de EG in antwoord op prejudiciële vragen van de Afdeling Bestuursrechtspraak dat Nederlanders die op Aruba of de Antillen wonen gediscrimineerd worden aangezien zij, in tegenstelling tot Nederlanders die elders in de wereld verblijven, niet mogen meedoen met verkiezingen voor het Europees parlement. Naar aanleiding hiervan is de Kieswet gewijzigd zodat de op Aruba en de Antillen woonachtige Nederlanders hun stem kunnen uitbrengen bij verkiezingen voor het Europees Parlement. Een poging van twee Arubaanse politici om een soortgelijk resultaat te bewerkstelligen voor de Tweede Kamer strandde in 2007 bij het EHRM.

De twee Arubanen (de één is tegenwoordig minister-president en de ander is inmiddels minister voor Integratie, Infrastructuur en Milieu) voerden in Straatsburg het democratisch deficit op als argument voor hun strijd om kiesrecht voor de Tweede Kamer. Een democratisch deficit is een manco in de gewenste democratische legitimatie van publiek gezag. Zo’n gebrek is het gevolg van onvoldoende betrokkenheid van volksvertegenwoordigingen van verschillende openbare lichamen in besluitvorming door een overkoepelend verband. Als opkomstcijfers bij verkiezingen voor een volksvertegenwoordiging belabberd zijn, wordt ook wel eens gesproken van een democratisch deficit.

Een democratisch deficit komt op allerlei niveaus voor. Denk aan openbare lichamen die zijn ingesteld bij een gemeenschappelijke regeling. Het algemeen bestuur van zo’n openbaar lichaam oefent soms vérgaande (verordenende) bevoegdheden uit zonder dat het beschikt over een rechtstreekse (eigen) democratische legitimatie. Ook op het niveau van de EU pleegt men te spreken van een democratisch deficit. De Raad is het primaire orgaan bij de vaststelling van verordeningen, en het Europees electoraat laat zich maar moeilijk verleiden om naar de stembus te gaan bij verkiezingen voor het Europees (medezeggenschaps)Parlement. Het Verdrag van Lissabon en de bijbehorende protocollen compenseren dit enigszins door de nationale parlementen invloed te gunnen.

Terug naar het democratisch deficit in het koninkrijk der Nederlanden. Deskundigen ontwaren twee varianten van dit manco in de staatsinrichting van het koninkrijk. Beide zijn rechtstreeks herleidbaar tot het Statuut voor het Koninkrijk. Dat Statuut geeft (volgens de gangbare uitleg) de koninkrijksregering de bevoegdheid om op eigen houtje algemeen verbindende voorschriften vast te stellen. Dat is 130 jaar na Meerenberg voor velen onverteerbaar. PvdA-kamerlid Van Oven zag in dit anachronistische staatsrecht zelfs aanleiding voor een primeurtje: hij kwam in 2000 met het allereerste initiatiefvoorstel tot Statuutsherziening in de geschiedenis van het koninkrijk. Sinds zijn vertrek uit de Tweede Kamer in 2003 ligt het ontwerp van rijkswet stof te verzamelen op de to-do-list van de Kamer.

Iets meer parlementaire aandacht is er voor de als gebrekkig ervaren representativiteit van de Staten-Generaal bij wetgeving voor het gehele koninkrijk. Anders dan in de meeste (con)federale constructies wordt de wetgeving voor het grotere geheel vastgesteld door het parlement van één van de samenstellende delen. De parlementen van de overige landen mogen slechts een briefje en wat insprekers sturen. Het Hof in Straatsburg kon dit billijken, maar binnen het koninkrijk wordt de constructie doorgaans als onbevredigend ervaren. Volksvertegenwoordigers van de drie landen spraken tijdens één van hun periodieke samenkomsten af dat een externe commissie moest gaan inventariseren hoe dit deficit kon worden gedolven.

Op woensdag 11 november jl. presenteerde de commissie haar bevindingen. Het rapport is nog niet digitaal beschikbaar, maar de samenvatting staat wel online. De commissie stelt onder meer voor wat Straatsburg niet wilde geven, namelijk stemrecht voor de Antillen en Aruba bij Tweede Kamerverkiezingen.

Het voorstel lijkt kansloos: parlementariërs aan weerszijden van de Atlantische Oceaan menen met Straatsburg dat kiesrecht voor een parlement dat een fractie van z’n tijd besteedt aan koninkrijkszaken, overtrokken is. Al was het maar vanwege de te verwachten wederkerigheid in toekenning van het stemrecht: want waarom zouden inwoners van het Arubaanse Oranjestad mogen stemmen voor de Staten-Generaal in Den Haag, maar inwoners van Venlo niet voor de Staten in het Curaçaosche Willemstad?

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 GB 16/11/2009 om 14:35

Antwoord: omdat de Staten-Generaal een beslissende stem hebben in de Rijkswetprocedure, en de Antilliaanse Staten niet.

Of anders: vanwaar de wederkerigheid? Nederlanders in Amerika die tegelijk stemrecht hebben voor het Amerikaanse Congress wordt het stemrecht toch ook niet afgenomen op de grond dat de inwoners van Venlo niet stemmen voor het Huis van Afgevaardigden?

2 MN 16/11/2009 om 18:15

Het argument dat parlementariërs aan weerszijden aanvoeren, snijdt wel enig hout. Het aantal rijkswetten waarover de Staten-Generaal op jaarbasis beslist, is heel gering (zeker als je de uitsluitend voor Nederland geldende goedkeuringsrijkswetten van verdragen niet meerekent). In dat licht is het wel verdedigbaar te stellen dat het onevenredig is om Arubanen en Antillianen omwille van een handjevol voor hen relevante beslissingen stemrecht te verlenen.
Op de eis van wederkerigheid is natuurlijk wel wat af te dingen, maar ik denk dat de reactie vooral laat zien wat de verhoudingen binnen het koninkrijk momenteel zijn.
De commissie heeft veel meer aanbevelingen gedaan dan alleen het toekennen van stemrecht. Het is veelzeggend dat de aanbeveling over het kiesrecht hekkensluiter is. De suggesties die daaraan voorafgaan (beter gebruik maken van mogelijkheden die ICT biedt, een jaarlijks uit te spreken rede over Staat van het Koninkrijk gevolgd door een koninkrijksbreed debat daarover) zijn over het algemeen heel bruikbaar. De naar mijn smaak belangrijkste aanbeveling van de commissie is: benut de opties die het Statuut biedt. Zo kan een overzeese regering in beginsel voorkomen dat een regeling waartegen ze bezwaren heeft, voor haar land verbindend wordt. We hebben ons steeds blind gestaard op de mitsen en maren van art. 12, zodat de kern van dit veto-recht wat uit het zicht is verdwenen. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheid om schriftelijk verslag uit te brengen: voor zover de Staten dat al doen, komen ze over het algemeen met een blanco verslag op de proppen. Het inzetten van tot op heden onbenutte mogelijkheden kan per direct bijdragen aan het terugdringen van het democratisch deficit.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: