Geen last meer van God

door CM op 06/12/2013

in Grondrechten, Haagse vierkante kilometer, strafrecht, Uitgelicht

Post image for Geen last meer van God

De kogel is door de kerk. Nu ook de Eerste Kamer heeft ingestemd met het schrappen van de strafrechtelijke bepaling over smalende godslastering, is het einde van een van de meest curieuze artikelen uit het Wetboek van Strafrecht nabij. In de jaren dertig van de vorige eeuw kon iemand nog veroordeeld worden voor de uitlating dat een God die de TBC-bacil heeft geschapen, geen God is, maar een misdadiger. Tegenwoordig achten we zulke beweringen terecht beschermd door de vrijheid van meningsuiting en lossen we eventuele gekrenkte gevoelens op via het publieke debat, waarin ook de aanhangers van de Godsgedachte stevige taal mogen uiten. De bepaling over smalende godslastering is niet alleen wezensvreemd in een land dat hecht aan uitingsvrijheid en gelijke behandeling ongeacht iemands overtuigingen. Zij was ook al bijna vijftig jaar materieel uitgewerkt. Het ezelsproces tegen de schrijver Gerard Reve, die literair seks had bedreven met een als ezel teruggekeerde God, eindigde in een door de Hoge Raad gezegende vrijspraak. De onhandige poging van de toenmalige minister Donner om het artikel te revitaliseren, heeft vermoedelijk alleen maar averechts gewerkt. Voor de partijen achter het initiatiefwetsvoorstel om smalende godslastering uit het Wetboek van Strafrecht te schrappen – D66 en SP (en aanvankelijk ook VVD) – was het alleen nog maar meer reden om hun voornemen door te zetten.

Het is interessant om te bezien wat er nu eigenlijk precies wordt geschrapt. De artikelen 147, 147a en 429bis van het Wetboek van Strafrecht komen te vervallen. Deze artikelen stellen niet alleen straf op smalende godslasteringen en aanverwante handelingen (zoals het verspreiden van godslasterlijke geschriften), maar hebben een breder bereik. Artikel 147 sub 2 en sub 3 bestraffen het bespotten van een bedienaar van de godsdienst in de geoorloofde waarneming van zijn bediening en het beschimpen van voorwerpen aan een eredienst gewijd, waar en wanneer de uitoefening van die dienst geoorloofd is. Met het schrappen van deze bepalingen zijn de kazuifel en hostie dus niet meer strafrechtelijk beschermd. De eigenlijke smalende godslastering – artikel 147 sub 1 – heeft in zichzelf al een vrij beperkt toepassingsbereik. Het gaat echt om het lasteren van God. Omdat trinitarische christenen menen dat God bestaat uit de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, mag ook Jezus niet belasterd worden. De Mohammed van de unitarisch ingestelde moslims valt dan weer buiten de strafbepaling. Ayhan Tonca was dat kennelijk even vergeten toen hij met betrekking tot de Deense Mohammed-cartoons sprak van godslastering. Eigenlijk maakte hij zich daarmee zelf schuldig aan godslastering. Geen rechtgeaarde moslim zal het immers in zijn hoofd halen God en Mohammed op één lijn te stellen.

Voor het recht van een democratische rechtsstaat als Nederland behoort de idee dat er een God bestaat die ons allen heeft geschapen niet meer te zijn dan dat: een idee. De ideeën en overtuigingen van de één behoren juridisch bezien niet meer waard te zijn dan die van de ander, laat staan dat sommige ideeën strafrechtelijke bescherming genieten en andere niet. Bij de invoering van de strafbepaling over smalende godslastering in de jaren dertig van de vorige eeuw was een van de leidende gedachten dat grote groepen gelovige mensen beschermd dienden te worden in hun gevoelens tegen krenking door – in dit geval – goddeloze communisten. Nu wordt door de tegenstanders van schrapping van de bepaling juist betoogd dat een kleine en kwetsbare minderheid extra bescherming verdient. Ik geloof niet dat dit argument veel hout snijdt. De groep christenen mag dan kleiner worden, er is geen reden aan te nemen dat zij kwetsbaar is, noch dat zij juist door schrapping van een symbolische bepaling als artikel 147 ernstig geraakt wordt. Bij de moslims is de kwetsbaarheid veel aannemelijker, maar dan zijn er altijd nog andere bepalingen in het Wetboek van Strafrecht. VVD-senator Dupuis, die uiteindelijk tegen het wetsvoorstel stemde, meende zonder verdere motivering dat schrapping van artikel 147 misschien voor een aantal geloofsgemeenschappen een zeker gevoel van onveiligheid zou creëren. Wellicht is dat al het geval bij senator Kuiper van de ChristenUnie, die volgens het Reformatorisch Dagblad ‘met ontbloot mes’ de vergaderzaal instapte.

De Eerste Kamer nam ook nog met ruime meerderheid een motie uit de koker van de PvdA aan waarin de regering wordt gevraagd te onderzoeken “of een mogelijke aanpassing van artikel 137 van het Wetboek van Strafrecht dienstig kan zijn om te bewerkstelligen dat dit artikel eveneens genoegzame bescherming biedt tegen als ernstig ervaren belediging van burgers door belediging van hun geloof en geloofsbeleving, zonder de werking van de vrijheid van meningsuiting onnodig te beperken”. Het is een vreemde motie, want genoemd artikel 137 heeft betrekking op het opzettelijk nalaten kennis te geven van bepaalde misdrijven. Een herdruk van de motie maakt in een voetnoot duidelijk dat men eerder het oog had op de artikelen 137c t/m h, die onder meer gaan over groepsbelediging, aanzetten tot discriminatie en haatzaaien. Hoewel sommige senatoren en een enkele commentator meenden dat met deze motie de bepaling over smalende godslastering via een achterdeurtje weer wordt ingevoerd, denk ik met de initiatiefnemers van D66 en SP dat het zo’n vaart niet zal lopen. Er wordt slechts om een onderzoek gevraagd, dat heel goed kan concluderen dat aanpassing van de genoemde artikelen helemaal niet dienstig is. Bijvoorbeeld omdat deze artikelen al genoegzame bescherming bieden, een standpunt dat heel goed te verdedigen is. Bovendien mag de vrijheid van meningsuiting volgens de motie niet onnodig beperkt worden, en juist dat dreigt natuurlijk te gebeuren als smalende godslastering weer in een andere gedaante in het Wetboek van Strafrecht terugkeert.

Nu de schrapping van een bijzonder archaïsche strafbepaling aanstaande is, moeten we ons wel de vraag stellen wat er eigenlijk verandert. Het antwoord moet luiden: niet veel. Er wordt enkel wat dood vlees weggesneden, wat achterstallig onderhoud uitgevoerd. Maar het gaat daarbij wel een om handeling die zowel op principiële als op pragmatische gronden zeer goed te verdedigen is en die, eerlijk is eerlijk, wel heel lang op zich heeft laten wachten. De genoemde CU-senator Kuiper had wel een heel zwarte toekomst voor ogen toen hij zei:

“Het zou mij niet verbazen als sommigen het aanvaarden van deze initiatiefwet zullen zien als een vrijbrief om gelovigen te beschimpen. Er zijn in onze samenleving nu eenmaal genoeg mensen die voortdurend de grenzen opzoeken. Ik zie de spottende cartoons eerlijk gezegd al voor me…”

Overdrijven is ook een vak. Eigenlijk zijn het juist dit soort emotionele uithalen die de noodzaak van het schrappen van artikelen als artikel 147 alleen maar onderstrepen.

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 Martin Holterman 07/12/2013 om 22:20

Een goede eerste stap, nu nog weg met het verbod op belediging, laster, etc.

2 M.J. Hoogendoorn 09/12/2013 om 23:22

@Martin Holterman

Onder etc. ook aanzetten tot haat, daadwerkelijke discriminatie (ook maar een mening immers) etc?

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: