Gezondheidszorg, Obama en federalisme

door WVDB op 03/08/2010

in Buitenland, Uitgelicht

Post image for Gezondheidszorg, Obama en federalisme

Los van politieke of beleidsmatige disputen, belooft de recent aangenomen Health Care Act in de Verenigde Staten een zoveelste mijlpaal in de uitbreiding van de federale bevoegdheid op grond van de commerce clause te worden. Deze bevoegdheid valt uiteen in drie elementen die verband houden met interstatelijke handel: de kanalen, de instrumenten, en de activiteiten die een substantieel effect hebben op deze staatsgrensoverschrijdende handel.

Vier arresten zijn terzake van belang om de draagwijdte van de bevoegdheid te bepalen:

  1. Wickard v Filburn (1942):  ook eigen consumptie had door middel van effect-aggregatie een weerslag op de interstatelijke markt voor tarwe door een verminderde vraag.
  2. Gonzales v Raich (2005): ook wanneer het een niet economische activiteit betreft (zoals het telen van marihuana voor eigen, geneeskundig, gebruik, wordt de federale bevoegdheid aanvaard wanneer de regeling terzake  “een essentieel deel uitmaakt van een groter geheel van regulering van economische activiteit.”
  3. Lopez v US (1995): ondanks een extensieve interpretatie in voorgaande precedenten, stelt het hof dat er wel zoiets moet zijn als ‘lokale economische activiteit’ en stelt een test daartoe voor.
  4. US v Morrison (2000): wat er ook van zij: de geregelde activiteit moet van economische aard zijn om de bevoegdheid onder de commerce clause te rechtvaardigen.

Even focussen op het meest controversiële (vanuit US standpunt) onderdeel van de Health Care Act (HRA): de aansluitingsvereiste (individual mandate – sect. 1501 van de wet). Er wordt vereist dat iedereen (buiten bepaalde uitzonderingscategorieën, die m.i. een gelijkheidstoets moeilijk doorstaan).

De beslissing om zich niet aan te sluiten bij een ziekteverzekering wordt aldus gekenmerkt als economische activiteit en op grond van de commerce clause door middel van federale wet met een boete bestraft. Een kleine beleidsmatige overweging: zolang deze boete relatief beperkt is, en in combinatie met de regel dat ziekteverzekeringen een verzoek tot aansluiting niet mogen weigeren, is dit vanuit rechtseconomisch standpunt een inefficiënte regel. Zolang ik jong en gezond ben, betaal ik graag een boete die lager is dan de verzekeringspremie, om wanneer ziekte (kan) toetslaat(/n), ik me aansluit. Zulk free-rider gedrag valt m.i. te verwachten.

Bon, terug naar federalisme: wat uniek is aan deze, en zonder voorgaand precedent, is dat het in wezen zelfs geen activiteit betreft, laat staan de discussie al dan niet “economisch”. Immers, door niets te doen,verricht ik volgens het US Congress dus een economische activiteit of beslissing die de interstatelijke handel raakt.

De discussie in de academische literatuur en blogsfeer is hevig (bijvoorbeeld: hier en hier), en helaas niet altijd ontdaan van ideologische of partijpolitieke interesse. Heel wat staten en actiegroepen hebben procedures ingesteld, zodat de controverse wel eens voor het Supreme Court (met of zonder Kagan?) zou kunnen eindigen. Zover is het nog lang niet.

Echter gisteren, op 2 augustus, is een van de eerste (beperkte) judiciële beslissingen geveld over de verenigbaarheid van de individual mandate met de commerce clause bevoegdheid.[1]

In the District Court voor East Virginia, op klacht van de deelstaat Virginia, voerde de federale regering aan dat de klacht kennelijk ongegrond moest verklaard worden. Let wel, dit is geen beslissing ten gronde, maar een eerste, prima facie beoordeling om de gegrondheid van de klacht te beoordelen. (“Although this case is laden with public policy implications, […] at this stage the sole issues before the court are subject matter jurisdiction and the legal suffiency of the complaint.”)

Enkele interessante passages (er zijn er nog andere, o.a. over standing en conflicten federale – state law, lees zeker de opinie):

Over de commerce clause bevoegdheid:

  • p. 25              “The guiding precedent is informative, but inconclusive.”
  • p. 25              “The complaint advances a plausible claim with an arguable legal basis.”

Over de taxing power (merk op dat dit juridisch waarschijnlijk de veilige weg is, maar dat de politieke discussie toen gedoemd om te falen was, indien het een belasting zou betreffen. Pres. Obama heeft dan ook stellig geponeerd (“this is not a tax.”). Over de spanning politiek – pubiekrecht gesproken…

Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Verdere info:

J. Staman en C. Brougher, “Requiring individuals to obtain health insurance: a constitutional analysis”, Congressional Research Service Report for Congress nr. 7-5700 van 24 juli 2009, 18 pp. (lees hier)

R. Barnett et al., “Legal memorandum 49: why the personal mandate to buy health insurance is unprecedented and unconstitutional”, de dato 9 december 2009, online op http://s3.amazonaws.com/thf_media/2009/pdf/lm_0049.pdf

E. Chemerinsky, “Health care reform is constitutional”, Politico, 23 oktober 2009, http://www.politico.com/news/stories/1009/28620.html

S. Willis en N. Chung, „Constitutional decapitation and healthcare” in Tax Notes 2010, p. 169-195.  Beschikbaar via SSRN hier

Zie ook deze bijdrage van I. Somin

Noot:

[1] belangrijke opmerking, maar voor het opzet van dit stukje gedelegeerd naar voetnoot, is dat de bevoegdheid om de individual mandate via een penalty te reguleren, op andere federale bevoegdheden kan gegrond worden. Zo vormen de necessary and proper clause en de taxing power alvast voortreffelijke kandidaten. In de wet zelf echter, voert de wetgever de commerce clause als bevoegdheid aan. Een vraag die dus zeker en vast rijst is in hoeverre het Hof de bevoegdheidsargumentatie uit de wet moet volgen bij een toetsing, en of zij ambtshalve een andere bevoegdheid mag/ moet aannemen. Misschien weet één van de lezers iets meer?

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 Gus 06/08/2010 om 19:27

Blijft iets moois, die Amerikaanse Grondwet.

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: