Graaiende zorgbestuurders overgeleverd aan Brinkman en Gerbrands

door CM op 15/01/2013

in Grondrechten, Haagse vierkante kilometer

Post image for Graaiende zorgbestuurders overgeleverd aan Brinkman en Gerbrands

Wie er als topfunctionaris in de zorgsector warmpjes bijzit en dan toch durft te klagen bij de rechter over de per 1 januari 2013 in werking getreden Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector, loopt uiteraard het risico in de publieke opinie verketterd te worden. GB constateerde dat al in een eerdere bijdrage. Dit vervolgartikel beoogt zeker geen sympathie te kweken voor de zorgbestuurders in kwestie. Integendeel. Wat deze bijdrage wel beoogt, is iets te vertellen over de achtergronden van het conflict dat afgelopen donderdag voor € 816 aan salaris advocaat en € 575 aan griffierecht (gemeenschapsgeld?) door de voorzieningenrechter werd beslecht.

De discussie over topsalarissen in de publieke en semipublieke sector is niet nieuw. In haar rapport ‘Over dienen en verdienen’ uit april 2004 concludeerde de commissie-Dijkstal dat de salarisstructuur in de publieke sector (in dit geval vooral de ambtenarensector) oorspronkelijk gebaseerd was op de gedachte dat de minister, gezien zijn staatsrechtelijke positie en verantwoordelijkheden, het hoogste salaris behoort te hebben. Vervolgens constateerde zij dat die oorspronkelijke gedachte in de praktijk niet meer verwezenlijkt werd. Diverse topfunctionarissen verdienden aanzienlijk meer dan een minister. Daarbij was de commissie – die overigens breed was samengesteld met naast Dijkstal (VVD) ook Andrée van Es (GroenLinks), Jan Hendrikx (CDA) en Coen Teulings (PvdA) – van mening dat dit onder meer te wijten was aan een salarisachterstand bij ministers. Anders gezegd: het probleem was niet direct dat topfunctionarissen teveel verdienden, ministers verdienden gewoon te weinig. De commissie signaleerde een salarisachterstand van ongeveer 30% ten opzichte van rijksambtenaren. Mede gelet op het feit dat de ministerssalarissen volgens de commissie in internationaal perspectief sober waren, adviseerde zij de achterstand weg te werken, de ministers opslag te geven en aldus het uitgangspunt te herstellen dat het ministerssalaris vertrekpunt is voor het loongebouw van de publieke sector. En de commissie-Dijkstal publiceerde meer rapporten. In september 2007 verscheen ‘Normeren en waarderen’, waarin ten aanzien van de zorgsector werd opgemerkt dat die voor het grootste deel wordt bekostigd uit premies en slechts voor een klein deel uit belastinggeld, terwijl de uitvoering is belegd bij private instellingen. Ook was er sprake van marktwerking. Slechts het feit dat er duidelijk een publiek belang aanwezig is, rechtvaardigde volgens de commissie een sectorale beloningscode. Dus geen wettelijk maximum.

Wie de geldende wetgeving over topsalarissen in de publieke en semipublieke sector raadpleegt, zal concluderen dat deze adviezen niet zijn overgenomen. Het denken over deze salarissen heeft zich in slechts een aantal jaren tijd sterk gewijzigd, waarbij de economische crisis en de afkeer van ‘graaiers’ uiteraard een voorname rol hebben gespeeld. Het voorstel om ministers meer loon te geven is aanvankelijk in een wetsvoorstel omgezet. Hun salaris werd opgekrikt naar € 12.248,68 per maand. Het voorstel daartoe werd ingediend in januari 2006, toen alles in de financiële wereld nog rustig leek. Drie jaar later was de situatie totaal anders. Behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer werd aangehouden en later werd het voorstel helemaal ingetrokken. Het huidige regeerakkoord maakt duidelijk dat Dreesiaanse soberheid voorlopig de norm is: “In afwijking van het advies van de commissie Dijkstal wordt het salaris van bewindspersonen definitief niet verhoogd”. Over de stelling dat het salaris van een minister in principe het hoogste salaris in de publieke sector behoort te zijn, bestaat in de huidige omstandigheden weinig discussie. Het voorgaande laat echter zien dat over de hoogte van dat ministerssalaris wel degelijk discussie kan worden gevoerd. Niet nu, maar wellicht wel weer als het economische tij gekeerd is.

Ook kan uiteraard gediscussieerd worden over de vraag wat nu eigenlijk wel en niet tot de publieke en semipublieke sector kan worden gerekend. De commissie-Dijkstal leek de zorginstellingen vooral als private instellingen te zien, waarbij alleen het evident aanwezig publieke belang tot een sectorcode voor beloningen noopte. Echter, de zorgpremies die wij allemaal betalen zijn weliswaar geen belastinggeld, maar betaling is juist met het oog op toegang tot de zorg voor iedereen en bescherming van de zwakkeren niet vrijwillig. Bij het opstellen van het voorstel voor de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector was de regering iets strenger dan de commissie-Dijkstal. Deze wet kent drie categorieën. De eerste categorie is het zogenaamde ‘bezoldigingsmaximum’. Dat is dus de befaamde ‘Balkenendenorm’, die 130% van het ministerssalaris betreft. Om precies te zijn gaat het om € 187.340 aan beloning, vermeerderd met de sociale verzekeringspremies, € 7.559 wegens belastbare vaste en variabele onkostenvergoedingen en € 28.767 wegens de voorzieningen ten behoeve van beloningen betaalbaar op termijn, aldus artikel 2.3 van de WNT. De tweede categorie betreft de sectorale bezoldigingsnorm: de betrokken minister stelt voor die sector een bezoldiging vast, waarbij de sector zelf desgewenst een voorstel kan doen. Die bezoldiging kan hoger zijn dan de Balkenendenorm. Als de sector zelf al een code heeft, ligt het voor de hand dat de minister daar aansluiting bij zoekt, maar het laatste woord is aan de minister. De derde en laatste categorie ten slotte betreft een regime van openbaarmaking, dat voortborduurt op de sinds 2006 geldende Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens.

Het in januari 2011 ingediende wetsvoorstel plaatste de zorginstellingen in de categorie van de sectorale bezoldigingsnorm. Die plaatsing zal de zorgbestuurders wel hebben kunnen bekoren: zij hadden zelf al sinds september 2009 een ‘beloningscode voor bestuurders in de zorg’. Het was niet onaannemelijk te denken dat de minister die over zou nemen. In januari 2011 werd het land nog geregeerd door het kabinet-Rutte I. Zoals bekend werd dit kabinet gedoogd door de PVV van Geert Wilders. En juist bij de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector liet die gedoogpartner zien dat hij zijn goddelijke gang kon gaan: het was de PVV-fractie die roet in het eten van de zorgbestuurders gooide. Een amendement van het overbekende Kamerlid Hero Brinkman (inmiddels ex-PVV), opgesteld samen met diens wat minder bekende en inmiddels weggezuiverde collega Karen Gerbrands (zelf verpleegkundige), verplaatste de zorginstellingen van de tweede naar de eerste categorie. Voortaan zou de Balkenendenorm leidend zijn.

Opvallend is dat het kabinet zich in de persoon van minister Donner van Binnenlandse Zaken sterk tegen dit amendement heeft verzet, terwijl in het zojuist beslechte kort geding de zorgbestuurders tegenover het ministerie van Binnenlandse Zaken stonden. Eigenlijk waren de procespartijen het dus inhoudelijk met elkaar eens, althans in het tijdperk-Donner. Het PVV-wijzigingsvoorstel werd door minister Donner ontraden met een argumentatie die de zorgbestuurders als muziek in de oren moet hebben geklonken. De minister stelde dat de geldende sectorcode veel effectiever zou zijn, omdat daarin maar een beperkt aantal klassen boven de Balkenendenorm uitkwam. De meeste functionarissen zaten daaronder, maar het vaststellen van een wettelijk maximum zou er juist tot een opwaartse druk kunnen leiden. Met andere woorden: meer functionarissen zouden de Balkenendenorm gaan claimen, waardoor slechts enkelen minder en velen juist méér zouden gaan verdienen. Ook verwachtte Donner de nodige rechtszaken en een gebrek aan draagvlak in de sector. Eerder in het debat had de minister ten aanzien van een soortgelijk (maar verworpen) amendement uit de koker van de PvdA gesteld dat de zorgsector ‘onmiskenbaar een privaatrechtelijk georganiseerde sector (is) die in belangrijke mate werkt via een marktmechanisme’. Een wettelijk bezoldigingsmaximum paste daar niet bij. Later volgde zelfs nog een aparte brief waarin de minister ‘grote nadelen en risico’s’ verwachtte van de verplaatsing van de zorginstellingen naar de eerste categorie.

Donner kon oreren wat hij wilde, maar de PVV handhaafde het amendement en kreeg steun van de linkse oppositie. De zorgsector werd onder de Balkenendenorm gebracht. Donner vertrok naar de Raad van State en in de Eerste Kamer werd het voorstel aanvankelijk verdedigd door minister Spies. De Eerste Kamer vroeg de Raad van State om voorlichting over de vele wijzigingen die de Tweede Kamer en de regering in het oorspronkelijke wetsvoorstel hadden aangebracht en de Raad van State, inmiddels onder vicevoorzitterschap van Donner, publiceerde een opinie (die overigens niet door Donner, maar door Piet van Dijk werd getekend). Die was zeer algemeen van aard en ging niet heel specifiek op de zorgsector in, al stelde zij nog wel dat zorgverleners “geen organisaties in publieke of semi-publieke sectoren zijn”. Minister Spies reageerde desgevraagd tamelijk laconiek op vragen van senatoren over het eerdere verzet van de regering tegen het PVV-amendement:

“Mijn ambtsvoorganger heeft bij de behandeling van dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer gewezen op de nadelen en risico’s die het onderbrengen van zorgverleners in bijlage 1 met zich brengt, waaronder juridische risico’s. Ik moet echter constateren dat de Tweede Kamer de criteria van de commissie-Dijkstal anders weegt dan de regering bij indiening heeft gedaan. Anders dan bij de ANBI’s is dat geen van het systeem van het wetsvoorstel afwijkende weging van de criteria van de Commissie-Dijkstal. Het is een andere afweging dan die van de regering. De regering heeft hem ontraden, maar de Tweede Kamer heeft nu eenmaal het recht om voorstellen van de regering te amenderen.”

De mondelinge verdediging van het wetsvoorstel werd toevertrouwd aan minister Plasterk. Zijn partij was sowieso voorstander van een wettelijk maximumsalaris voor zorgbestuurders, dus de verdediging kostte hem geen enkele moeite. Plasterk mag zich nu gaan bezighouden met het verder aanscherpen van de normen, want het regeerakkoord stelt dat de nieuwe norm moet worden dat een topsalaris in de publieke en semipublieke sector hooguit 100% van het ministerssalaris is (nu 130%) en dat deze norm niet alleen voor topbestuurders geldt, maar voor iedereen. Kortom, er is best discussie mogelijk over de vraag hoeveel een minister mag verdienen en hoeveel een topfunctionaris, en over de vraag hoe die salarissen zich tot elkaar dienen te verhouden. De tendens leek eerst te zijn dat het ministerssalaris omhoog moest, terwijl nu definitief voor bevriezing wordt gekozen. En waar eerst 130% van het ministerssalaris geen probleem was, moet straks de broekriem worden aangehaald. Waar in het veld (publiek, semipubliek, privaat) zorginstellingen moet worden geplaatst, kan ook voorwerp van discussie zijn. De wetgever heeft nu echter gesproken en een regeling getroffen die zeker niet onredelijk is. Ook zorgbestuurders mogen nog vier jaar lang een salaris behouden dat boven de Balkenendenorm ligt (als ze dat momenteel hebben) en daarna vindt een afbouw in drie stappen van een jaar plaats. Nog afgezien daarvan hebben de zorgbestuurders blijkens het vonnis van de voorzieningenrechter zelf al aangeven dat 84% van hen al onder de Balkenendenorm zit. Dit alles in aanmerking genomen komt hun procedure bij de rechter wel erg benepen over. Om niet te zeggen wereldvreemd.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 Ruudt 15/01/2013 om 11:16

Eens. Op een punt verbaas ik me echter wel zeer over de wet. In geval van een ontslag mag de ontslagvergoeding niet hoger zijn dan 75000,-.

Ik vind het een nogal laag bedrag voor werknemers die jaarlijks meer dan de Balkenendenorm verdienden, maar in deze sobere tijden valt daar wellicht wat voor te zeggen. Wat me wel verbaast, is dat alleen voor topfunctionarissen dit maximum geldt. Het personeel dat niet tot de topfunctionarissen mag wel een ontslagvergoeding ontvangen die dit bedrag overstijgt. (En dat komt in de praktijk ook zeker regelmatig voor..)

Het verbaast me dat de bestuurders dit punt niet aan de rechter hebben voorgelegd, met een beroep op de ‘mensenrechten’.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: