EHRM: journalistiek verschoningsrecht onvoldoende wettelijk gewaarborgd

door Ingezonden op 08/10/2010

in Grondrechten, Rechtspraak, Uitgelicht

Aankomende ministers van het Kabinet-Rutte I opgelet! Sinds 14 september 2010 is een wetsvoorstel ter uwer indiening toch in ieder geval gaan gloeien; het is heter dan voorheen.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in Straatsburg heeft op 14 september 2010 bij monde van de Grote Kamer (unaniem!) streng gesproken. Nederland is toen (zaaknummer: 38224/03) op verzoek van Sanoma Uitgevers B.V. veroordeeld omdat op het punt van bronbescherming in strafzaken de wettelijke regelingen niet op orde zijn.

Wat is het bezwaar van het Staatsburgse Hof? Niet dat er in Nederland geen formeel wettelijk journalistiek verschoningsrecht voor getuigen in strafzaken bestaat. Wel dat er geen wettelijke verplichting bestaat om in de fase van opsporing in strafzaken een rechter-commissaris te laten overwegen of een verzoek van opsporingsambtenaren in opdracht van een officier van justitie aan journalistieke (rechts)personen om bronnenmateriaal op te geven, in een bepaald geval al of niet zwaarder weegt dan het door het genoemde verschoningsrecht beschermde belang van journalisten om bepaalde bronnen voor zich te houden.

Daarmee heeft het Hof een vereiste gesteld aan de wetgeving in alle nationale staten die partij zijn bij het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Dat deze overweging aan de terechtwijzing van Nederland door het Hof ten grondslag ligt, blijkt zeer expliciet uit de concurring opinion van de betrokken Nederlandse rechter die zitting had in deze Grote Kamer, Egbert Myjer, zoals eerder besproken op deze blog.

Nederland kan zich niet meer verbergen op dit punt. Eerder leek het daar wel op, ook wat betreft het EHRM. In eerste instantie oordeelde een kamer van 7 rechters (de Kamer; met 4 tegen 3) dat in het geval van de Sanoma zaak voldoende waarborgen ten aanzien van het journalistieke belang van Sanoma in de gang van zaken te onderscheiden zijn (zie uitspraak 3 maart 2009, zaaknummer: 38224/03). De confrontatie die Sanoma met de Nederlandse justitie heeft gehad, vond plaats in februari 2002. Net voor het weekend waarin het huwelijk van Kroonprins Willem-Alexander met Prinses Máxima zich zou gaan voltrekken, kwam er politie op bezoek bij de redactie van het door Sanoma uitgegeven blad Autoweek. In verband met een zaak ‘op leven en dood’ werden foto’s opgevraagd die door redacteurs van Autoweek waren gemaakt tijdens een illegale straatrace en waarop wellicht waardevolle informatie inzake de verdachte te zien zou zijn (wat achteraf overigens niet het geval bleek te zijn). Na veel aandringen van de politie, met hulp van twee officieren van justitie, en na aanvankelijk stugge weigering door betrokkenen van Autoweek met een beroep op bescherming van hun journalistieke bronnen, is er op verzoek van de advocaat van Sanoma bemiddelend opgetreden door een rechter-commissaris. Deze R-C oordeelde dat het opsporingsbelang in dit geval doorslaggevend moest zijn. Zijn bemiddeling miste een wettelijke grondslag, zoals deze zelf ook erkende, maar resulteerde wel in het opgeven van de foto’s. Overigens speelde mee dat het toen heel slecht uitkwam voor de uitgever om met verdere dwangmiddelen (zoals gijzeling van de hoofdredacteur, huiszoeking en inbeslagname van computers) geconfronteerd te worden, met het weekend waarin zoveel heugelijk nieuws te verslaan zou zijn voor de deur. Sanoma gaf zich toen gewonnen.

Voor de (“kleine”) Kamer in Straatsburg was de rol van de R-C in dit geval, hoewel beperkt in zijn competenties vanwege het ontbreken van een wettelijke verplichting om in dergelijke gevallen te oordelen over een verzoek van het OM aan journalisten om bronnen prijs te geven, positief genoeg om af te zien van een veroordeling van Nederland in deze zaak, na afweging van de betrokken belangen.  

Aan een dergelijke afweging komt de Grote Kamer uiteindelijk niet toe. De beslissing stopt daar bij de beoordeling van de eis of de beperking van de vrijheid van meningsuiting zoals beschermd door artikel 10 EVRM in dit geval voldoet aan het vereiste ‘bij wet’ in de zin van dit verdragsartikel. Nee, zegt het Hof:

“In conclusion, the quality of the law was deficient in that there was no procedure attended by adequate legal safeguards for the applicant company in order to enable an independent assessment as to whether the interest of the criminal investigation overrode the public interest in the protection of journalistic sources. There has accordingly been a violation of Article 10 of the Convention in that the interference complained of was not “prescribed by law”.”

In eerste aanleg in Straatsburg had de Kamer Nederland wel, maar toch enkel, gewaarschuwd om te overzien of het geval Sanoma vraagt om meer wettelijke waarborgen, met een verwijzing naar aanbevelingen van het Comité van Ministers van de Raad van Europa (zie in die uitspraak, r.o. 29). De Grote Kamer ziet op het speciale punt van de wenselijkheid van een onafhankelijke beoordeling van een verzoek van opsporingsautoriteiten aan journalisten om bronmateriaal prijs te geven, een lacune in de Nederlandse wetgeving, zoals uit het citaat hierboven blijkt.

Komt het wetsvoorstel dat nu voor Rutte I klaarligt tegemoet aan de eis van de Grote Kamer? Kort antwoord: ik weet het niet. De laatste versie dwaalt nog in het geheim rond.

Het betreft het voorstel van Wet bronbescherming in strafzaken. Op 4 december 2009 al heeft de ministerraad onder Balkenende IV ingestemd met dit voorstel. De website van de rijksoverheid suggereert dat het voorstel bij de Raad van State ligt. Op de website van de Raad is terug te vinden (kan daar trouwens een zoekfunctie tegenaan; dank u! Nu achterhaald dankzij speech van prof. mr. Wouter Hins n.a.v. de Persvrijheidsmonitor 2009 ;)) dat het advies daar in week 8 van 2010 is vastgesteld.

Het advies wordt niet eerder openbaar dan na indiening in de Tweede Kamer, ingevolge art. 25a, lid 2, Wet op de Raad van State.  Sinds het persbericht van begin december j.l. dat de ministers destijds hebben ingestemd met het voorstel, is er vanuit de Trêveszaal omtrent het voorstel niets naar buiten gebracht. Naar de precieze inhoud van dit in te dienen voorstel van wet is het daarom net zo goed gissen als naar de inhoud van de advisering door de Raad.

Afijn, laat in dit geval nou genoeg reden zijn de indiener de kans te geven nog even met gesloten dossiers de zaak rustig te overwegen. Een concept van het wetsvoorstel is in december 2008 al aan verschillende betrokkenen voorgelegd. De Nederlandse Orde van Advocaten heeft een wetgevingsadvies uitgebracht (te vinden op haar website: volgnummer 564). De Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) heeft eveneens commentaar op het conceptwetsvoorstel geleverd. Recent heeft de NVJ (in)formateur Opstelten nadrukkelijk gevraagd om spoedige indiening van een adequaat wetsvoorstel bij de Tweede Kamer te stimuleren, met een verwijzing naar het recentste arrest van het EHRM in de Sanoma zaak.

Het ligt in de lijn van mijn verwachting dat het voorstel waarmee in december 2009 door de ministers onder Balkenende IV is ingestemd, niet tegemoet komt aan de recente terechtwijzing van Nederland in Straatsburg. Het conceptwetsvoorstel laat terughoudendheid zien om de stap te zetten naar een wettelijke regeling van bronbescherming in Nederland. De vorm van verschoningsrecht zoals gekozen in het concept heeft enkel betrekking op de mogelijkheid voor journalisten als getuigen zich te verschonen van het afleggen van een verklaring of het beantwoorden van bepaalde vragen over de herkomst van toevertrouwde gegevens, met enkele procedurele waarborgen omtrent de mogelijkheid voor justitie om journalisten te gijzelen. Alleen ten aanzien van dergelijke verzoeken is in een beoordeling van belangen door een onafhankelijke rechter(-commissaris) voorzien (hoewel het woordje ‘kan’ in het concept-artikel 218a lid 2 soft lijkt). Een verzoek tot afgifte van bepaald materiaal, zoals in de Sanoma-zaak, komt niet aan de orde. Overigens komen ook verdere dwangmiddelen, zoals inbeslagname bij huiszoekingen of taps van telefoon- of ander communicatieverkeer, niet aan bod.

Tot aan nu wilde men er al lange tijd überhaupt niet aan. Jurisprudentie over journalistieke bronbescherming (nationaal en/of supranationaal; de laatste categorie was eerst, zie met name het Goodwin-arrest van het EHRM van 27 maart 1996, zaaknummer: 17488/90) was een voldoende waarborg, zo was de algemene opvatting. Toen in 2007 het EHRM Nederland terecht wees in de Voskuil-zaak (no. 64752/01) in verband met een langdurige gijzeling van de betrokken journalist, ging men op regeringniveau overstag (Kamerstukken II, 31200 VI, nr 92) hoewel daar in hetzelfde jaar eerder (Kamerstukken II 30800 VI, nr. 82; zie ook nr. 117) nog anders over werd gedacht.

Op 14 september was het in Straatsburg dus weer raak. Een nieuw verzoek aan het EHRM ligt op de stapel i.v.m. De Telegraaf samen met journalisten Joost de Haas en Bart Mos (zie decision, zaaknummer: 39315/06).

Voordeel voor de aankomende Minister van Justitie: u kan zich nog in het geheim aan het voorstel branden!

Chris Wiersma, docent staatsrecht UvA/onderzoeker IViR

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: