Haagse hobbels op weg naar Straatsburg en Brussel

door Redactie op 20/05/2014

in Bestuursrecht, Europa, Haagse vierkante kilometer, Rechtspraak

Post image for Haagse hobbels op weg naar Straatsburg en Brussel

In de aanloop naar de verkiezingen voor het Europees Parlement heeft de Afdeling bestuursrechtspraak een drietal interessante uitspraken gedaan. De zaak die de meeste aandacht heeft getrokken, betrof de kandidatenlijst van de Partij voor de Dieren. Die partij had op de oorspronkelijke lijst de namen van de Amerikaanse filosoof Tom Regan, de Canadese politiek filosoof Will Kymlicka en de Zuid-Afrikaanse schrijver J.M. Coetzee (die tevens over de Australische nationaliteit beschikt) geplaatst. De Kiesraad, zijnde het centraal stembureau voor de Europese verkiezingen, had de namen van deze drie kandidaten van de lijst geschrapt. Je zou wellicht zeggen dat die beslissing vanzelf spreekt, nu geen van de drie heren over de nationaliteit van een EU-lidstaat beschikt. Maar zo simpel blijkt het niet te liggen.

De Afdeling heeft in haar uitspraak heel wat wetsartikelen nodig om tot het oordeel te komen dat de beslissing van de Kiesraad juist was. De Kiesraad had de namen geschrapt omdat de instemming van de kandidaten met hun kandidaatstelling zou ontbreken. Dat klinkt vreemd, want de drie heren waren bepaald niet met het pistool op de borst gedwongen zich kandidaat te stellen voor de Dierenpartij en hadden bovendien zoals de Kieswet voorschrijft kopieën van een legitimatiebewijs overgelegd. Echter, zo zegt de Afdeling in navolging van de Kiesraad, voor de vraag of sprake is van een geldig legitimatiebewijs moeten we kijken naar de Wet op de identificatieplicht, die op haar beurt voor vreemdelingen weer verwijst naar de Vreemdelingenwet 2000. Via de Vreemdelingenwet komen we vervolgens in het Voorschrift Vreemdelingen 2000, een ministeriële regeling. Daaruit blijkt dat de drie kandidaten een zogenaamde Sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen hadden moeten hebben. Derhalve:

“2.2. Gelet op artikel 1, eerste lid, aanhef en onder 2˚, van de Wet op de identificatieplicht, dienen Regan, Kymlicka en Coetzee te beschikken over documenten ingevolge de Vw 2000 ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Uit artikel 8, aanhef en onder i, van de Vw 2000 volgt weliswaar dat hun verblijf gedurende de vrije termijn als bedoeld in artikel 12 van de Vw 2000 binnen de in die bepaling gestelde voorwaarden is toegestaan, maar dat het document waaruit dit rechtmatig verblijf blijkt de ‘Sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen’ als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, van het Voorschrift Vw 2000 is. Met de overgelegde kopieën van paspoorten zonder de ‘Sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen’ blijkt de verblijfsrechtelijke positie van Regan, Kymlicka en Coetzee niet en wordt de instemming van de betrokken kandidaten, bij gebrek aan een kopie van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de identificatieplicht, geacht te ontbreken. De stelling dat aan de geschrapte kandidaten op de Nederlandse lijst voor het Europese Parlement een extra eis wordt gesteld, te weten dat zij in Nederland moeten verblijven, maakt dat niet anders.”

De tweede uitspraak van de Afdeling is een lichtelijk curieuze. Het ging daar om de Vrouwen Partij, die erover klaagde dat de Kiesraad haar kandidatenlijst ongeldig had verklaard. De reden van de Kiesraad was nochtans een tamelijk stevige: de wettelijke vereiste waarborgsom van € 11 250 was niet betaald. Volgens de Vrouwen Partij levert die wettelijke eis discriminatie op, omdat zij niet geldt voor partijen die reeds in het Europees Parlement vertegenwoordigd zijn. Die hebben echter, zo stelt de Afdeling, in de periode dat zij nog niet over zetels in het EP beschikten, óók een waarborgsom moeten betalen. Van het ongelijk behandelen van gelijke gevallen is daarom volgens de Afdeling geen sprake. Er is wel sprake van een beperking van het passief kiesrecht, maar die dient volgens de Afdeling een objectief en legitiem doel. Zij verwijst naar de keuze van de wetgever “om het aantal kandidatenlijsten enigszins te beperken en de keuze voor de kiezer overzichtelijk te houden, mede met het oog op de bruikbaarheid van stembiljetten en stemmachines”.  De Afdeling had ook kunnen zeggen: het is niet de bedoeling, en zelfs niet in het belang van de democratie, dat iedereen zich zomaar in een oprisping kandidaat gaat stellen.

De beperking van het passief kiesrecht is bovendien proportioneel, want “de waarborgsom vormt, gelet op de hoogte ervan in relatie tot de hoogte van het gemiddelde jaarinkomen in Nederland, geen wezenlijke belemmering voor een politieke groepering om deel te nemen aan de verkiezingen”. Wellicht is in dit verband ook nog relevant dat een partij die minimaal 75% van de kiesdeler haalt, de waarborgsom terugkrijgt. Dat de Vrouwen Partij het geld niet bij elkaar kreeg, geeft wellicht aan dat aan deze partij ook bij haar voornaamste doelgroep geen enkele behoefte bestaat. De partij zelf is overigens diep geschokt door de uitspraak van de Afdeling, al wordt uit het warrige betoog op haar website niet echt duidelijk wat nu precies haar punt is.

We kunnen dus niet op de Vrouwen Partij stemmen aanstaande donderdag, maar wel op de PVV. Dit ondanks de fundamentele bezwaren die een bezorgde burger had aangevoerd tegen de beslissing van de Kiesraad om de kandidatenlijst van de PVV geldig te verklaren. De Kiesraad had volgens appellant alle kandidaten van de lijst moeten schrappen omdat de PVV geen vereniging is en er bovendien vermoedens zouden zijn dat zij “een criminele organisatie is, die vanuit het Europees Parlement misdrijven zal faciliteren”. De Afdeling bestuursrechtspraak kan, gelet op de wetsgeschiedenis, helemaal niets met deze klachten:

“3.3. In de geschiedenis van de totstandkoming van de algemene herziening van de Kieswet in 1989 is onder meer vermeld dat de administratie, in dit geval het centraal stembureau, niet belast dient te worden met een inhoudelijke beoordeling van doelstellingen of activiteiten van politieke groeperingen, maar dat deze taak aan de rechter dient te worden voorbehouden. Voorts blijkt uit deze geschiedenis dat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen dat kandidatenlijsten worden ingediend door individuele kiezers en niet door politieke partijen. Hieruit vloeit voort dat de wetgever heeft beoogd de rechtmatigheidstoets van de statuten, doelstellingen en werkzaamheden van politieke partijen in handen te leggen van de burgerlijke en strafrechter en aan het centraal stembureau slechts op te dragen de door kiezers ingediende kandidatenlijsten, die al dan niet zijn voorzien van een aanduiding van een politieke partij, te toetsen aan limitatief in de Kieswet opgesomde formele vereisten, waarvan de betekenis op voorhand duidelijk is. Het centraal stembureau heeft, gelet op het voorgaande, terecht niet de rechtmatigheid van de Partij voor de Vrijheid, haar statuten, doelstellingen of activiteiten betrokken bij de toetsing van de geldigheid van de kandidatenlijsten.”

Die overwegingen waren te verwachten. De in de Kieswet opgesomde vereisten boden geen grondslag en bevatten dus ook geen verplichting voor het schrappen van kandidaten van de PVV-lijst. Voor zover appellant – naar we mogen aannemen met zijn klacht over het karakter van de PVV als nepvereniging – nog beoogde de naamsaanduiding van de PVV te laten schrappen, vangt hij eveneens bot.

Op 22 mei kunt u dus niet stemmen op diervriendelijke Amerikanen, Canadezen of Zuid-Afrikanen met een Australisch paspoort. Evenmin kunt u de Vrouwen Partij aan zetels in het Europees Parlement helpen. Stemmen op de PVV kan wel. Maar er is – gelukkig – meer keus.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: