Haagse taferelen XIX: De huur wordt duur betaald

door LD op 15/08/2013

in Haagse taferelen, Haagse vierkante kilometer

Post image for Haagse taferelen XIX: De huur wordt duur betaald

In maart van dit jaar traden twee wetten in werking die huurverhoging op grond van inkomen mogelijk maken. Afhankelijk van de hoogte van het inkomen van een huishouden kan de verhuurder van een sociale huurwoning een huurverhoging tot een bepaald percentage doorvoeren. Gegevens over het inkomen op een bepaald adres krijgt de verhuurder via de Belastingdienst. Dat is uniek, want de Belastingdienst verstrekt geen gegevens aan private partijen. De toenmalige minister Spies van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties moest in 2012 dan ook toegeven dat er geen precedent voor een dergelijke doorgifte was. De beide wetsvoorstellen waren om meerdere redenen omstreden, en de verstrekking van inkomensgegevens door de Belastingdienst aan particulieren – niet alleen woningcorporaties, maar ook natuurlijke personen, c.q. ‘huisjesmelkers’ – was daar één van. Gekscherend spraken Kamerleden wel van een ‘gluurverhoging’. De privacy was immers in het geding.

Over de vraag of het inkomen überhaupt een rol mag spelen bij het bepalen van de hoogte van de huur, waren de meningen zeer verdeeld. Maar zelfs diegenen die het principe wel konden onderschrijven, vroegen zich af of de gekozen constructie wel juist was. Kon in plaats van het nu voorgestelde systeem niet beter gekozen worden voor een huurbelasting, waarbij rijkere huurders een toeslag aan de staat betalen? Onder meer de fractie van 50PLUS in de Tweede Kamer en de fracties van de PvdA en het CDA in de Eerste Kamer hebben deze vraag aan de regering voorgelegd. De regering zag daar om diverse redenen niet veel in, maar zegde de Eerste Kamer wel schoorvoetend toe eventuele fiscale alternatieven te onderzoeken. Interessant is in dit verband dat de regering in de jaren ’60 van de vorige eeuw heeft geprobeerd een huurbelasting in de te voeren. Die poging is toen op een grandioos fiasco uitgelopen. In de Eerste Kamer wel te verstaan.

Het wetsvoorstel was afkomstig uit de koker van minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening Pieter Bogaers (KVP) en staatssecretaris van Financiën Wiel Hoefnagels (eveneens KVP). In de memorie van toelichting constateerden de beide bewindslieden dat een groot deel van de bewoners van woningswetwoningen een inkomen had dat eigenlijk te hoog was voor de sociale huurwoningen die ze bewoonden. Minister en staatssecretaris hadden met het oog op een betere verdeling van het woningbestand en ter bevordering van de doorstroming het volgende bedacht:

“Als resultaat van dit beraad wordt bij het onderhavige wetsontwerp voorgesteld om voor bewoners van woningwetwoningen, wier inkomen een bepaalde grens overschrijdt, een verplichting in het leven te roepen jaarlijks een zeker bedrag dat afhankelijk is van bedoeld inkomen, in ’s Rijks kas te storten. De gedachte welke daarbij heeft voorgezeten, is dat het niet onredelijk moet worden geoordeeld, dat bewoners van woningwetwoningen, die behoren tot een groep van de bevolking, waarvoor deze woningen, ook naar de huidige opvatting dienaangaande, niet zijn bestemd, gedeeltelijk afstand doen van niet voor hen bedoelde financiële faciliteiten en daardoor bijdragen in de lasten, welke de Rijksoverheid zich telkenjare voor de bouw en exploitatie van dergelijke woningen getroost; (…) de voorgestelde maatregel zal tevens tot gevolg hebben, dat de genoemde categorie van bewoners zich zal gaan afvragen of de bezwaren, verbonden aan het betrekken van een andere woning, nog wel opwegen tegen het voortgezet verblijf in de tegenwoordige. Op deze wijze zou, naar het de ondergetekende voorkomt, kunnen worden bereikt dat men, ook al is er géén sprake van dwang om te verhuizen, eerder bereid zal zijn daartoe ever te gaan en aldus een woning vrij te maken voor een financieel minder draagkrachtig gezin.”

Soortgelijke overwegingen vinden we in de toelichtende stukken bij de wetsvoorstellen huurverhoging op grond van inkomen waarmee deze bijdrage begon. Ook dáár ging het om de strijd tegen ‘scheefwoners’ en het bevorderen van doorstroming door drang in plaats van dwang. Maar in het geval van het wetsvoorstel van Bogaers en Hoefnagels ging het om een echte belasting, te betalen aan de staat. Op 7 november 1966 werd het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend. Het kabinet-Cals, waarvan de beide bewindslieden deel uitmaakten, was toen al enige tijd demissionair als gevolg van de ‘Nacht van Schmelzer’. Op 22 november trad het interimkabinet-Zijlstra aan, maar dat heeft zich niet inhoudelijk met het wetsvoorstel beziggehouden. Die twijfelachtige eer viel minister Wim Schut (ARP) en staatssecretaris Frits Grapperhaus (KVP) van het op 4 april 1967 aangetreden kabinet-De Jong ten deel. Dit kabinet berustte op een samenwerking tussen de drie confessionele partijen KVP, ARP en CHU en de liberale VVD.

De huurbelasting was van meet af aan omstreden. De Raad voor de Volkshuisvesting was tot op het bot verdeeld. Een zeer kleine meerderheid van de leden van de Raad was onder bepaalde voorwaarden vóór, maar de grootst mogelijke minderheid was tegen. De Tweede Kamer nam het wetsvoorstel op 16 oktober 1968 met 82 tegen 58 stemmen aan, maar dat was ongetwijfeld een minder comfortabele meerderheid dan waarop de regering had gehoopt. Ruim 40% van de Tweede Kamerleden stemde immers tegen. Onder de tegenstemmers waren onder meer drie oud-KVP-leden – Aarden, Kessel en Janssen – die zich in februari 1968 als ‘christenradicalen’ hadden afgescheiden en de groep-Aarden waren gestart. Uit deze groep-Aarden ontstond later dat jaar de Politieke Partij Radicalen (PPR), die vooral bestond uit ontevreden progressieve KVP’ers en in mindere mate ARP’ers. Medeoprichter en lid van het eerste uur was opmerkelijk genoeg Pieter Bogaers, dezelfde Pieter Bogaers die als minister verantwoordelijk was voor de indiening van het wetsvoorstel huurbelasting. De liefde voor de PPR was echter van korte duur. Na slechts twee jaar keerde Bogaers terug naar de KVP, overigens geenszins vanwege het standpunt van de PPR over de huurbelasting. Het weinig confessionele karakter van de partij en de te linkse koers stonden hem niet aan.

Na de hobbel van de Tweede Kamer moest ook de Senaat nog worden genomen. En daar ging het faliekant mis. PvdA-senator Broeksz merkte op:

“Ik geloof dat er zelden bij deze Kamer zoveel verontwaardigde reacties op een wetsontwerp zijn binnengekomen als omtrent het wetsontwerp dat thans voor ons ligt.”

Vergelijk dat met de opmerkingen van senator Jan Nagel (50PLUS, maar vroeger PvdA) tijdens het debat in 2013 over de wetsvoorstellen huurverhoging op grond van inkomen:

“Degenen die al wat langer in de senaat verblijven, kunnen beamen dat er zelden zo een stroom van protesten uit de maatschappij is losgekomen als nu.”

Of je een onaangename maatregel nu verpakt als een huurverhoging waarbij de Belastingdienst inkomensgegevens doorspeelt aan private partijen of als een huurbelasting, waarbij dat niet het geval is, maakt rechtsstatelijk gezien waarschijnlijk het nodige verschil. Voor het draagvlak bij de burgers zal het echter weinig uitmaken. In 1968 was er voor een huurbelasting ook geen draagvlak in de Eerste Kamer. Op 23 december 1968 verwierp zij het voorstel met 58 tegen 3 stemmen. Alleen de senatoren Algra (ARP), Schuurmans (KVP) en Albeda (ARP) stemden vóór en behoedden de verantwoordelijke bewindslieden Schut en Grapperhaus voor een ‘whitewash’. Niettemin had de regering een gevoelige nederlaag in de Senaat geleden. Een nederlaag die bij toekomstige correspondentie over een fiscale maatregel als alternatief voor een huurverhoging op grond van inkomen best genoemd mag worden.

In de serie Haagse taferelen gaat Publiekrecht & Politiek op zoek naar de verhalen achter het staatsrecht en de politiek. Vergeten, bijna vergeten en allerminst vergeten gebeurtenissen uit de rijke parlementaire geschiedenis worden voor het voetlicht gebracht.

{ 5 reacties… read them below or add one }

1 JU 15/08/2013 om 13:46

Voor de liefhebber:

Een soortgelijke regeling (de belastingvariant wel te verstaan) is in Duitsland wél ingevoerd. In 1988 oordeelde het Constitutionele Hof dat zij op gespannen voet stond met het gelijkheidsbeginsel, hetgeen leidde tot wat ‘sommigen’ aanduiden als een materieel wetgevingsbevel. Zie BVerfGE 78, 249.

2 LD 15/08/2013 om 18:37

Een materieel wetgevingsbevel, klinkt interessant! Daar zou eens onderzoek naar gedaan moeten worden.

3 GB 16/08/2013 om 13:49

Maar de vraag blijft: is het materieel wetgevingsbevel nu een constitutionele remedie in enge zin of een daarvan te onderscheiden procesrechtelijke remedie?

4 JU 20/08/2013 om 12:07

Is dat een strikvraag?

5 Super De Boer 20/08/2013 om 13:32

8) Blij dat ik nog net voor nieuwjaar een koopwoning heb gekocht in een neerwaartse markt, met volledige spaarhypotheek.

Qua materiële wetgevingsbevelen loof ik desalniettemin een beloning uit voor de rechter die het aandurft bepaalde lieden te dwingen voor zichzelf een ontslagaanvrage in te sturen en deze te laten bekrachtigen bij Koninklijk Besluit.

Voor het overige ben ik van mening dat Broekers-Knol ook wel een aardige voorzitter van de EK zou zijn.

Reactie achterlaten

{ 3 trackbacks }

Vorige post:

Volgende post: