Het afbreukrisico voor Wilders bij meeregeren

door Redactie op 30/07/2010

in Haagse vierkante kilometer, Uitgelicht

De coalitiebesprekingen gaan de beslissende fase in. Momenteel zijn er gesprekken gaande tussen vertegenwoordigers van VVD, CDA en PVV. De PVV staat voor de vraag of moet worden ingezet op meeregeren of op buiten de regering blijven en een VVD/CDA-minderheidsregering steunen. Lid van de PVV Tweede Kamerfractie Hero Brinkman bleek begin mei eerstgenoemde mogelijkheid nadrukkelijk open te willen houden, terwijl zijn collega Geert Wilders de laatste maanden herhaaldelijk laatstgenoemde optie als doelstelling heeft genoemd. Een derde mogelijkheid is natuurlijk dat er uiteindelijk toch een kabinet zonder (steun van) de PVV wordt gevormd.

Welke overwegingen zouden voor de PVV een rol kunnen spelen in het bepalen van de strategie? Dit hangt af van de doelen die de partij voor ogen heeft. Afgaande op de standaard politicologische literatuur heeft een politieke partij drie hoofddoelen: beleid bepalen, posities bekleden en stemmen winnen. Beleid bepalen is gemakkelijker als een partij in de regering zit dan als het slechts steun verleent vanuit de Kamer – laat staan als het in de oppositiebankjes zit. Met name in een land als Nederland heeft de oppositie in vergelijking met regeringspartijen weinig in de melk te brokkelen. Een tweede doel waar partijen in het algemeen op gericht zijn is het bekleden van machtige posities. Behalve voor het naar de hand zetten van het beleid – eerstgenoemd doel – zijn er voor een partij ook andere redenen om interessante posities te bemachtigen: bijvoorbeeld om ze te verdelen onder politieke ondergeschikten om ze tevreden te houden. Ook hiervoor moet een partij deelnemen aan een regering. Een derde doel is het winnen van stemmen. In huidig West-Europa, zo wijst onderzoek uit, verliezen coalitiepartners in het algemeen in nationale verkiezingen direct na regeringsdeelname. Dit verlies is gemiddeld zo’n 1 tot 3 procentpunt. Daarom wordt er wel gesproken van een uitruil van de eerstgenoemde twee doelen (beleid en posities) tegen het derde doel (stemmenwinst). Voor de PVV naar verwachting een lage prijs, zou je zeggen. Geen reden dus voor Wilders om van wakker te liggen.

Maar recent onderzoek van mijn hand suggereert dat het voor de PVV ook anders zou kunnen liggen. In een artikel dat binnenkort wordt gepubliceerd in het European Journal of Political Research rapporteer ik bevindingen van empirisch onderzoek naar stemmenwinst en -verlies van “anti-establishmentpartijen” na regeringsdeelname. Anti-establishmentpartijen is een gebruikelijke term voor partijen die tegen de politieke gevestigde orde mobiliseren. Dit zijn met name partijen die ofwel uiterst links zijn, bijvoorbeeld communisten, ofwel juist erg rechts. In een aantal landen in West-Europa zijn zulke partijen toegetreden tot de regering. De statistische analyses in dit onderzoek zijn gebaseerd op 594 observaties (verkiezingsuitslagen) aangaande 51 politieke partijen (anti-politieke-establishment- en andere partijen) in deze landen tussen 1945 en 2008. Hieruit blijkt dat anti-establishmentpartijen gemiddeld duidelijk meer verliezen na regeringsdeelname dan andere partijen: ongeveer drie procentpunt bovenop de gewone electorale kosten van regeringsdeelname. Dit zou kunnen komen doordat een deel van de kiezers op deze partijen stemt omdat ze tegen de gevestigde orde zijn. Zodra ze zien dat hun partij na de verkiezingen doodleuk met die gevestigde orde in zee gaat haken ze af. Er zijn natuurlijk ook andere verklaringen mogelijk voor deze extra electorale kosten voor anti-establishmentpartijen. Twee alternatieve verklaringen zijn bekeken. Het zou kunnen zijn dat anti-establishmentpartijen dubbel verliezen omdat ze over het algemeen zowel vrij klein als vrij radicaal zijn en daardoor relatief veel water bij de wijn moeten doen. De kleur van de regeringscoalitie nam echter niet het effect van de extra kostenpost weg. Ook het gebrek aan ervaring van anti-establishmentpartijen in de regering bleek het verschil tussen deze en de overige partijen niet te kunnen ‘wegverklaren.’ Het lijkt er dus op dat de reden dat anti-establishmentpartijen electoraal kwetsbaar zijn na regeringsdeelname te maken heeft met de strategie die ze eerder hebben gevoerd om stemmen te winnen: fel ageren tegen de eliteclub die het voor het zeggen heeft.

Zal zo’n negatief electoraal effect een rol spelen bij de PVV? Voor zover deze partij stemmen krijgt op basis van anti-establishmentgevoelens is dit zeker een risico. Reden temeer voor Wilders om niet deel te nemen aan een regering. In plaats daarvan kan hij beter de oppositie in – of voor een gedoogsteunvariant kiezen. De electorale effecten van gedogen door anti-establishmentpartijen in kaart brengen is lastig, aangezien het nog vrijwel nooit is voorgekomen. Wel vinden we een treffend voorbeeld hiervan in Denemarken. De Deense Volkspartij – die ook anti-establishment en anti-Islam-stemmen trekt – lijkt tot dusverre geen enkele electorale last te ondervinden van jarenlange gedoogsteun aan een rechtse minderheidsregering. Dit lijkt in overeenstemming met de resultaten van genoemd onderzoek: de partij kan tegenover anti-establishment kiezers volhouden dat het niet echt meedoet, en tegelijkertijd kiezers die een anti-Islam-stem uitbrachten paaien door te wijzen op de invloed die de partij heeft op het beleid. Voor Wilders lijkt gedoogsteun dan ook een ideaal scenario. Dan kan hij enerzijds beleid bepalen en anderzijds proberen zich vanuit het parlement te blijven afzetten tegen de gevestigde orde. Dit laatste is voor Wilders waarschijnlijk niet al te lastig, want zijn aanhang volgt hem gewoonlijk trouw in zijn redeneringen. Bovendien gebruikt Wilders al sinds zijn breuk met de VVD op zeer succesvolle wijze een dergelijke truc. Immers, het selecte gezelschap waar hij zich in het openbaar tegen afzet is hetzelfde als waar hij nu al zo’n twintig jaar  mee samenwerkt: “de hoge heren in Den Haag.”

Joost van Spanje, Politicoloog aan de UvA.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: