Het arsenaal van de Senaat: het Scheermes van Sillen

door GB op 28/06/2011

in Haagse vierkante kilometer

Post image for Het arsenaal van de Senaat: het Scheermes van Sillen

Terwijl in de Eerste Kamer rustig alle stukken in positie wordt gebracht, stoffen staatsrechtgeleerden de rules of engagement af. Op dit blog verzamelen we de resultaten. Zo ook de meest recente bijdrage in het Nederlands Juristenblad (2011/1162). Daarin neemt Joost Sillen het op tegen het bestaan van twee regels. Het is niet zo dat de Eerste Kamer staatsrechtelijk tot terughoudendheid verplicht is. En de Eerste Kamer beschikt ook niet over de mogelijkheid om het kabinet met een wantrouwensvotum te treffen en daarmee tot ontslag te verplichten.

Wie denkt te kunnen volstaan met het enkel turven van de mening van weer een staatsrechtgeleerde, vergist zich. Het stuk is namelijk evenzeer een proeve van objectieve staatsrechtbeoefening. Vaak wordt er namelijk nogal wat eigen overtuiging over wat een goede staatsinrichting inhoudt meegeleverd bij de rechtsgeleerde opinies. Om die subjectiviteit weg te snijden stelde Sillen eerder voor om bij de interpretatie van de Grondwet de tekst centraal te stellen en de Kamerstukken en Handelingen als enige uitwijkmogelijkheid te accepteren.

Met dit scheermes snijdt hij het argument weg dat artikel 51 lid 1 Grondwet, waarin de Tweede Kamer als eerste genoemd staat, bedoeld was om de Eerste Kamer tot terughoudendheid te verplichten. Ten tijde van deze redactie, in 1983, werd die gedachte namelijk in beide Kamers betwist, en ook de regering heeft de stelling niet tot het einde toe verdedigd.

Voor het bestaan van de vertrouwensregel is de bedoeling van de Grondwetgever maar beperkt van belang, omdat de Grondwet zwijgt over deze kwestie. Uit de destijds geventileerde opvattingen kan ook geen voor het bestaan ongeschreven staatsrecht vereiste rechtsovertuiging worden afgeleid. Uit de Brief-van-Engels, afgelopen formatie, kan eveneens geen duidelijk standpunt worden afgeleid, zodat volgens Sillen moet worden aangenomen dat er geen vertrouwensrelatie bestaat tussen kabinet en Eerste Kamer.

Daarbij geldt dat alleen een in de Eerste Kamer heersende brede overtuiging relevant is, omdat Sillen de alleen wil kijken naar de overtuiging van (of: binnen) de ambten die door de regel worden geraakt. De doctrine, die tendeert naar aanname van een vertrouwensrelatie, is niet relevant. ‘Staatsrechtgeleerden bestuderen het staatsrecht, zij maken het niet.’

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 JRA 02/07/2011 om 23:46

Objectieve staatsrechtbeoefening? Dat suggereert dat de betekenis van de grondwet een feit is en dat Sillens methode de enige geschikte methode is om dat feit vast te stellen. Net zoals de ouderdom van de aarde een feit is en geologie de enige geschikte methode is om dat feit vast te stellen (in tegenstelling tot raadpleging van de bijbel).

Dat lijkt mij een miskenning van de aard van het object van de rechtswetenschap. De rechtswetenschap onderzoekt het recht, dat wil zeggen een sociale praktijk bestaande uit – als ik mij even beperk tot het politieke staatsrecht – o.a. de vaststelling van constitutionele regels, parlementaire discussie rondom de totstandkoming van constitutionele regels en de dagelijkse politieke praktijk waarin constitutionele regels worden toegepast. Men kan er met Sillen voor kiezen om bepaalde elementen uit deze sociale praktijk bepalend te laten zijn voor de inhoud van het politieke staatsrecht. Maar Sillen kan m.i. niet bewijzen dat zijn wijze van staatsrechtbeoefening voor dat doel de enige geschikte methode is. De inhoud van het politieke staatsrecht – een levende sociale praktijk – is niet vatbaar voor bewijs, alleen voor discussie.

Men kan waarnemen dat in 1983 een bepaalde grondwetstekst is gewijzigd of vastgesteld, dat daarover een bepaalde parlementaire discussie is gevoerd, dat die discussie destijds tot een bepaalde uitkomst heeft geleid, dat er op een later moment in de parlementaire geschiedenis nogmaals een discussie over die bepaling is gevoerd die wederom tot een bepaalde uitkomst heeft geleid etc. etc. Aldus neemt men bepaalde sociale feiten waar. Maar dat wil nog niet zeggen dat die sociale feiten tegelijkertijd de inhoud van het politieke staatsrecht bepalen. Daarvoor is m.i. vereist dat er onder de betrokken actoren overeenstemming bestaat over het feit dat (bepaalde) sociale feiten de enige bepalende factor zijn voor de inhoud van het politieke staatsrecht. Die overeenstemming is er niet en zal er vermoedelijk ook wel nooit komen. Om één voorbeeld te noemen, dit is wat prof. Voermans op zijn weblog schrijft over de aard van het door demissionaire kabinetten te voeren beleid: “Het is echter onzin te denken dat, als er in de parlementaire geschiedenis een paar precedenten over ‘kalme’ demissionaire kabinetten te noemen zijn, daarmee een staatsrechtelijke norm van die strekking ontstaat. Er is meer nodig voordat louter gebruik overgaat in echt recht.” (http://wimvoermans.web-log.nl/mijnweblog/2006/12/index.html). Wat dat meerdere is, wordt in het vervolg overigens niet duidelijk gemaakt.

Rechtspositivisten als Sillen hebben geen goede verklaring voor het bestaan van dergelijke theoretische geschillen over de wijze waarop het bestaan en de inhoud van het recht moeten worden vastgesteld. Zolang het rechtspositivisme dit probleem binnen de eigen theorie niet heeft opgelost, denk ik dat het rechtspositivisme niet als een ‘wetenschappelijke methode’ (objectieve staatsrechtbeoefening) kan worden beschouwd, maar slechts als één benadering uit vele. Als benadering doet de methode van Sillen mij daarbij nog het meest denken aan hetgeen door Dworkin is beschreven als ‘Conventionalism’ (Law’s empire, p. 114 e.v.): “[Conventionalism] is this: that collective force should be trained against individuals only when some past political decision has licensed this explicitly in such a way that competent lawyers and judges will all agree about what that decision was, no matter how much they disagree about morality and politics”.

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: