Het ESM-vonnis en het gemeenschapsrecht Unierecht?

door Ingezonden op 06/06/2012

in Europa, Rechtspraak, Uitgelicht

Post image for Het ESM-vonnis en het <del>gemeenschapsrecht</del> Unierecht?

Het zal de trouwe lezers van dit blog niet zijn ontgaan dat de Haagse voorzieningenrechter, mr. Paris de vordering van Wilders om de goedkeuring van het ESM-verdrag tot na de verkiezingen te blokkeren, heeft afgewezen. Dat de rechter niet de politiek tussen de bedrijven door buiten spel wenste te zetten zal voor vrijwel niemand hier een verrassing zijn. Sterker nog, men had niet veel vertrouwen – en dat is nog zacht uitgedrukt – in de verleidingskunsten van bewierookt raadsman Moszkowicz om de rechter zo ver te krijgen om op de stoel van de politiek te gaan zitten. De woorden ‘rechtsmisbruik’ en ‘tuchtrecht’ vielen. 

Dit pessimisme bleek niet helemaal onterecht. Blijkens het vonnis zijn er namens Wilders wel erg merkwaardige argumenten aangevoerd (zie voor alle aangevoerde argumenten en gronden r.o. 2.2 van het vonnis). Bijvoorbeeld dat het ESM vanwege de door artikel 32 ESM-verdrag toegekende immuniteit ‘is onttrokken aan het zicht en de bevoegdheid van de rechterlijke macht’ terwijl artikel 37 juist voorziet in een eigen beroepprocedure die kan eindigen bij het Hof van Justitie. Kennelijk behoren Europese rechters volgens Wilders niet tot de rechterlijke macht. Ook zou de immuniteit die de Minister van Financiën als gouverneur van het noodfonds geniet in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel. Tja.

Maar – en dat moet men hem nageven – Moszkowicz had nog een aardige pijl in zijn koker. Daarmee wist hij de rechter zelfs zo ver te krijgen om de goedkeuring enigszins inhoudelijk te toetsen. En nogal ironisch komt die pijl uit het juridische hart van de door Wilders verguisde Brusselse bureaucratie: het VWEU. Moszkowicz had namelijk aangevoerd dat het ESM-verdrag in strijd is met artikel 125 VWEU, de zogenoemde ‘no bail out’-clausule, die bepaalt dat de Unie en de lidstaten niet aansprakelijk zijn voor de schulden van andere lidstaten. Toch wel nuttig dat Europa.

In 1992 is de ‘no bail out’-clausule in (toen nog) het EG-verdrag opgenomen om de lidstaten op het hart te drukken dat zij zelf voor hun financiën moeten zorgen. Andere lidstaten kunnen niet worden verplicht hen hierbij te helpen als het misgaat. Nu kan aan Wilders en Moszkowicz worden toegegeven dat dit uitgangspunt sinds het uitbreken van de Europese crisis heeft afgedaan. De economische verwevenheid van de lidstaten is te groot om niets te doen. En ongetwijfeld zal het ESM deze onderlinge afhankelijkheid versterken. Maar kan ‘burger Wilders’ wel voor de Nederlandse rechter een beroep doen op artikel 125 VWEU? Anders gezegd, werkt de ‘no bail out’-clausule wel rechtstreeks?

Aan deze belangrijke voorvraag gaat de voorzieningenrechter volledig voorbij. Hij constateert in r.o. 3.6 dat artikel 125 VWEU een bepaling van ‘gemeenschapsrecht’ is (Dit is sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon natuurlijk het ‘Unierecht’) en dus direct werkt. Uiteraard heeft het Hof van Justitie in het niet onbekende Van Gend & Loos-arrest beslist dat particulieren zich rechtstreeks kunnen beroepen op bepalingen van primair recht. Voor deze doorwerking zijn nationaalrechtelijke bepalingen zoals artikel 93 en 94 Gw overbodig. Maar dat al het Europese verdragsrecht rechtstreekse werking heeft, is natuurlijk niet zo. Ook verdragsbepalingen werken alleen rechtstreeks als zij onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn. Kort gezegd komen deze voorwaarden neer op de vraag of een verdragsbepaling wel voldoende juridische houvast biedt om in een concreet geschil te worden toegepast (Eijsbouts e.a., Europees Recht; Algemeen Deel, Groningen: Europa Law Publishing 2010, § 7.2.5). Nog korter door de bocht gaat het erom of een bepaling wel een voldoende concreet recht voor particulieren vestigt. Bij bijvoorbeeld de zogenoemde verdragsvrijheden is het overduidelijk dat zij rechtstreeks werken omdat zij de lidstaten verbieden deze te belemmeren. Wat betreft artikel 125 VWEU wringt hier echter de schoen. De ‘no bail out’-clausule richt zich uitsluitend op de verhouding tussen lidstaten onderling en kent in tegenstelling tot de verdragsvrijheden geen concreet recht toe aan particulieren, ook niet impliciet. De bepaling sluit de hoofdelijke aansprakelijkheid van een lidstaat uit voor de schulden van een andere lidstaat. De ‘no bail out’-clausule is simpelweg niet bedoeld als inroepbare bepaling en ontbeert daarom rechtstreekse werking.

Daarnaast kan nog worden gewezen op artikel 263, alinea 4 VWEU dat beroep door particulieren tegen algemene besluiten van Unierechtelijke instellingen zoals de Commissie uitsluit (tenzij een besluit een verkapte beschikking is en de particulier rechtstreeks en individueel raakt). Strikt genomen valt het ESM-verdrag hier niet onder omdat het geen Unierechtelijk besluit is maar een verdrag dat is gesloten tussen de lidstaten die onderdeel uitmaken van de Eurozone.

Daarnaast ziet het artikel enkel op de rechtsingang bij de Europese rechter. Niettemin laat het zich raden dat het niet de bedoeling is dat particulieren kunnen klagen over het sluiten van verdragen waarin uitvoering wordt gegeven aan de doelstellingen aan de Unie, ook niet bij hun eigen nationale rechter. Interessant in dit verband is een uitspraak van het Gerecht van Eerste Aanleg (T-259/10). Het betrof een door de Duitser Thomas Ax ingestelde vernietigingsprocedure tegen verordening 407/2010 inzake de instelling van een Europees financieel stabilisatiemechanisme (de voorloper van het ESM). Herr Ax vreesde dat de waarde van zijn pensioen door de verordening zou kelderen. Daarom voerde hij onder meer aan dat de verordening in strijd was met – inderdaad – de ‘no bail out’-clausule. Het Gerecht wees hem op grond van artikel 263 VWEU de deur. De verordening ziet op de financiële hulpverlening aan lidstaten zodat Ax niet erdoor rechtstreeks wordt geraakt. Als elke Unieburger elk Uniebesluit op zijn verdragsrechtelijke legitimiteit mag laten toetsen dan stelt het criterium van ‘rechtstreeks raken’ ook niets meer voor, aldus het Gerecht.

De voorzieningenrechter had dus niet mogen toekomen aan de vraag of het ESM in strijd is met artikel 125 VWEU. Overigens heeft de rechter m.i. terecht geconstateerd dat er geen sprake is van strijd is met de ‘no bail out’-clausule. Maar de daartoe aangevoerde redenen overtuigen niet. De rechter verwijst naar twee passages uit de toelichting bij de goedkeuringsverdrag en maakt de redenering daaruit min of meer tot de zijne. In de laatste passage zegt de minister met zoveel woorden dat de lidstaten de ‘no bail out’-clausule wel moeten negeren omdat het niet steunen van een lidstaat grote gevolgen kan hebben voor de overigen lidstaten en de stabiliteit en doelstellingen van de Unie in gevaar brengt. Een inhoudelijke reden waarom het ESM-verdrag niet in strijd is met de ‘no bail out’-clausule valt daarin niet te lezen. Met dit ‘nood breekt wet’-argument heeft de staat geluk gehad dat hij de rechter mee heeft gekregen. Hoewel ik  niet denk dat een andere voorzieningenrechter alsnog tot strijdigheid zou hebben geconcludeerd, had deze wel vragen kunnen stellen aan het Hof in Luxemburg. In dat geval zou Wilders de goedkeuring waarschijnlijk tot mid-augustus hebben uitgesteld. Het is voorstelbaar dat het Hof van Justitie vragen over de verenigbaarheid van het ESM-verdrag met de ‘no bail out’-clausule zou hebben behandeld in een spoedprocedure. Zo’n spoedprocedure duurt gemiddeld tweeënhalve maand.

Er zijn betere argumenten waarom het ESM Europa-proof is. Zie ik het goed dan verbiedt artikel 125 VWEU afgaande op de tekst slechts de overname van de schulden van een lidstaat door andere lidstaten maar niets weerhoudt hen ervan om aan noodlijdende lidstaten een lening te vertrekken of om hun staatsobligaties te kopen. En dat zijn precies de faciliteiten waar het ESM-verdrag (vooralsnog) in voorziet (artikelen 12 t/m 19 van het verdrag). Daarnaast is het ESM een internationale rechtspersoon en verstrekt het zelf de in het verdrag genoemde faciliteiten (artikel 32 ESM-verdrag). Zelfs als sommige door het ESM verstrekte faciliteiten een schuldovername vormen dan is het ESM aansprakelijk en niet de ESM-leden zelf. Toegegeven, het laatste argument is een tikkeltje formalistisch. De kapitaalschieters van het ESM, de ESM-staten, dragen uiteindelijk wel het risico.

Tot dusver deze Unierechtelijke bespiegelingen over Wilders’ frontale aanval op de machtenscheiding. Maar misschien komt uit deze show wel wat moois voort. Wellicht zal deze ervaring Wilders ertoe bewegen de grondwetswijziging van Halsema tijdens de tweede lezing te steunen (aangenomen dat die tweede lezing er na deze verkiezingen eindelijk eens gaat komen). Wordt de in dat voorstel opgenomen (beperkte) grondwettelijke toetsing ingevoerd dan beschikt Wilders tenminste over een kansrijkere rechtsgang om hem onwelgevallige wetten achteraf af te schieten.

Clark Warren. Student Internationaal en Europees belastingrecht aan de UvA en voormalig student privaatrecht aan de RU.

foto: Freeimagedepot.com

{ 10 reacties… read them below or add one }

1 WV 06/06/2012 om 11:28

Goed stuk Clark

2 RK 06/06/2012 om 13:52

@Clark Warren, je schrijft “De ‘no bail out’-clausule richt zich uitsluitend op de verhouding tussen lidstaten onderling en kent in tegenstelling tot de verdragsvrijheden geen concreet recht toe aan particulieren, ook niet impliciet.” Ik heb altijd moeite met dit soort redeneringen. Een lidstaat is toch een geheel van particulieren, een geheel van burgers. Waarom richt de clausule zich dan niet op de verhouding tussen de burgers van de ene en de andere lldstaat, waarmee dan een concreet recht is aan hen toegekend?

Verder, artikel 263, alinea 4 VWEU luidt: “Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan onder de in de eerste en tweede alinea vastgestelde voorwaarden beroep instellen tegen handelingen die tot hem gericht zijn of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen.” Daaruit volgt toch niet, a contrario, dat artikel 263, alinea 4 VWEU een beroep door particulieren tegen algemene besluiten van Unierechtelijke instellingen zoals de Commissie uitsluit?

3 Martin Holterman 06/06/2012 om 16:09

De Plaumann criteria voor een vernietigingsactie gelden alleen voor, wel, vernietigingsacties, zoals die van Ax. Wat Wilders deed is geen vernietigingsactie maar een onrechtmatige daadsactie. Daar hebben we in het EU-recht ook een hele traditie van, categorie: Frankovich, Factortame II, Brasserie du Pecheur. De Nederlandse staat is aansprakelijk onder art. 6:162 BW voor schade die zij veroorzaakt door het Unierecht te schenden. Mocht een schending van het verdrag en de daardoor veroorzaakte schade dus zijn bewezen, dan wint Wilders. (Nou ja, dan kan hij een schadevergoeding krijgen.)

Voor rechtstreekse werking zou ik niet bij Van Gend & Loos beginnen, want dat is wel erg ver terug, maar bij Defrenne (zaak 43/75). Het lijkt me trouwens zonder meer juist dat de no-bailout clause geen direct effect heeft.

De echte analyse lijkt me te moeten rusten op de oude “pillar wars” zaken zoals de Small Arms Case (zaak C-91/05). Die zaken gaan immers over de vraag of het de lidstaten is toegestaan om iets buiten het (toen-nog) gemeenschapsrecht om te regelen. Het enkele feit dat de no-bailout clause een bailout uitsluit binnen het Unierecht betekent immers nog niet dat zo’n bailout niet in een ander juridisch raamwerk is toegestaan. (IMF?) Dus ik zou deze vraag als een pillar war 2.0 bekijken. Maar ik heb nu helaas geen tijd om daar verder over na te denken.

4 CW 06/06/2012 om 19:52

@MH: goed punt over Frankovich e.d. en dank daarvoor. Je hebt helemaal gelijk dat de vordering van Wilders op dit punt wordt beheerst door de criteria die gelden voor lidstaataansprakelijkheid (maar NIET zoals jij schrijft op basis van 6:162 BW). Omdat mijn post de normaal beschikbare ruimte al ruimschoots had overschreden en de vordering vanwege het ontbreken van directe werking van art. 125 VWEU al struikelde, wilde ik niet verder uitwijden over Francovich en zijn nazaten. Ik vond het al ingewikkeld genoeg zo. Maar nu je het toch aan de orde stelt…

Wilders voert aan dat de goedkeuringswet in strijd is met artikel 125 VWEU. Voor deze met het Unierecht onverenigbare wetgevingshandeling zou de Nederlandse staat aansprakelijk zijn.

De vraag of de Nederlandse staat aansprakelijk kan worden gesteld, wordt materieel niet beheerst door het Nederlandse recht maar primair door het Unierecht omdat het hier gaat om de schending van Europees recht door een lidstaat. Jouw verwijzing naar artikel 6:162 BW is daarom in beginsel onjuist. Hoogstens regelt het nationale recht de procedurele uitwerking en vult het bepaalde voorwaarden waarover de rechtspraak van het HvJ niet veel zegt nader in (met name wat betreft de criteria voor schade en causaal verband). Daarmee is ook het ‘onmiskenbaar onverbindend’-criterium dat rechter Paris aanlegt, manifest onjuist.

Voor aansprakelijkheid is vereist dat a) de schending van het Unierecht gekwalificeerd is; b) er sprake is van schade en c) er sprake is van causaal verband.

Voordat je überhaupt aan de aansprakelijkheidsvraag toekomt, moet je kijken of Wilders deze specifieke schending bij de nationale rechter aan de orde kan stellen. Omdat artikel 125 VWEU in mijn optiek niet rechtstreeks werkt kan de nationale rechter op die vraag niet ingaan.

Daarop loopt de vordering van Wilders m.i. vast zodat aan aansprakelijkheidsvraag niet wordt toegekomen. Dit kan worden afgeleid uit punt 31 van Francovich. Als het verdrag een particulier geen recht toekent, d.w.z. niet rechtstreeks werkt, dan kun je een staat niet voor de schending daarvan aansprakelijk stellen. Dit zou anders zijn als bijvoorbeeld het Hof van Justitie ergens beslist dat het ESM-verdrag inderdaad in strijd is met artikel 125 VWEU. Dan staat de schending vast en dan moet de rechter de hiervoor genoemde criteria aflopen.

But for the sake of argument, let’s continue. Zoals ik al heb gezegd, denk ik niet dat het ESM-verdrag (en dus in het verlengde de goedkeuringswet) de ‘no bail out’-clausule schendt. En zelfs als dat het geval zou zijn dan acht ik het uiterst onwaarschijnlijk dat die schending gekwalificeerd is. Daarvan is pas sprake als bijvoorbeeld een lidstaat ingaat tegen vaste rechtspraak van het Hof van Justitie (zie voor de elementen Brasserie du Pêcheur, punt 56). Nu er afgezien van de door mij genoemde uitspraak van het Gerecht geen Europese rechtspraak bestaat over de ‘no bail out’-clausule bestaat er over de precieze inhoud geen duidelijkheid. Een schending van art. 125 VWEU zal daarom niet snel als gekwalificeerd gelden, lijkt mij.

Geen kans op een gekwalificeerde schending dus. Daarnaast is voor lidstaataansprakelijkheid vereist dat de klagende particulier schade heeft geleden. De goedkeuringswet is nog niet aangenomen dus daar gaat het al mis omdat voor zover mij bekend een lidstaat alleen aansprakelijk kan worden gesteld als er een schending is geconstateerd, d.w.z. achteraf.

Maar om het interessant te houden: wat is de (mogelijke) schade specifiek voor bezorgde burger Wilders? Het is in beginsel de staat zelf die schade lijdt doordat het geld stort in iets waartoe het niet kan worden verplicht. Dus heeft Wilders als belastingbetaler dan recht op 2500 (=40 miljard (Nederlandse inbreng ESM)/16 miljoen (+/- aantal inwoners van Nederland))? Dit is typisch een voorbeeld van afgeleide schade die in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking komt (en dit juist zo’n geval waar bij gebrek aan jurisprudentie van het HvJ wij te rade moeten gaan bij wat de Nederlandse HR ervan vindt; Poot/ABP gaat weliswaar over de aandeelhouders van vennootschappen maar lijkt mij ook voor deze situatie toepasselijk). Als dat mag dan zouden alle Nederlandse belastingbetalers een class action kunnen instellen voor elke keer dat de Staat wordt benadeeld .

Nu er geen sprake is van rechtens te vergoeden schade zou het vaststellen van een causaal verband een oefening zijn in luchtfietsen. Daarmee is het lidstaataansprakelijkheidsverhaaltje uit (en de vordering nog harder afgewezen dan die al was). Wie echt wil weten hoe het zit, verwijs ik naar de bijdrage van Sieburgh in het eerste deel van de Nijmeegse bundel ‘De invloed van het Europese recht op het Nederlandse privaatrecht’. Over lidstaataansprakelijkheid is ook een proefschrift verschenen van de hand van R. Meijer.

Tenslotte, jouw opmerking over de Pillar Wars. Ik ken die arresten niet en weet dus ook niet wat ik daarop moet antwoorden. Op het eerste gezicht twijfel ik wel aan de betekenis daarvan voor deze zaak omdat de pijlerstructuur na Lissabon is afgeschat. Ik zal er naar kijken.

5 Martin Holterman 06/06/2012 om 20:47

Om e.e.a. een beetje beheersbaar te houden qua lengte, een antwoord in delen:

Re: Pillar wars.

Die arresten gingen over de vraag of iets dat arguendo door het Gemeenschapsrecht (dwz de toenmalige first pillar) wordt beheerst toch nog buiten het Gemeenschapsrecht om kan worden geregeld, bij voorbeeld via de toenmalige 2e en 3e pilaar. Alhoewel die pilaren min of meer zijn afgeschaft, komen dergelijke zaken nog steeds wel voor: http://register.consilium.europa.eu/pdf/fr/12/st07/st07690.fr12.pdf.

Deze situatie lijkt me analoog aan de vraag of iets dat al dan niet door het Unierecht wordt beheerst ook via een nieuw verdrag kan worden opgelost. In casu is het het verschil tussen de stelling dat art. 125 TFEU de lidstaten iets verbiedt qua lidstaat, en de stelling dat art. 125 TFEU de lidstaten iets compleet verbiedt.

6 Martin Holterman 06/06/2012 om 21:01

Re: art. 6:162 BW als rechtsbasis.

Het lijkt me toch wat vreemd om te zeggen dat een Frankovich-claim niet rust op art. 6:162 BW (of een andere bepaling van Nederlands recht), maar direct op Unierecht. In Frankovich zegt het hof:

35 It follows that the principle whereby a State must be liable for loss and damage caused to individuals as a result of breaches of Community law for which the State can be held responsible is inherent in the system of the Treaty.

36 A further basis for the obligation of Member States to make good such loss and damage is to be found in Article 5 of the Treaty, under which the Member States are required to take all appropriate measures, whether general or particular, to ensure fulfilment of their obligations under Community law. Among these is the obligation to nullify the unlawful consequences of a breach of Community law.

Me dunkt dat de Lidstaat Nederland aan deze verplichting gevolg geeft via art. 6:162 BW. Dat is de bepaling die je materieel inroept als je je claim op Frankovich, etc. rust. Het is simpelweg aan de Nederlandse rechter om die bepaling van Nederlands recht dusdanig te interpreteren dat alle Frankovich-claims eronder kunnen vallen.

Op die manier is ook heel simpel uit te leggen waarom Wilders geen zaak heeft. Nog afgezien van het feit dat het doel van een Frankovich-actie is om “de rechten van burgers onder het Gemeenschapsrecht” te beschermen, is daar simpelweg de relativiteitseis van art. 6:163 BW.

7 Martin Holterman 06/06/2012 om 21:07

P.S. Een stukje voortschrijdend inzicht. Dit:

Mocht een schending van het verdrag en de daardoor veroorzaakte schade dus zijn bewezen, dan wint Wilders. (Nou ja, dan kan hij een schadevergoeding krijgen.)

klopt dus niet. (Daar had ik even voor moeten bijlezen/nadenken.)

8 CW 06/06/2012 om 21:47

Dat art 6:162 niet de rechtbasis vormt voor lidstaataansprakelijkheid volgt uit punt 35 van door jou net geciteerde Francovich. Het Unierecht zelf is de rechtsbasis en niet het nationale recht. Neemt niet weg dat de rechter bij de beoordeling zich inderdaad zoals jij zegt vooral zal oriënteren op 6:162 BW en die bepaling Unierechtconform zal invullen. Het is dus een beetje een kwestie van semantiek.

En tja, de relativiteitseis. Dat lig in dit verband nogal ingewikkeld. Het Unierecht stelt die eis niet; het Nederlandse recht wel. Normaal zal de relativiteits geen probleem opleveren omdat diegene die zich op de schending van Europees recht beroept wordt beschermd door de geschonden Unierechtelijke norm. Maar dat hoeft niet het geval zijn en dan is het de vraag of de relativiteitseis aansprakelijkheid kan blokkeren. Het Unierecht heeft voorrang en kent geen relativiteitseis dus dan zal de relativiteitseis vervallen (kan ook worden gezien als Unierechtconforme uitleg) omdat anders een zwaarder aansprakelijkheidsregime zou gelden dan op basis van het Unierecht. En dat laatste zou het effet utile dwarsbomen.

De rechter zal zich moeten beperken tot de criteria die uit het Unierecht zelf voortvloeien en mag daarom de vordering niet afwijzen enkel op grond van de relativiteitseis. De Unierechtelijke criteria leiden hier alsnog tot afwijzing van de vordering, dus het heeft voor dit geval een hoog lood om oud ijzer-gehalte. Maar ja daarvoor zijn wij ook juristen.

Zie uitgebreider over de relativiteiteis bij lidstaataansprakelijkheid de bijdrage van Sieburgh in ‘Ex Libris Hans Nieuwenhuis’.

p.s. bij voortschrijdend taalinzicht: ‘uitwijden’ moet natuurlijk ‘uitweiden’ zijn (en er zal nog wel aan de hand zijn bij het snel neerpennen van reacties).

9 Filip S. 07/06/2012 om 13:31

Ik probeer te begrijpen waarom het unierecht de rechtsbasis voor het voeren van dit proces is i.p.v. onrechtmatige daad a la 6:162 BW, wat is de zaak in essentie:

– De zaak draait toch erom dat Wilders wil dat de indiening/ondertekening door de regering van het door de Tweede Kamer goedgekeurde verdrag een onrechtmatige daad oplevert.

– Wetgeving in NL mag niet door de rechter getoetst worden aan de grondwet, maar wel aan een ‘ieder verbindende bepaling’, dat zou eventueel een onrechtmatige daad zou kunnen opleveren.

– Rechter Paris oordeelt (inderdaad foutief) dat art 125 WVEU wel degelijk rechtstreekse werking heeft en toetst het ESM vervolgens aan 125 WVEU. Dat had niet gemoeten, daar heeft CW een punt en dat dan de oordelen van de rechter niet overtuigen heeft hij nog een punt.

Zo’n zaak voer je toch o.b.v. art 6:162 BW en niet o.b.v. de n-contractuele aansprakelijkheid van de lidstaten aangaande het Unierecht ? Dat lijkt me een beetje vergezocht.

Als we dan kijken naar het tweede aspect of het ESM in strijd is met de bail-ou clause uit art 125 WVEU dan dienen we de trits van jurisprudentie sinds ERTA (1970) te bekijken.

Kortgezegd bepaalde het Hof in ERTA dat de lidstaten niet meer buiten de Europese Commissie om deel mochten nemen aan een verdrag, aangezien dit deel van het gemeenschapsrecht geharmoniseerd was (ERTA was in feite door het tijdstip een hybride-uitspraak, formeel niet, maar materieel wel).
Sindsdien heeft het Hof zich in talloze zaken (wapenhandel, tarieven, milieu, GATT) over dit soort grenzen a.g.v. primair en secundair gemeenschapsrecht van internationale bevoegdheden van de Gemeenschap en de lidstaten uitgelaten (Eeckhout 2011 is een mooi startpunt van de analyse). Het zou heel goed kunnen zijn dat de trits zaken die MH aanhaalt ook op dit principe voortborduren, maar meer letten op de demarcatie tussen de pijlers en de bevoegdheden van de instituties hierbinnen.

Er zitten natuurlijk wel een aant.al struikelblokken in (zoals het reeds aangehaalde verschil tussen de directe bail-out en de bedoeling van het ESM) en natuurlijk kan een natuurlijk persoon hierover niet bij het hof procederen. O.g.v. o.a. loyaliteit zou de Europese Commissie zo’n zaak aanhangig kunnen maken, maar de neusen lijken wat dat betreft dezelfde kant op te staan.

10 Martin Holterman 07/06/2012 om 14:39

@Filip: ERTA is een interessante verwijzing. Het is een van de drie klassieke zaken over impliciete bevoegdheden (samen met opinie 1/76 en de WTO-opinie), maar inderdaad is het als zodanig een zaak die de lidstaten verbiedt iets buiten het Unierecht om te regelen.

Uit mijn hoofd parafraserend – lang geleden afstudeerscriptie – was de gedachte dat een bevoegdheid van de lidstaten om verdragen te sluiten op een gebied waar de EG intern bevoegd was (i.c. verkeer op de weg) ertoe zou leiden dat interne EG-wetgeving via verdragen door individuele lidstaten ongedaan zou kunnen worden gemaakt. Ik denk niet dat dat rechtstreeks op het ESM van toepassing is, maar het zou interessant zijn om te kijken hoe het Hof dat destijds beargumenteerd heeft.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: