Het Leidsch Experiment

door Redactie op 11/05/2010

in Decentralisatie

De Leidse lokale politiek begint – net als zoveel andere – met frisse moed aan een nieuwe collegeperiode waarin alles anders en beter moet gaan worden. Daarvoor is in de Sleutelstad een college van D66 (grote winnaar van de verkiezingen) VVD, SP, en CDA aangetreden. Deze ongewone combinatie hangt samen met een zogenaamd ‘bestuursakkoord‘, dat door alle partijen werd ondertekend. Beelden van de ondertekeningsceremonie zijn duidelijk in de beeldtaal van de hoogtepunten uit de de Amerikaanse en vaderlandse constitutionele geschiedenis en drukken zo de hooggespannen verwachtingen uit. Die verwachtingen variëren van het gebruikelijke ‘meer openbaarheid’ en ‘minder achterkamertjes’  tot simpelweg ‘geen PvdA’ en ‘net zo lang naar de stad luisteren totdat burgers uit eigen beweging een snelweg in hun achtertuin aanleggen.’

Wat er van al die verwachtingen gaat worden, moeten de daarin geïnteresseerden maar op de daaraan gewijde sites vernemen. De meest onderhoudende is die van Peter Bootsma en de meest centrale en professionele die van de Leidse PvdA. Eén aspect van de Nieuwe Leidse Samenwerking verdient echter hier aandacht, namelijk de wens om met wisselende meerderheden te gaan werken. In Leiden komt die wens voort uit de nogal scherpe tegenstellingen tussen coalitie en oppositie. Voor oppositiepartijen geldt elk collegevoorstel als waardeloos en een ramp voor de stad, terwijl de collegepartijen niet veel meer doen dan hun partij vertolken vanaf vooraf door het college uitgereikte bladmuziek en elkaar wederzijds onder druk zetten om amendementen van de oppositie af te stemmen. Deze valkuilen worden mogelijk minder diep wanneer een partij niet of veel minder ‘oppositiepartij’ is, omdat de rollen constant wisselen. Dat vereist natuurlijk een ‘cultuurverandering’, maar er valt ook aan de institutionele structuur het nodige te knutselen.

In het Bestuursakkoord zijn een paar oude bekende coalitie-technieken afgeknepen. De kern daarvan is het isoleren van het gebruik van de vertrouwensregel. In de eerste plaats mag die niet gebruikt worden binnen de zogenaamde ‘kaderstellende rol’ van de raad. Dat is de gebruikelijke techniek waarbij een collegepartij dreigt met het opzeggen van het vertrouwen in de wethouder van een andere partij om zo een inhoudelijke beleidswens door te drukken. Deze gewoonte maakt van de interpretatie van het coalitieakkoord een permanent wedstrijdje armworstelen, waartussen oppositiepartijen geen schijn van kans meer maken. In plaats daarvan moeten fracties volgens het Bestuursakkoord in de raad zelfstandig hun gedachten vormen en een meerderheid vormen. Dit kan dan zo ver gaan dat een wethouder besluiten moet uitvoeren die zijn geestverwanten in de raad niet steunden. Om de natuurlijke voorsprong van collegepartijen te compenseren is het college bovendien opgedragen om bij kwesties waarover verschil van mening bestaat, de raad met verschillende opties tegemoet te treden.

De tweede beperking van het gebruik van de vertrouwensregel is dat de coalitiepartijen binnen de zogenaamde ‘controlerende rol’ van de raad elkaar niet in de houdgreep mogen nemen als het om het behoud van de eigen wethouder gaat. Dat is de gebruikelijke techniek waarbij een partij het lot van zijn eigen wethouder verbindt met die van de andere partijen en zo de prijs opdrijft voor een daadwerkelijk doorbijten van de raad.

In de meest ver doorgevoerde variant van deze gedachte bestaat er geen inhoudelijk coalitieakkoord. Dat heeft de Leidse politiek niet aangedurfd. Maar het is wel gebleven bij een akkoord dat in ieder geval in aantal woorden beperkt is gebleven. Dat moet ook wel, want als er voor vier jaar akkoorden worden gesloten op alle onderwerpen dan kan de meerderheid niet meer wisselen, omdat die al voor vier jaar vast ligt.

Op Wat stemt de Leidse Raad zullen we volgen of op belangrijke vraagstukken ook inderdaad wisselende meerderheden ontstaan. Vooraf zien wij in ieder geval deze ‘succesfactoren’:

1. Het beleidsakkoord is weliswaar dun, maar op onderdelen vaag. Bovendien bevat het meer wensen dan er geld zal zijn, zodat er nog aanvullend gekozen zal moeten worden bij de verschillende begrotingen. Daarmee ontstaat het gevaar dat coalitiepartijen een ruime uitleg geven aan het akkoord, elkaar niets gunnen en zo elkaar weer steeds steviger in de houdgreep nemen.

2. Stevig gerunde coalitiesamenwerking heeft veel nadelen, maar ook voordelen. Het stelt het college in staat om de raad tot een zekere financiële discipline te dwingen. Bij wisselende meerderheden bestaat het gevaar dat partijen zich overal melden als voorstander van kostbare plannen maar zich niet gevoelig tonen voor bezwaren tegen de dekking ervan. In de begrotingscyclus moeten raadsfracties zich dan ook bereid tonen om zich te voegen naar de financiële vertaling van hun eigen besluiten. Voor zover de begroting een vertaling van eerdere besluiten is, kunnen fracties daar dan eigenlijk niet meer – om politieke redenen – tegenstemmen.

3. Stevige kennis van de begroting is één van de machtigste politieke wapens. Wie niet weet waar het geld zit, ziet zijn initiatieven sneuvelen op het verwijt dat het ongedekte plannen zijn. Wie wel ontdekt heeft waar geld gaat overblijven of welk spaarpotje eigenlijk geen doel meer dient, is in staat dit verwijt te pareren. Uiteraard doet dit voordeel zich eerder bij collegepartijen voor, omdat die geadviseerd kunnen worden door geestverwante wethouders. Een cruciale factor in de Nieuwe Leidse Samenwerking is dan ook het op een neutrale wijze ‘democratiseren’ van begrotings-kennis. Een partij zonder wethouder in het college, die een meerderheid zoekt voor een politieke wens, moet serieus geholpen worden bij het zoeken naar mogelijke dekkingen. De wethouder Financiën moet eigenlijk een soort financiele burgemeester worden, die gezaghebbend afstand kan nemen van politieke tegenstellingen. Juist op de post financiën is echter een nieuwe wethouder aangetreden. Het valt te hopen dat hij snel kan tippen aan het gezag van zijn voorganster dat – naar bronnen die het kunnen weten beweren – zeer hoog was.

4. Overspannen openbaarheidsverwachtingen kunnen een belemmering gaan vormen. Het vinden van een meerderheid vereist onderhandeling, en onderhandelingen vereisen een zekere mate van vertrouwelijkheid. Dat deze behoefte aan vertrouwelijkheid zal blijven bestaan, volgt wel uit het feit dat het huidige beleidsakkoord zowel dun is, als achter gesloten deuren tot stand gekomen. Als het dun is, betekent het dat er in de toekomst ook nog over aanvullende onderwerpen zal moeten worden onderhandeld. Als het dunne akkoord vertrouwelijk tot stand moest komen, valt niet in te zien waarom de rest alleen nog maar in de openbaarheid bediscussieerd mag worden. Vertrouwelijkheid is ook niet erg. Het gaat niet om het bestrijden van de achterkamertjes per se. Het mag alleen niet meer voorkomen dat daar een meerderheid van telkens dezelfde partijen tot stand zal komen.

5. Het vinden van een meerderheid kan via een compromis. Een flat wordt dan niet 25, maar 22 meter hoog. Er is nog een andere manier, namelijk de echte politieke koehandel. Er wordt dan in een theater geïnvesteerd, maar dan moeten er ook urinoirs in de stad komen. Dit soort uitruil is even onvermijdelijk als onderdeel van het spel. Tegelijk is hij gevaarlijk voor de wisselende meerderheden. Als partijen veel onderwerpen met elkaar verknopen ontstaat een meerderheid die zich over zoveel onderwerpen en jaren uitstrekt, dat er niet veel meer te wisselen valt.

6. Fracties en partijen met een wethouder in het college moeten zich niet te veel identificeren met het college. Dat college, of zelfs de eigen wethouder, kan immers beleid moeten uitvoeren dat de fractie in de raad verwerpt. De Nieuwe Leidse Samenwerking veronderstelt dan ook eigenlijk dat het politiek leiderschap van partijen zich in de raad bevindt. In de Leidse raad is dat – op één uitzondering na – ook daadwerkelijk het geval. Daarmee wordt voorkomen dat er een natuurlijke meerderheid ontstaat van politieke leiders die elkaar wekelijks op de collegevergaderingen (en hopelijk vaker) tegenkomen.

Worden deze – en andere – valkuilen voldoende vermeden, dan achten we echter een redelijke kans aanwezig dat meerderheden inderdaad gaan wisselen. Leiden zou dan een oud constitutioneel ideaal verwezenlijken. A little step for mankind, but a giant leap for Leiden.

Wouter den Hollander en Geerten Boogaard

{ 3 reacties… read them below or add one }

1 Arjan Stoffels 14/07/2012 om 22:21

Ruim 2 jaar na de verkiezingen wellicht tijd voor een evaluatie? Want het college is onlangs bijna uitelkaar gedonderd (dat durfde men niet aan omdat dan ook GS van ZH om zou vallen), maar het lijkt geen heel erg lang leven meer beschoren. Fractievoorzitter Van Meenen vlucht naar de TK en laat (D66) Leiden met de troep achter.

2 GB 16/07/2012 om 14:45

Dat lijkt me bijzonder leuk om te doen. Ik ben alleen niet zo heel goed meer ingevoerd. U kennelijk wel. Heeft u een voorzet?

3 Arjan Stoffels 01/02/2013 om 23:25

Voorzet… kop koffie doen?! Ik ga ervan uit dat mijn mailadres bekend is, aangezien ik dat in moet vullen. En anders lees ik de reactie over enige tijd wel weer.

In elk geval is duidelijk dat het experiment maar ten dele geslaagd is. Zo is spenderen met wisselende meerderheden geen probleem, maar blijkt bezuinigen te vaak alleen te kunnen steunen op wisselende minderheden.

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: