Het ophelderingspercentage

door IvorenToga op 05/03/2013

in Rechtspraak

Post image for Het ophelderingspercentage

We zouden het, schreef ik in mijn vorige column, nog een keer hebben over het ophelderingspercentage. Dat merkwaardige cijfer dat meer verhult dan het opheldert. Dat in de jaren 60 van de vorige eeuw nog zo rond de 50% schommelde, in 2000 een dieptepunt van 14% bereikte en nu zo rond de 24 ligt. Dat percentage dat in Duitsland twee keer zo hoog is als in Nederland maar dat je niet zomaar kunt vergelijken. Dat getal waar allerlei misdrijven in zitten waaraan niets valt op te helderen zoals dronken rijden. Dat een gemiddelde vormt van o.a. delicten als winkeldiefstal en zakkenrollerij. Bij het eerste hoeft de politie de vermoedelijke dader meestal alleen maar op te halen hetgeen tot een ophelderingspercentage van 80 % leidt. Bij het tweede, waar de dader niet of nauwelijks is te vinden blijft het op 2% steken. Dat cijfer dat met 60% bij geweldsdelicten relatief hoog ligt omdat daar meestal wel een dader indicatie is maar dat bij de vermogensdelicten zonder winkeldiefstal ruimschoots onder 10% uitkomt. Die maatstaf dus die niets zegt over de (gemiddelde) effectiviteit van de opsporing en voor veel delicten afzonderlijk evenmin. Dat gekke getal waarvan al herhaaldelijk is voorgesteld om het af te schaffen maar dat desondanks voortleeft en waarover de politiek zich, zonder de feiten te kennen, blijft opwinden als het zich weer, zoals nu, in een neergaande beweging bevindt.

Dat getal bovendien dat ook niets zegt over de kwaliteit van de opsporing omdat de feiten die het OM seponeert en waarvan de rechter vrijspreekt er ook in verdisconteert zijn (als je die zou weglaten, zou het tot net boven de 20% zakken). Die maatstaf dus waarmee eigenlijk geen enkel aspect van de opsporing zinvol kan worden gemeten en die dus moet worden afgeschaft.

Er zijn betere manieren om de kwaliteit van de opsporing te meten. Ik zal hieronder een eerste aanzet geven. Opsporen is geen doel op zich, maar dient er volgens art 132a van het Wetboek van Strafvordering toe strafvorderlijke beslissingen te nemen die dan vervolgens tot een interventie van het OM of de rechter kunnen leiden. Zo’n interventie is niet alleen voor de verdachte bedoeld. Weliswaar is hij de aanleiding en het object ervan, maar het doel van de strafrechtelijke reactie reikt verder. Ook de andere “klanten” van het strafrechtelijk bedrijf moeten worden bereikt en bediend. Zo moet aandacht worden besteed aan de behoefte van het slachtoffer om genoegdoening te krijgen voor wat hem is aangedaan, aan het afschrikken van potentiële daders via de generaal preventie werking van de straf en aan het bevestigen van de normen bij de “law abiding citizens”, in goed Nederlands de brave burgers. Die laten het plegen van delicten achterwege omdat ze de normen die ze daardoor zouden overtreden hebben geïnternaliseerd; de potentiële daders hebben die norm overboord gezet en wegen kosten en baten af bij het eventueel plegen van een delict. Het totaal van al die effecten zou je de opbrengst van de handhaving kunnen noemen.

Maar daarmee is het concept van de kwaliteit nog allerminst compleet.

Om de gewenste effecten te bereiken, moet de interventie, net als andere “producten” aan kwaliteitseisen voldoen. Dat zijn er naar mijn mening minstens vier. Om te beginnen mag de kans op een interventie niet te klein zijn. Daarnaast moet de interventie zo spoedig mogelijk na het delict plaats vinden. Daar valt, zoals ik eerder heb betoogd nog veel te verbeteren vooral bij de appelrechtspraak. Dan moet de interventie voldoen aan de normen van rechtvaardigheid die in het Wetboek van Strafvordering en elders zijn vastgelegd. En tenslotte moet de strafrechtelijke reactie een zekere strengheid hebben. Je kunt bv. geen geldboete opleggen voor een ernstig geweldsdelict, maar ook geen lange gevangenisstraf voor een kleine winkeldiefstal.

De combinatie van klanten en kwaliteitsaspecten levert een soort matrix op, waarin, letterlijk, alle aandachtsvelden die bij het plegen van een interventie van belang zijn, worden aangegeven. Aan de hand daarvan kan bijvoorbeeld de kwaliteit van de opsporing worden gemeten.

Een maximale handhavingopbrengst wordt naar mijn mening bereikt als al die velden van de matrix in ogenschouw worden genomen bij het tot stand komen van de interventie. Staatssecretaris Teeven houdt zich nu bezig met het veld slachtoffer/strengheid. Zo’n matrix ziet er dan als volgt uit:

Zekerheid/pakkans Snelheid Rechtvaardigheid Strengheid
Dader
Slachtoffer
Potentiële dader
Brave burger

 

Wanneer de kwaliteit van de opsporing aan de hand hiervan gemeten wordt, is de vraag gerechtvaardigd of bij de opsporing op al deze kwaliteitseisen acht wordt geslagen. In de z.g. Aanwijzing voor de Opsporing, waarvan de eerste versie dateert uit 2003, doet het OM een poging om de politie te sturen bij het maken van een verantwoorde keuze uit de veelheid van delicten die er zijn geregistreerd. De ernst van het strafbare feit is daarbij vanzelfsprekend een belangrijk criterium. Ook de inspanning die de politie moet leveren om een dader te vinden weegt mee. Dat leidt er naar mijn mening toe dat de politie opspoort wat onder geen beding kan blijven liggen en verder veel laaghangend fruit plukt. Veel misdrijven waaraan weinig valt op te helderen; weinig waarbij dat wel het geval is. Zo vormen de verkeersmisdrijven die doorgaans eenvoudig zijn te constateren maar liefst 17.7% van de bij het OM ingeschreven delicten; van alle “opgehelderde” diefstallen – 20 verschillende categorieën in totaal – bestaat 45% uit slecht één categorie te weten winkeldiefstal en dat terwijl dat delict slechts ruim 6% uitmaakt van alle geregistreerde diefstallen. In contrast daarmee wordt in nog geen 7% van de woninginbraken een dader gevonden.

Het is derhalve niet teveel gezegd dat bij de opsporing nog te weinig aandacht wordt besteed aan de vraag hoe de opbrengst van de handhaving kan worden gemaximaliseerd en dat is jammer. Er is dus wel wat aan te merken op de kwaliteit van de opsporing, maar dat is niet omdat het ophelderingspercentage zo laag is.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie

Deze post is de onderdeel van een reeks bijdragen over de rechtspraak en de organisatie daarvan die tegelijk hier en op de blog IvorenToga.nl verschijnen. Reacties worden gesynchroniseerd.

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 M. Hagen 05/03/2013 om 13:54

Gaat het nu om de (intrinsieke) kwaliteit van het opsporingsproces of gaat het over de keuzes die gemaakt worden rondom het prioriteren van (categorieën van) zaken? Het eerste is primair een verantwoordelijkheid van de politie; het laatste ligt vooral bij het OM. Ik deel overigens de kritiek op de huidige beperkingen van het ophelderingspercentage als maatstaf voor het functioneren van de rechtstaat. Misschien moeten we een aparte benoemen voor high impact crime.

2 a.zecha 01/04/2013 om 00:51

Een citaat als opstap naar een reactie: “Dat (het ophelderings-) percentage dat in Duitsland twee keer zo hoog is als in Nederland maar dat je niet zomaar kunt vergelijken”
Er wordt ook gezegd dat “appels en peren niet zomaar met elkaar kunnen worden vergeleken”. Om de waarheid te helen zou het goed zijn om dan ook te vermelden hoe dan wèl kan worden vergeleken. Bovendien is het een beproefde wetenschappelijke methode om “appels met peren” te vergelijken. Kort samengevat is het m.i. een “politiek” bezwaar die burgers hebben doen vergeten om verder te kijken dan hun neus lang is.
Indien door onze partijpolitici in de regering en Staten Generaal/of door journalisten uit de media worden verkondigd dat “wij” in een “gidsland” leven of dat “wij” tot een “nuchter” volk behoren geldt m.i. hetzelfde als opgemeld.

Hetgeen over het “ophelderingspercentage” is gezegd en nog te zeggen valt geldt eveneens en m.i. meer nog voor het containerwoord “kwaliteit”.
Mijns inziens bieden containerwoorden ontegenzeggelijk zeer vele voordelen, hetgeen m.i. onder meer kan worden “afgemeten” aan de gebruiksfrequentie van zulke woorden.

Het onderhavig artikel geeft m.i. een schuchtere aanzet om “kwaliteit” in een concept te kaderen. Hierbij kan bijvoorbeeld aan “filosofische”, “levensbeschouwelijke”, “morele”, “materiële”, “geldelijke”, etc. etc. kaders worden gedacht naast enkel en alleen een strafrechterlijk kader. Welke basiselementen worden bijvoorbeeld gebruikt voor een concept over “kwaliteit” in de (straf) rechtspraak? Behoren zij tot een politieke korte termijn visie die herhaaldelijk wordt gewijzigd of tot een dogma? Etc., etc…. .
Deze basiselementen kunnen ook worden gebruikt bij vaststelling van gewenste criteria bij toepassing(en), meting(en) en evaluatie(s).
Mijns inziens is er nog een lange humane weg te gaan tenzij onze progressieve politieke onderwerping aan humane machten worden bijgetreden of worden vervangen door die van hyper-super-snelle-computers, robots en androïden. Met het aanleggen en gebruik van vele ongekende “databases” hopen “rupsjes-nooit-genoeg” m.i. een totale macht over burgers te krijgen.
a.zecha

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: