Het Reglement van Orde bepaalt niet de formatie, maar omgekeerd!

door Ingezonden op 22/03/2012

in Haagse vierkante kilometer

Post image for Het Reglement van Orde bepaalt niet de formatie, maar omgekeerd!

Het is de Kamerleden Schouw en Van der Ham (D66) gister gelukt om een meerderheid te verwerven voor hun initiatiefvoorstel, een zeer ruime zelfs: alleen CDA, VVD en de kleine christelijke partijen steunen het voorstel niet. De stemming erover is een formaliteit: 27 maart 2012 zal de geschiedenis ingaan als de dag van de door de Kamer te kiezen (in)formateur(s).

De steun van de SP is binnengehengeld met een breed ondertekend amendement. Ondanks de dag uitstel waarmee dit debat plaatsvond wees Van der Staaij (SGP) er terecht op dat er wetstechnisch broddelwerk was geleverd. Want sinds wanneer worden amendementen niet meer gewoon eerst keurig ingediend en kunnen leden er vervolgens op reageren? Een amendement van Ineke van Gent (GL) ‘waarde rond’, zoals een van de initiatiefnemers meldde, maar werd in het debat niet bekendgemaaakt, en was dus slechts bekend bij de deelnemers aan het debat. Die status heeft het, voorzover ik kon nagaan, nog steeds: Kamerstuknummer 32 759 nr. 8 is na het debat nog steeds een spookstuk. In de gemeenteraad van Leiden, zo kan ik uit eigen ervaring melden, hamert de burgemeester eenieder die durft te spreken over een amendement dat nog niet is ingediend genadeloos af – en terecht, anders krijgt men het soepje dat de Kamer er helaas van maakte. Affijn, de laatste versie die te achterhalen viel maakt de essentie wel duidelijk: uit het debat over de verkiezingsuitslag (acht dagen na de verkiezingen) hoeft nog geen informateur tevoorschijn te komen, dat mag nog een weekje langer duren. Dat was kennelijk genoeg voor steun van de SP.

Belangrijker is een andere vraag die Van der Staaij stelde. Het debat maakte duidelijk – de indieners zeiden dat met zoveel woorden – dat deze wijziging van het Reglement van Orde een grote verandering beoogt. De bedoeling is om het staatshoofd buitenspel te zetten en daar is de nieuwe tekst in het Reglement van Orde ook geheel op toegesneden. Schouw wees erop dat de Kamer dat recht heeft. In de door hem geciteerde notitie over het Koningschap van toenmalig premier Kok, inmiddels overgenomen door Rutte, staat dat de Kamer daar geheel zelf over gaat. Dat laat de Kamer nu dus zien.

Van der Staaij trok de geldigheid van de herziening in twijfel, met als argumenten dat de Raad van State en de regering er niet iets van hadden mogen vinden. Dat lijkt mij vergezocht: zolang het staatshoofd formaliseert wat de Kamer bedacht heeft omtrent de keuze van een (in)formateur is er weinig aan de hand, en zij zal wel link uitkijken iets anders te vinden dan een Kamermeerderheid. Het Reglement van Orde is een regeling ‘sui generis’, hetgeen betekent dat de Kamer er als enige over gaat, en alle anderen niet.

Veel interessanter vind ik de vraag of de Kamer zich zal houden aan wat zij zichzelf nu oplegt: bepalen wie er (in)formateur wordt. Van der Staaij vatte dat dilemma als volgt samen: ‘Het merkwaardige doet zich nu voor dat het al kan, maar omdat het niet werkte en ook deze Kamer het niet heeft gedaan, gaan we het nu de volgende Kamer verplicht stellen.’

De traditie was altijd dat herzieningen van het Reglement plaatsvonden aan het eind van een kabinetsperiode: een up-to-date Reglement van Orde werd zo in feite ‘klaargezet voor de nieuw gekozen Kamer. Die traditie lijkt echter stilletjes gesneuveld. Van der Staaij opperde zelfs dat de eerste daad van de nieuwgekozen Kamer kan zijn om het Reglement van Orde maar weer te veranderen. En hij wees op artikel 154 ervan: ‘De Kamer kan te allen tijde besluiten van de bepalingen van dit Reglement af te wijken, indien geen der leden zich daartegen verzet (…)’.

Daar staat niet bij wat er moet gebeuren als bijvoorbeeld één lid een andere interpretatie van het Reglement van Orde heeft dan de overige 149. Aangenomen mag worden dat dan de meerderheid wel zal besluiten. De traditie dat wij het aldus politiseren van de spelregels in Nederland nogal eng vinden (waarom eigenlijk?) bestaat (nog) wel. Het is echter ook niet denkbeeldig dat er bij de volgende formatie een revolutie zal plaatsvinden louter en alleen omdat niemand zich op grond van dat artikel zal melden: op die grond is er wel vaker afgeweken van het Reglement van Orde, zelfs over de formatie.

Misschien biedt het volgende een troost voor zowel Van der Staaij en de andere tegenstanders, als voor de voorstanders van het voorstel, afhankelijk van wie van hen dat het beste zal blijken uit te komen na de volgende verkiezingen.

De laatste belangrijke verandering in de werkwijze in de Nederlandse kabinetsformatie dateert van 1994. Toen besloot de Kamer voor het eerst tot een debat met de informateurs; dat waren er toen drie tegelijk, namelijk Klaas de Vries, Gijs van Aardenne en Jan Vis. Sedertdien zijn debatten met informateurs heel gewoon geworden (hoewel ze ook weer niet standaard plaatsvinden). Dat een blijvende verandering in het formatieproces door min of meer toevallige omstandigheden van het moment werd ‘uitgevonden’ en wegens succes werd geprolongeerd is vaker gebeurd. Ook het optreden van de eerste formateur in 1848, en dat van de eerste informateur in 1951, vertonen er duidelijke sporen van.

Historisch bezien is het dan ook onwaarschijnlijk dat Reglement van Orde de formatiepraktijk zal vormen. Het omgekeerde past eerder bij de Nederlandse formatie-traditie (maar ja, bestaat die nog wel?) Zo werd in het genoemde debat in 1994 de richting van het vervolg van de formatie – nu zo vurig bepleit – inderdaad heel duidelijk. Die was toen: voorlopig geen paarse coalitie. Daarvoor was overigens niet de aanwezigheid van de informateurs essentieel, maar die van de fractievoorzitters van de twee grootste partijen, Kok en Bolkestein, die elkaar zodanig in de haren vlogen dat de keus voor de meer neutrale informateur Tjeenk Willink daarna onomstreden was.

Wat er in 1994 in het Reglement van Orde was opgenomen over de mogelijkheid om informateurs uit te nodigen naar de Kamer te komen, vraagt u? Niets…

Peter Bootsma

{ 3 reacties… read them below or add one }

1 CH 22/03/2012 om 09:39

Helemaal met je eens dat de meest interessante vraag is of de Kamer zich zal houden aan wat zij zichzelf nu oplegt. Het antwoord op die vraag vermoeden we wel, maar weten doen we voorlopig helaas nog niks…

Ondertussen gaat het dan vooral over de vraag wat het RvO vermag. Van der Staaij’s suggestie dat de nieuwe Kamer als eerste daad het reglement kan wijzigen, klinkt als gedreig van een slecht verliezer – maar laat tegelijkertijd ook zien hoezeer het reglement in rommelig vaarwater terecht is gekomen.

Inderdaad heeft de parlementaire cultuur iets tegen te sterke politisering van de spelregels. Sinds eind negentiende eeuw is het not done de regels in elke politieke machtsconstellatie opnieuw te veranderen – trekje van een sterk gefragmenteerd bestel. In Duitsland wordt het RvO wél elke nieuwe zitting formeel vastgesteld.

Dat het RvO een verordening sui generis is, wil óók zeggen dat het niemand anders kan binden dan de Kamer zelf. In de loop der tijd is daar al steeds meer de hand mee gelicht – ministers worden aan spreektijden gebonden, bezoekers aan gedragscodes enzovoorts. Daar hint Van der Staaij op met zijn kritiek dat de andere betrokkenen – de regering – ook wel gehoord hadden mogen worden. Dat is ook een beetje gejeremieer van een verliezer: de Kamer mag zichzelf opleggen dat ze een informateur kiest. Wat betreft de verdere werkingskracht heeft Van der Staaij wel een punt: niemand anders, de regering niet, het staatshoofd niet, noch de informateur, hoeft zich aan het RvO gebonden te voelen. Sancties bestaan er ook niet.

Wat betreft de afwijkingsregel art. 154: als één lid zich ertegen verzet, blijft de bepaling gelden zoals die in het RvO staat. Dat is dus geen meerderheidsbesluit. Die meerderheid kan natuurlijk wel het RvO zo aanpassen dat de eenling zich er niet meer tegen verzet. En dan hebben we echt een reglement dat in elke kwestie naar believen wordt aangepast.

Touché over 1994; maar lag er niet een motie, waarin de meerderheid zich had uitgesproken voor een debat met de informateurs na beëindiging van de opdracht in de Kamer moesten verschijnen? Dat was dan een soort ‘side letter’ op het RvO…

2 GB 22/03/2012 om 09:56

Maar hoe zit het met de vraag van Van der Staaij dat het Reglement nu lijkt te gaan voorzien in de bevoegdheid om daadwerkelijk een informateur aan te wijzen. (En niet een gezamenlijke voordracht aan Beatrix te doen).Kan dat zomaar?

Tot nu toe gold als ongeschreven recht (laten we dat even aannemen) dat die bevoegdheid bij de Koningin lag – voortvloeiend uit haar positie als staatshoofd -, gehoord de fractiebazen uit de TK, de vz van de EK en de vicepresident. Nu harkt de kamer dat even naar binnen in hun eigen intern werkende clubregels, althans dat proberen ze. Is dat het lot van ongeschreven staatsrecht? Kan de Tweede Kamer in zijn relglement bijvoorbeeld ook opnemen dat de vertrouwensregel uitsluitend bij besluiten van 2/3 meerderheid geactiveerd kan worden?

Dat de Eerste Kamer er nu buiten valt, is te meer opmerkelijk omdat juist de huidige voorstanders flink uitpakten tijdens de laatste formatie omdat daarin te weinig rekening met de Eerste Kamer gehouden werd.Of moet dat dan weer wel in de achterkamers? Een debat na de verkiezingen van de Verenigde Vergadering, dat zou mooi zijn!

3 HK 22/03/2012 om 13:42

Het interessants zal zijn hoe de eerste acht dagen na verkiezingen gaan verlopen. De behoefte – en maatschappelijke druk – zal zijn om die dagen niet verloren te laten gaan en eerste opties te gaan verkennen. Gaat de beoogd fractievoorzitter/premierskandidaat van de grootste partij het initiatief hiervoor nemen (het staatshoofd niet)? En tuigt hij dan een procedure op waarin hij, als ware hij een constitutioneel neutrum, alle fracties evenredig hoort?
De initiatiefnemers lijken zo´n ronde niet nodig te vinden en laten de eerste acht dagen graag over aan informele overleggen.

Het valt te bezien of een ordentelijke en transparante procedure daarmee is gediend. In de woorden van Van der Staaij: ´Acht dagen schimmige achterkamertjespolitiek´. Zonder de huidige mogelijkheid ook dat een verkennende informateur kan worden benoemd.

Maar als het de Kamer lukt om een goede en ordentelijke werkwijze te ontwikkelen om toch een eerste verkenning te doen in die acht dagen, heeft het voorstel kans op succes.
De volgende uitdaging wordt dan wie bij een vastgelopen formatie procedurele knopen doorhakt of nieuwe wegen durft te verkennen als er geen meerderheidsbeslissing over de richting kan worden genomen.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: