Het strafklimaat in Nederland

door IvorenToga op 30/11/2012

in Rechtspraak

Post image for Het strafklimaat in Nederland

In de aflevering van 29 september 2012 van zijn columns over de rechtsstaat in de NRC, besteedt Jensma onder andere aandacht aan het strafklimaat in Nederland. Daar ging het ook over in het interview met de Amsterdamse rechter Bauduin in Buitenhof van een paar weken geleden. In beide gevallen was de conclusie dat dit klimaat in de afgelopen 10 jaar onherbergzamer is geworden. Jensma baseert dit o.a. op een vergelijking tussen het aantal gedetineerden per 100.000 inwoners in Nederland en een aantal omringende landen en op gegevens over straftoemeting die zijn te vinden in de jaarlijkse publicatie Criminaliteit en Rechtshandhaving van het CBS, het WODC en de Raad voor de rechtspraak gezamenlijk. Rechters zouden in de afgelopen 10 jaar wel 10% zwaarder zijn gaan straffen. Bauduin beschikte niet over deze cijfers maar meende ook dat de straffen strenger waren geworden. Desgevraagd en na enig aandringen dacht hij dat dit ook voor hemzelf gold. Toen hij moest schatten in welke mate dat dan het geval was, kwam hij ook op 10% uit.

Ik heb de genoemde publicatie ook maar eens geraadpleegd en kom tot een volledig andere conclusie. Strenger straffen, zo wordt algemeen aangenomen, betekent in de eerste plaats dat het aandeel van de (deels) onvoorwaardelijke vrijheidstraf in het totaal van de opgelegde sancties toeneemt. Is dat ook het geval? Helemaal niet. Het is voortdurend gedaald. In 1995 was het nog 18.8%, in 2000, het basisjaar van Jensma was het 17.6 en in 2010, tien jaar later bedroeg het nog maar 15%.

En de duur van de opgelegde gevangenisstraffen dan, zult U vragen, hoe zit het daarmee? Ook die geven, naar mijn mening geen aanleiding tot de conclusies van Jensma en Bauduin. In 1995 was het aandeel van de straffen langer dan een jaar 14.6%. In 2000 was dat percentage gedaald naar 11.5, in 2005 gestegen naar 13 maar in 2010  met 11.4% weer teruggezakt naar het niveau van 10 jaar daarvoor.

De conclusie moet derhalve luiden dat de genoemde cijfers op geen enkele wijze de conclusie toelaten dat het strafklimaat in Nederland de laatste 10 jaar strenger is geworden.

Het interessante is nu dat evenmin kan worden geconcludeerd dat de straffen in de genoemde periode minder streng zijn geworden. Om conclusies over de ontwikkeling van het strafklimaat te kunnen trekken is namelijk het naast elkaar zetten van rijtjes cijfers volstrekt onvoldoende. Voor een betrouwbare vergelijking, zowel in de tijd als tussen verschillende landen zal telkens moeten worden nagegaan hoe het pakket aan zaken dat de rechter te beoordelen heeft gekregen, is samengesteld. Als dat pakket meer delicten bevat waarvoor gemiddeld  hoge straffen worden opgelegd, dan zal de gemiddelde strafmaat in het totale pakket ook hoger zijn. Omgekeerd zal de aanwezigheid van veel lichte feiten tot gemiddeld lagere straffen leiden. Door de jaren heen blijkt dat pakket  aan voortdurende verandering onderhevig. Maakten bv. de verkeersdelicten in 2005 nog 21.6% uit van het totaal aan zaken dat de rechter te beoordelen kreeg, in 2010 was dat nog maar 17.4%. Omgekeerd steeg het aandeel van de geweld- en seksuele misdrijven in diezelfde periode van 17.3 naar 19.8%. En, zoals bekend, worden verkeersmisdrijven gemiddeld lichter bestraft dan geweldsdelicten.

Die noodzaak tot pakketvergelijking (het lijkt de ziektekostenverzekering wel) geldt natuurlijk ook voor de vergelijking tussen landen. Als de Duitse rechter gemiddeld een lichter pakket te beoordelen krijgt dan de Nederlandse, dan ligt het – ceteris paribus – voor de hand dat de straffen in Duitsland gemiddeld ook lichter zullen zijn. Nergens is mij gebleken dat bij de vergelijking tussen landen met de samenstelling van het pakket rekening is gehouden.

En er is minstens één hele goede reden om, alweer ceteris paribus, aan te nemen dat het Nederlands pakket zwaarder is  dan in andere landen. Nergens in Europa namelijk is er een OM dat over zulke ruime bevoegdheden beschikt om zelf zaken af te doen als in ons land. Vrijheidsstraffen mag het OM, in het kader van de z.g. strafbeschikking, uiteraard niet opleggen, maar taakstraffen (hoge) geldboetes en de ontzegging van de rijbevoegdheid staan het OM ten dienste bij het zelf afdoen van zaken. Die afdoeningen, ruim 80.000 in 2010 zullen ongetwijfeld een “opwaartse druk” uitoefenen op de samenstelling van het pakket dat de rechter vervolgens krijgt aangeboden.

Samenvattend stel ik vast dat een voldoende basis ontbreekt om wat dan ook te concluderen over de ontwikkeling van het Nederlandse strafklimaat.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie

Deze post is de onderdeel van een reeks bijdragen over de rechtspraak en de organisatie daarvan die tegelijk hier en op de blog IvorenToga.nl verschijnen. Reacties worden gesynchroniseerd.

{ 5 reacties… read them below or add one }

1 Frank van Tulder 30/11/2012 om 20:12

We weten meer over ‘het strafklimaat in Nederland’

Dato Steenhuis stelt in Ivoren Toga van 6 november jl. dat we eigenlijk niets weten over de ontwikkeling van het ‘strafklimaat’ in ons land in de laatste 10 jaar. Maar zo te zien heeft hij een vorig jaar in het Nederlands Juristenblad verschenen artikel over het hoofd gezien. Daarin schets ik de ontwikkeling in de straftoemeting door de Nederlandse rechter tussen 2000 en 2009 (Frank van Tulder, De straffende rechter, Nederlands Juristenblad, 2011, p. 1544-1550). En wel via de zo door Steenhuis gemiste ‘pakketvergelijking’. En daaruit blijkt dat de rechter inderdaad in die periode gemiddeld ruim 10% strenger is gaan straffen. Niet zozeer in de vorm van het meer opleggen van gevangenisstraf, want de toepassing daarvan blijft redelijk stabiel. Maar daarnaast worden vooral meer taakstraffen opgelegd. Bij geweldsdelicten is de strafverzwaring gemiddeld nog sterker: ruim 20%. Ook Jensma kende dit artikel. Overigens: het artikel is gebaseerd op de in Criminaliteit en Rechtshandhaving te vinden cijfers.

Steenhuis mist ook een dergelijke pakketvergelijking bij cijfers over het strafklimaat over de landsgrenzen heen. Die kan ik helaas niet bieden. Steenhuis heeft gelijk dat het gemis aan zo’n vergelijking afdoet aan de zeggingskracht van de observatie dat de rechter in Nederland relatief vaak gevangenisstraf oplegt. Hij stelt verder dat het pakket misdrijven dat de Nederlandse rechter krijgt voorgelegd wel eens relatief zwaar zou kunnen zijn. Het OM heeft immers vergaande en steeds verdergaande bevoegdheden om strafzaken zelf af te doen.
Maar die conclusie valt, ook weer met cijfers uit Criminaliteit en strafrechtspleging, wel te nuanceren. Het deel van de door het OM afgehandelde aantal misdrijfzaken dat aan de rechter wordt voorgelegd, is in de loop van de jaren niet gedaald, maar gestegen! Was dit in 1980 nog 41%, in 2000 was het gestegen tot 48% en in 2011 tot 55%. Hoe kan dat nu? Waarschijnlijk ligt de sleutel bij de afname van het aantal sepots in de afdoeningen van het OM. Zaken die vroeger werden geseponeerd worden nu niet meer bij het OM ingeschreven of worden nu door het OM zelf afgedaan via transactie of strafbeschikking. Maar daarnaast worden dus meer zaken naar de rechter ‘doorgeschoven’. Wat dat betreft is het de vraag of de door Steenhuis vermoede ‘opwaartse druk’ op de zwaarte van de door de rechter behandelde zaken wel bestaat.

2 Dato Steenhuis 30/11/2012 om 20:13

In zijn reactie op mijn column van 6 november jl. over het strafklimaat in Nederland, suggereert Frank van Tulder dat ik wellicht een artikel van hem over het hoofd heb gezien. In dat artikel zou datgene zijn gedaan wat ik als een manco in het onderzoek naar dat strafklimaat aanmerkte n.l. het ontbreken van een z.g. pakketvergelijking. Ik heb dat artikel niet gemist, maar ik heb het ook niet helemaal gelezen omdat ik meen dat van een echte vergelijking van gelijksoortige zaken geen sprake is in de door Van Tulder gekozen methode.

Mijn belangrijkste bezwaar is dat hij de bestaande omrekenfactoren tussen typen sancties als uitgangspunt neemt voor het, in onderlinge samenhang bepalen van de zwaarte van achtereenvolgens de geldboete, de taakstraf en de vrijheidsstraf. Ik beschouw die factoren als niet serieus. Met name het gelijkstellen van 2 uur taakstraf met een dag zitten vind ik nogal ridicuul en ik ben, zo is mij bekend, niet de enige. Een ander bezwaar is dat het vergelijken van de opgelegde straffen door de jaren heen, wel de suggestie van pakketvergelijking wekt, maar dat je nooit weet of die pakketten ook echt gelijk zijn, of dat toch de levensdelicten van 2000 andere zijn dan in 2009 en dat de verkrachting in dat eerste jaar toch van een ander karakter waren dan in het laatste.

Toch is het, tenzij je opnieuw een proefschrift zou willen schrijven, hetgeen Van Tulder en ik beiden al hebben gedaan, misschien wel de beste oplossing zo’n pakket als uitgangspunt te nemen. Daar is echter nog wel wat anders mee te doen dan hij in het NJB artikel heeft gedaan. Mijn uitgangspunt daarbij is dat de onvoorwaardelijke gevangenisstraf (en de hechtenis) de straffen zijn die primair de zwaarte van een sanctie bepalen.

Ik ben daarom voor de geweld- en seksuele misdrijven, zoals die zijn opgesomd in Criminaliteit en Rechtshandhaving 2011, nagegaan hoe die zich qua omvang en duur hebben ontwikkeld. De tabellen 6.5 ( het aantal schuldigverklaringen), 6.14 ( het aantal door de rechter in eerste aanleg afgedane misdrijfzaken opgelegde (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen en hechtenis) en tabel 6.16 ( die straffen uitgedrukt in detentiejaren) geven daarvan in combinatie een goed beeld. Het vergt wel enig rekenwerk, maar het is de moeite waard. Ik heb daarbij een langere periode bekeken dan Van Tulder namelijk het tijdvak 1995 tot en met 2011. Door het aantal opgelegde onvoorwaardelijke vrijheidstraffen c.a. telkens te delen op het aantal schuldigverklaringen, krijgt men een beeld van de ontwikkeling van de omvang van die sancties in het betreffende segment. Door daarna de detentiejaren te delen op het aantal veroordelingen met de betreffende sanctie(s), ontstaat een beeld van de duur ervan.

Wat na die exercities allereerst opvalt, is dat het hele segment van de betreffende misdrijven, gemiddeld, tot 2009, een continue daling vertoont waar het gaat om het aandeel van de gevangenisstraf c.a. in het totaal van de opgelegde sancties. In 1995 was het 26.3% , in 2000 was het gedaald tot 23.9, in 2009 verder tot 16.8 en pas sindsdien stijgt het weer tot 19.4% in 2011. Die daling geldt ook voor de seksuele misdrijven als totaal. In 1995 was dat aandeel van de gevangenisstraf nog 43.3%, in de periode 2000-2009 daalde het van 33.6% naar 29.2 om eveneens in de twee jaar daarna weer te stijgen naar 32.%.
Binnen deze categorie vormt het delict verkrachting een uitzondering. In 2000 is er nauwelijks verschil met 1995, maar tot 2009 stijgt het aandeel van de vrijheidstraffen met ruim 7% tot 72.9 om in de jaren daarna licht te dalen. De misdrijven tegen het leven geven een soortgelijk beeld te zien . Aanvankelijk daalt het aandeel van de gevangenisstraffen licht, maar vanaf 2005 is er een behoorlijke toename van 69.9 naar 74.0 % en in de jaren daarna zet die stijging zich, in tegenstelling tot de verkrachtingdelicten, door tot 76% in 2011.

Wat de gemiddelde duur van de vrijheidsstraffen betreft, heb ik steeds het aantal detentiejaren dat die vonnissen in totaal “opleverden”gedeeld door het aantal van die vonnissen. Ook hier daalt voor het totale pakket, de gemiddelde duur van deze sanctie: 0.97 jaar in 1995, 0.87 jaar in 2000, 0.71 jaar in 2009 en dan een lichte stijging tot 0.74 jaar in 2011. De seksuele delicten als geheel laten een soortgelijk beeld zien, zij het dat de groei iets eerder begint, n.l. in 2005, in 2009 piekt, om daarna weer licht af te nemen. Ook hier is verkrachting een uitzondering met een voortdurende groei vanaf 1995 (1.2 jaar) tot 2009 (1.86) jaar, om daarna licht te dalen. Voor de misdrijven tegen het leven is het plaatje weer anders. Daar daalt de gemiddelde duur van de vrijheidstraf vanaf 1995 tot 2006 langzaam, met een enkele uitschieter van 2.04 jaar tot 1.85 jaar om daarna voortdurend toe te nemen tot 2.54 jaar in 2011, t.o.v. 2006 een stijging met maar liefst 37%.

De conclusie moet dus luiden dat in het totale segment van de geweld -en seksuele delicten zowel het aandeel van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf c.a. van 1995 tot 2009 voortdurend is gedaald om pas daarna weer enigszins toe te nemen maar nog lang niet to het niveau van 2000. Bij de subcategorie seksuele misdrijven zien we hetzelfde beeld. Verkrachting en misdrijven tegen het leven vormen opnieuw een uitzondering. Daar stijgt vanaf ongeveer 2005 het aandeel van de vrijheidsstraf in het totaal van de opgelegde sancties.
Bij de duur van de opgelegde straffen zien we een zelfde beeld: de gemiddelde duur van het totale pakket daalt vrijwel continu tot 2009, evenals die van de seksuele misdrijven, waar de daling iets vroeger stopt. Ook hier vormen de verkrachtingen en de levensdelicten de uitzonderingen. Bij de eerste is er een voortdurende stijging tot 2009 en een lichte daling daarna. Bij de laatste daalt de gemiddelde duur tot 2006 om daarna fors toe te nemen.

Wellicht ten overvloede herhaal ik nog maar eens dat niemand weet wat er precies aan zaken in het pakket van de verschillende jaren zat en dat dus vergelijken op basis van geaggregeerde gegevens lastig blijft. Vooralsnog blijf ik daarom bij de stelling die ik in mijn bijdrage van 5 november jl. innam. Ik nuanceer die met de opmerking dat het erop lijkt dat de rechter de laatste jaren bij verkrachting en levensdelicten zwaarder is gaan straffen.

3 Frank van Tulder 30/11/2012 om 20:14

Wellicht had Steenhuis er toch beter aan gedaan mijn NJB-artikel helemaal te lezen. Dan was hij o.a. de volgende passage tegengekomen: ‘(…) geweldsdelicten die voor de rechter komen, zijn in de loop der jaren, door de prioriteit die opsporingsinstanties daaraan geven, gemiddeld minder zwaar geworden. Dan is het niet verwonderlijk dat de gemiddelde, voor deze geweldsdelicten uitgesproken, straf afneemt. Dat hoeft niet te betekenen dat de rechter bij deze delicten minder punitief is geworden.’ Daarom zegt de door Steenhuis geschetste daling van de gemiddeld opgelegde gevangenisstraffen bij het totaal van gewelds- en seksuele delicten niets.
Het vreemde is dat hij deze te grove benadering toepast, nadat hij mijn verfijndere benadering, als zijnde ‘te grof’, heeft afgeserveerd. Toegegeven: ik onderscheidde slechts 28 verschillende delicttypen. Méér liet het gebruikte datamateriaal uit Criminaliteit en rechtshandhaving niet toe. Inderdaad hebben we geen garantie dat het gemiddelde levensdelict nu nog exact hetzelfde is als 10 jaar geleden. Overigens ook geen aanwijzing dat het heel anders is: we weten het simpelweg niet. Deze beperking is inherent aan het gebruik van data over groepen zaken ofwel macrodata.
Er is, zoals ook in het NJB-artikel vermeld, ook ander onderzoek naar straftoemeting, dat gebaseerd is op microgegevens van individuele zaken. Dan kan de pakketvergelijking natuurlijk veel verfijnder plaatsvinden, al blijft ook die per definitie beperkt tot de in de bestanden aanwezige kenmerken van de zaak. En laat dergelijk onderzoek nu vergelijkbare conclusies over de ontwikkeling in de punitiviteit opleveren! Zo blijken straffen bij moorden en doodslagen zwaarder te zijn geworden (Wingerden, Sigrid van en Paul Nieuwbeerta, ‘Ontwikkelingen in de lengte van gevangenisstraffen voor moord en doodslag’, Trema, jaargang 2006, nr.8 (oktober), p.329-337 en Wingerden, S.G.C., van & Nieuwbeerta, P. (2010), ‘Straftoemeting bij moordenaars. De invloed van dader-, slachtoffer- en delictkenmerken.’ Trema Straftoemetingsbulletin, jaargang 2010, 33 (1), pp. 11-21). De sterke toename van het aantal levenslange gevangenisstraffen doet hetzelfde vermoeden (zie door NOS gepubliceerde lijst op basis van de inventarisatie van advocaat Wim Anker). Ook de in hoger beroep opgelegde straffen bij zware geweldsdelicten bleken tussen 2000 en 2007 gemiddeld bijna 3% per jaar te zijn gestegen (Frank van Tulder en Bart Diephuis, Afgewogen straffen, Den Haag, Raad voor de rechtspraak, 2007 – Research Memorandum, jaargang 3, nr.4, p.31).
Kortom: er zijn allerlei aanwijzingen dat de rechter, zeker bij geweldsdelicten, zwaarder is gaan straffen.

Nog even kort iets over een ander door Steenhuis in discussie gebracht punt: de te hanteren omrekenfactoren tussen vrijheidsstraf, taakstraf en boete. Ik citeer weer uit mijn NJB-artikel: ‘Bij de weging van de verschillende straffen is (…) aansluiting gezocht bij de bij OM en rechtbank gebruikelijke omrekensleutels. Maar uit onderzoek weten we inmiddels dat burgers andere ideeën hebben over de wenselijke omrekensleutel.(…) Dat onderzoek geeft aanwijzing dat burgers een taakstraf lichter waarderen en 1 dag vrijheidsstraf ongeveer gelijk stellen aan acht, en niet aan twee uur taakstraf. Gezien het sterk toegenomen belang van de taakstraf maakt deze weging verschil voor de gevonden groei van de punitiviteit. Wanneer we die omrekensleutel overnemen en onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen zwaarder wegen in verhouding tot taakstraffen, dan is de punitiviteit in 2009 ongeveer op hetzelfde niveau als in 2000. Ook dan is overigens de punitiviteit bij geweld nog duidelijk gestegen.’

4 Dato Steenhuis 30/11/2012 om 20:15

Een laatste reactie op deze plaats aan Van Tulder. Ik begrijp 2 dingen niet.
1) Waarom zegt een daling van de straffen die gelijk opgaat met de zwaarte van de behandelde misdrijven, niets over de punitiviteit van de rechter? Ik zou menen dat die in dat geval (ongeveer) gelijk blijft.
2) Mijn benadering is niet grof. Ook ik moeste het doen met, om Van Tulder te citeren, het beste dat Strafrecht en Criminaliteit te bieden heeft. Ook ik heb vastgesteld, net als de onderzoeken die Van Tulder noemt, dat bij levensdelicten en verkrachting de straffen de laatste jaren zijn toegenomen en dat zelfs in twee cijfers achter de komma uitgedrukt. Bij zo’n stijging, kan het gemiddelde voor het hele segment ven geweld – en seksuele misdrijven alleen maar dalen als voor (bijna) alle onderdelen ook een daling optreedt
Tenslotte ben ik blij dat de burgers het met deze burger eens zijn waar het de omrekening van vrijheidsstraf naar taakstraf betreft.
En helemaal tenslotte hoop ik dat straftoemeting inderdaad serieus werk is zoals Van Tulder ook zegt in het tweede nummer van Trema van dit jaar (p.39) en dat rechters zich niet teveel, zoals hij voor mogelijk houdt, laten leiden door grappige opmerkingen van de verdachte, die hen zouden kunnen doen besluiten toch maar geen of juist wel een gevangenisstraf op te leggen.

5 a.zecha 07/12/2012 om 17:39

De roep om hoger, sneller en langer te straffen is te vernemen uit de mond van politieke partijvertegenwoordigers en in de media. Rationele onderbouwing is vaak summier en selectief. De verstrekte informatie appelleert te vaak aan “onderbuikgevoelens”.
“Deskundigen”, “wetenschappers” en “onderzoekers” blijken te vaak afhankelijk te zijn van hun broodheren om gegevens te verstrekken en conclusies te trekken die hun opdrachtgevers niet zinnen.
De roep dat het “vertrouwen” moet weerkeren wordt tegenwoordig vaker gehoord. Mijns inziens is de “betrouwbaarheid” van ambtsdragers, bankiers,,functionarissen, onderzoekers, wetenschappers en multinationals en wat dies meer zij (in de vrije markt?) reeds geruime tijd “zoek geraakt”.
a.zecha

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: