Het strafproces draait om de procedurele waarheid

door IvorenToga op 11/01/2013

in Rechtspraak

Post image for Het strafproces draait om de procedurele waarheid

Ontwikkelingen rond de kwaliteit van het strafproces
De vraag naar het bewijs en naar de sanctie zijn de belangrijkste materiële vragen die de strafrechter te beantwoorden heeft. De waarheidsvinding houdt de toeschouwer het meest bezig: heeft ie het gedaan of niet? Het tweede anker van het strafproces is de procedure waarbinnen de strafrechter zoekt naar de waarheid. We moeten ons de vraag stellen of het vinden van de waarheid nog wel in alle gevallen op dezelfde wijze moet plaatsvinden en met dezelfde pretentie als nu.
Die vragen kunnen niet gesteld worden voordat twee als majeur aangemerkte veranderingen van het laatste decennium zijn benoemd omdat daarmee bedoeld was ons stelsel van waarheidsvinding op betere leest te schoeien.

De eerste is de beslissing van de wetgever om in 2007 het voortbouwend appel in te voeren. Dit model beoogt in hoger beroep alleen nog datgene aan de orde te laten komen waarover de procespartijen verdeeld zijn. Aldus wordt als in een trechter het geding afgewikkeld en wordt nodeloze processuele franje vermeden. In de procespraktijk is er van dit model niet veel terechtgekomen omdat de meeste strafrechters geen verantwoordelijkheid willen nemen voor wat in de eerste aanleg is gebeurd. Om die reden worden vonnissen vaak niet bevestigd en wordt de behandeling van de strafzaak in hoger beroep regelmatig een herhaling van de behandeling bij de rechtbank. In veel strafzaken wordt voorts zichtbaar dat de behandeling van de strafzaak in hoger beroep met een wisseling van de raadsman een herhaling van zetten oplevert omdat het hof de raadsman niet kan verbieden opnieuw een noodweerverweer te voeren en het hof zich overigens opnieuw verplicht voelt alle formele en materiële vragen uit het beslisschema opnieuw te behandelen en te beantwoorden.

Dit laatste brengt me op een tweede blikvanger, de beslissing van de beleidsmakers in 2007 om de motivering van rechterlijke beslissingen te verbeteren met behulp van het Promismodel. In eenvoudige taal wordt het gebezigde bewijs en de op te leggen straf uitvoeriger gemotiveerd en wordt in de voetnoten naar de onderliggende bronnen verwezen. Het klinkt aantrekkelijk, de rechter gaat meer op verhalende wijze expliciteren wat hem tot de bewezenverklaring heeft gebracht, anders dan door de opsomming van dor aandoende passages uit de processen-verbaal van de politie.
Ik ben sceptisch vanwege het gegeven dat de toetsing van de bewijsmiddelen wordt bemoeilijkt door de ogenschijnlijk aan elkaar geplakte bewijsteksten, zonder de altijd vereiste precieze verwijzing naar de bewijsmiddelen, en zonder dat de overtuigingskracht van de bewijsoverweging sluitend is geworden. Mijn andere zorg ligt bij de gedachte dat bij een betere motivering de lezer, de toehoorder, de verdachte, de eerstelijnsrechter, de balie en de samenleving eerder overtuigd raken van de rechterlijke opvatting en meer vrede zal krijgen met de rechterlijke beslissing. Is de samenleving anno 2012 heus overtuigder geraakt van de kwaliteit van de afwegingen van de rechter? Ik onderschrijf de ratio achter het voortbouwend appel, maar we moeten de vrijblijvendheid ervan keren.

Het zwaartepunt van de strafzaak moet onder alle omstandigheden bij de rechtbank liggen. De argumenten zijn bekend: het gepleegde misdrijf leeft nog, de samenleving is nog geschokt, de rechtsbelangen zijn nog geschonden, de al dan niet stille getuigen hebben nog een verse herinnering, de met het vonnis te demonstreren norm kan nog enig effect hebben en de verdenking en de eventuele hechtenis mag niet te lang op de in beginsel onschuldige verdachte rusten enzovoorts. Het vuur van het rechtsgeding moet daarom in de rechtbankfase brandend worden gehouden. Lichtvaardig hoger beroep instellen, lichtvaardig opnieuw alle getuigen vragen die reeds bij de rechtbank gevraagd hadden kunnen worden maar mogelijk reeds zijn gehoord of afgewezen, lichtvaardig een niet of nauwelijks onderbouwde appelmemorie indienen, zou niet mogelijk moeten zijn. Het hoger beroep moet worden gereserveerd voor de zwaarste gevallen. Het voortbouwend appel en de aangescherpte motiveringsplichten laten onverlet dat ons systeem van strafvordering voor velen nog steeds stut op dezelfde pretentie dat het strafproces draait om het vinden van de waarheid.

Gaat het in het strafproces om de materiële of om de formele waarheid?
De materiële waarheid is via het recht lastig te vinden. Zelfs een bekentenis brengt ons niet altijd dichter bij de waarheid. Ook DNA uitkomsten zeggen niet altijd alles. Bovendien is de bewijsvraag vaak afhankelijk van de bewijssprong die de rechter moet maken. Als de feiten afdoende lijken vast te staan is de waardering, of sprake is van schuld, opzet, causaal verband, voorbedachte rade, noodweer enzovoorts afhankelijk van tijdgebonden en normatieve inzichten.
De genoemde aangescherpte motiveringspraktijk beoogt de genomen rechterlijke beslissingen te verhelderen, maar in het bijzonder het overtuigen van de verdachte en andere omstanders dat de verdachte wel of niet de dader is. Dat materiële doel is echter om filosofische redenen onhaalbaar. Ik ben op dat spoor gezet door de meest creatieve strafrechtjurist die Nederland rijk is, Knigge, die bij zijn afscheid als hoogleraar zei dat er van de pretentie dat de rechter in zijn vonnis de historische werkelijkheid vaststelt, nog maar weinig over lijkt (De schijn van waarheid, in: Partijautonomie of materiële waarheid (red. N.J.M. Kwakman), Boom 2006, blz. 42-43). Strafrechtjuristen die zich menen te onderscheiden van het civiele recht, waarin sprake zou zijn van de aannemelijk gemaakte, afgesproken, waarheid zoals die uit het geding tussen procespartijen naar voren komt, jagen een illusie na. Ook in het strafproces gaat het om een processuele waarheid. Of de verdachte onschuldig wordt veroordeeld hangt namelijk niet alleen af van de gebezigde bewijsmiddelen, maar ook van de ernst van de sanctie (bij de OM-boete die een verdachte ten onrechte betaalt is geen herziening mogelijk) en van de processuele houding van de verdachte (een te laat ingesteld rechtsmiddel maakt de eerdere veroordeling onherroepelijk, ook als er sprake is van een fout rechtsoordeel). Het gaat in het strafproces minder om het vinden van de materiële waarheid, centraal staat de procedurele of de afgesproken waarheid. Begrippen als efficiëntie en kwaliteit hangen daarom teveel in het beleidsmatige luchtledig.

Afslanking en herinrichting van het hoger beroep
Waarom zijn de ideeën van Knigge van bepalende betekenis voor de voorbereiding en vormgeving van het strafproces? Omdat het relativeren van de materiële waarheid en het omarmen van de formele waarheid een andersoortige procedure introduceert. Het stelsel van rechtsmiddelen is ingericht langs de gepretendeerde meetlat van het materiële daderschap. Indien het zwaartepunt is verschoven naar de vraag of de bewijsvoering tot een aannemelijk en onvoldoende weersproken daderschap heeft geleid, dan leent ook de procedure zich voor herijking. De contradictoire gedingvoering in twee fasen is dan niet langer gericht op het vaststellen van de werkelijke schuld van de verdachte, maar gericht op een aanvaardbare wijze van uitwisselen van standpunten. Bij die processuele gedachtewisseling komt het ook aan op de activiteit van de verdachte om zich adequaat te verdedigen en efficiënt met de hem toebedeelde verdedigingsruimte om te gaan. Het bij de rechtbank en later bij het gerechtshof wisselen van standpunt of het verschieten van ongefundeerde hagel kan niet verboden worden, maar verdient minder serieuze respons of verdient zelfs buiten bespreking te blijven, overigens minder in hoger beroep dan in de rechtbankfase. Speels gezegd, bij de rechtbank is het nog vrije speeltijd, maar bij het gerechtshof als laatste feitelijke instantie dient het gerecht niet alle wensen van de verdediging te honoreren, en dient de verdediging nog serieuzer met de schaarse en laatste procestijd om te gaan. In deze redenering ligt een belangrijke grondslag voor een verdere afslanking van het hoger beroep.

Thans is het hoger beroep feitelijk niet veel meer dan een tweede ronde waarbij de rechtbankbehandeling meestal nog eens integraal wordt overgedaan. Wat voegt dat toe aan de kwaliteit van de waarheidsvinding, anders dan dat er nog tweede oordeel aan het eerste wordt toegevoegd? Het is de vraag wat de rij aan getuigen en nadere onderzoeken voor de waarheidsvinding opleveren. Het vinden van de materiële waarheid is het streven, maar of het in ultieme vorm wordt vastgesteld, is zoals ik eerder zei, een grote onzekerheid. Daarom is de gerechtelijke procedure van cruciale betekenis. Bij het toepassen van hoor en wederhoor, met het inbouwen van toetsingsmomenten bij het voortduren van de voorlopige hechtenis en bij het grondig bevragen van getuigen en deskundigen leidt de intrinsieke twijfel over de materiële waarheid tot een valide rechterlijk oordeel. Niet valide in de zin van finaal, maar valide in de zin van procedurele gerechtigheid. Omdat de materiële waarheid omtrent de verdenking meer een procedurele waarheid inhoudt, is de vraag gerechtvaardigd waarom een voluit opgetuigde tweede behandeling noodzakelijk is. Voor de vraag naar het daderschap is een grondige(r) behandeling bij de rechtbank van wezenlijke betekenis, zodat het hoger beroep nog louter hoeft te gaan over de ongerechtigheden in het vonnis en onregelmatigheden in de eerste procedure, voor zover die niet bij de rechtbank reeds uitputtend zijn besproken. De toegang tot hoger beroep respectievelijk een inhoudelijke behandeling wordt geblokkeerd als de grieven niet afdoende gespecificeerd zijn in de appelmemorie.
Tegengeworpen zou kunnen worden dat juist het centraal stellen van de procedurele waarheid ertoe dwingt om de procespartijen een volle tweede kans te geven om hun standpunten naar voren te brengen onder het motto “hoe meer tegenspraak hoe beter”. Met het oog op de procedurele waarheid gaat dat argument echter alleen maar op wanneer de eerste rechter die standpunten niet heeft meegewogen of wanneer er sprake is van nieuwe standpunten. Een nieuwe beoordeling van eerder ingenomen standpunten past daar minder bij.

Als we meer aansluiting zoeken bij het civiele recht, althans als vertrekpunt de verantwoordelijkheid van de procespartijen nemen om de procedurele waarheidsvinding op straffe van verlies aan rechten eigenstandig mede vorm te geven, dan zijn er nog meer aanknopingspunten voor mijn stellingname. Bij een grotere autonomie voor de procespartijen, een grotere processuele rol, dient de strafrechter in latere procesfasen minder in beeld te komen. Als de strafrechter de procesverantwoordelijkheid van de verdediging of het openbaar ministerie miskent en bijvoorbeeld in hoger beroep opnieuw eigenstandig en ambtshalve het onderzoek van de rechtbank gaat herhalen, wordt de autonomie van de procespartijen ontkend.
Zo is ook niet in alle gevallen van rechtswege een behandeling in hoger beroep vereist, zelfs al zouden verkeerde beslissingen in eerste aanleg niet uitgesloten zijn. Ik denk bijvoorbeeld aan het bij het partieel appel welbewust niet instellen van hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank over bepaalde feiten of aan artikel 416 Wetboek van Strafvordering, waarbij de verdachte geen grieven indient. De wens van de verdachte om zich neer te leggen bij de veroordeling dient te worden gerespecteerd. Die lijn doortrekkend moet de appelrechter de standpunten van de verdachte, geformuleerd in de vorm van grieven tegen het vonnis in eerste aanleg, respecteren en aan de hand daarvan recht doen. Deze logica verzet zich tegen het ten volle of ten gronde ten tweede male bekijken van het vonnis.

Het wordt tijd voor het anders inkleuren van de waarheidsvinding in het strafproces en die geringere pretenties te vertalen in een afgeslankte procesvoering.

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem

Deze bijdrage is een sterk ingekorte versie van de lezing “Efficiënte conflictbeslechting en rechtspraak: gaat het om waarheid of om procedure?”, op 30 november 2012 uitgesproken op het Leidse congres “De toekomst in de rechtszaal. Efficiëntie én kwaliteit in de rechtspleging”.

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 E. de Ruiter 16/01/2013 om 09:00

Stelling: als de eerdere rechter het bewijs onvoldoende vond om tot een veroordeling te komen, zou het het OM alleen toegestaan moeten worden om in beroep te gaan, als dit nieuwe feiten aanvoert. Anders ontstaat het idee van een tombola, over de rug van de individuele burger heen.
(Is mede ingegeven door het opportunisme dat de laatste jaren lijkt te bestaan bij OM en politie, en de werkdruk die de rechterlijke macht uitstraalt.)

2 a.zecha 18/01/2013 om 15:08

In het artikel met de subtitel “Ontwikkelingen rond de kwaliteit van het strafproces” kan met weinig resultaat gezocht worden naar de mijns inziens niet verwaarloosbare groter wordende effectieve partijpolitieke invloeden. M.i. wordt de kwaliteit feitelijk in toenemende mate bepaald door indirecte (reorginisaties, managers, bezuinigingen, vervanging van universitair opgeleide rechters en officieren van justitie door anderen, etc.…..) en directe politieke bemoeienissen (het OM, wetgeving, uitspraken in de media van partijvertegenwoordigers in zaken die sub judice zijn, etc. …).
En meer ( http://njblog.nl/2012/01/20/unitas-politica/ ).
In een partijpolitieke rechtsstaat streven partijpolitici m.i. om ook wettelijk het laatste woord te krijgen wat er in de strafrechtprocedure en uitspraken van de strafrechter wordt gewijzigd en wat ongewijzigd blijft.
De openbare aanklager staat reeds onder partijpolitiek gezag. Een minister geeft opdrachten voor wie en wat er door de openbare aanklager moet worden aangeklaagd (en waardoor veel burgers met hun aangiften en -klachten in de kou blijven staan). De openbaar gemaakte halve waarheid hierbij is:”Er moeten keuzen gemaakt worden” of “Er moet prioriteiten worden gesteld”. De verzwegen andere helft van de waarheid is m.i.: “dat de gemaakte keuze voor minister en diens partij opportuun is”.
15 Januari berichtte radio 2 over een minister die gezegd zou hebben dat functionarissen uit de politionele sector moeten zwijgen over het uitschrijven van bonnen die een onevenredige verhoogde boete bij eenvoudige vertredingen vertegenwoordigen. Dat veel agenten moeite hebben met de plausibele relatie met het tekort op de staatsbegroting en de onevenredige extra belasting van burgers is m.i. de verzwegen helft van de ministeriële waarheid.
a.zecha

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: