Hoe dichter bij Dordt…

door PWdH op 06/12/2012

in Rechtspraak

Post image for Hoe dichter bij Dordt…

Rottende palen jagen bewoners van het ‘aandachtsgebied funderingsproblematiek’ in de gemeente Dordrecht op kosten. Met de houten palen waarop hun huizen zijn gebouwd is niets mis, zolang ze onder water staan. Komen deze palen echter droog te staan, doordat het grondwaterniveau daalt dan beginnen zij te rotten en kunnen op langere termijn problemen met het dragend vermogen ontstaan. In het aandachtsgebied fluctueert de grondwaterstand, doordat het open waterpeil en regenval nu eenmaal fluctueert, zodat van tijd tot tijd de rot inzet en weer stopt. Maar ook, aldus de verenigde bewoners, door lekkende rioleringen, die een ‘drainerende werking’ kunnen hebben en verkeerd beheer van open water. Daarop spreken ze de gemeente aan.

Technisch zijn er twee grondslagen in het spel: de risicoaansprakelijkheid voor opstallen (art. 6:174 BW) en de onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Het voordeel van een beroep op de risicoaansprakelijkheid is dat de bewoners kunnen volstaan met stellen en eventueel bewijzen dat de riolen gebrekkig waren, daardoor gevaar voor personen of zaken in het leven riepen en dat dit gevaar zich heeft verwezenlijkt. Ze hoeven dan niet aan te tonen dat de gemeente bekend was met het gevaar dat de drainerende werking van de riolen opleverde voor hun houten palen. Ten minste, alleen als – hypothetisch aangenomen dat de gemeente daarmee wel bekend zou zijn – de gemeente ook aansprakelijk zou zijn op grond van de andere grondslag, de onrechtmatige daad. Dit volgt uit de beruchte ‘tenzij’-clausule. De gedachte hierachter is dat de risicoaansprakelijkheid niet verder dient te reiken dan aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. De toegevoegde waarde ervan is ‘slechts’ het ecarteren van een bewijsrisico voor de benadeelde.

In de tenzij-clausule zakt eigenlijk ook de hele zaak weg. De rechtbank begint bij artikel 6:174 BW, maar schiet meteen naar de tenzij-clausule en wijst vervolgens de vorderingen van de bewoners af. Aannnemend dat de gemeente bekend is met de drainerende werking van het lekke riool en de paalrot als gevolg daarvan, is zij niet aansprakelijk uit onrechtmatige daad. Met de zegen van het hof, die oordeelt dat deze route de rechtbank vrijstond. Volgens het hof maakt het ook niet uit op welke grondslag de aansprakelijkheid van de gemeente wordt beoordeeld. De te maken afweging is gelijk. Of dat nu gebeurt aan de hand van de vraag of de gemeente onrechtmatig gevaarzettend heeft gehandeld. Of aan de hand van de vraag of zij als bezitter van de riolering aansprakelijkheid is, omdat deze niet voldeed aan de daaraan in de gegeven omstandigheden te stellen eisen. De maatstaf die de Hoge Raad in het Wilnisarrest voor deze ‘gebrekkigheid’ formuleert komt immers nagenoeg overeen met de gevaarzettingsafweging.

Materieel kan de handelwijze van de gemeente naar het oordeel van het hof worden gebillijkt. De onderhoudsplannen die de gemeente voor het riool hanteert deugen. Te meer daar zij op basis van onderzoek prioriteiten stelt bij de aanpak van de funderingsproblematiek, niet over onbeperkte financiele middelen beschikt en met verschillende, tegenstelde belangen rekening moet houden. Zouden de lekken in de riolering worden gedicht, dan zou dat bijvoorbeeld weer wateroverlast opleveren voor de in het aandachtsgebied gebouwde huizen op stalen funderingen. Al oordelend schuift het hof de zaak daarbij weer terug naar de vraag naar de ‘gebrekkigheid’ van de riolering, zodat de grondslag van haar afwijzende oordeel uiteindelijk artikel 6:174 BW moet zijn.

De klacht dat het hof eerst had moeten oordelen over de gebrekkigheid, alvorens aan de tenzij-clausule toe te komen, wordt door de Hoge Raad dan ook gepasseerd bij gebrek aan belang. Al merkt hij voor de zekerheid toch op dat de klacht inhoudelijk faalt (r.o. 4.3). Ook op het punt van de materiele beoordeling laat de Hoge Raad het arrest van het hof in stand en bereikt zo dezelfde uitkomst als Advocaat-Generaal Spier (r.o. 4.4-4.6). Hij pleitte er primair voor rioleringen en leidingnetwerken niet onder het opstalbegrip te laten vallen, zoals hij dat eerder deed ten aanzien van dijken in het Wilnisarrest (sub 3.2.1-3.3), en constateert verder een ‘Babylonische spraakverwarring’ rondom de twee grondslagen (sub 3.13).

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: