Hoezo nullijn voor de rechtspraak?

door IvorenToga op 19/03/2013

in Rechtspraak

Post image for Hoezo nullijn voor de rechtspraak?

Op de dag dat er witte rook uit de schoorsteen van het Sint Pietersplein kwam, bereikte het kabinet en de Raad voor de rechtspraak overeenstemming over de financiering van de rechtspraak de komende drie jaar. De uitkomst: de eerste twee jaar houdt de rechtspraak de nullijn, daarna gaat er bezuinigd worden door over te stappen op digitale procedures. Volgens de Raad voor de rechtspraak een goed onderhandelingsresultaat. En daarin kunnen ze moeilijk ongelijk worden gegeven. Het is buitengewoon bijzonder dat een sector buiten schot wordt gehouden. Onderwijs en zorg moeten het met minder doen. De rechtspraak voorlopig niet. En daarvoor was niet eens een gang naar het Malieveld nodig. Het gepresenteerde resultaat geeft een interessante blik op de totstandkoming van het akkoord en op de toekomst.

Eerst de totstandkoming van het akkoord. Er is volgens de Raad stevig onderhandeld en dat doet vermoeden dat het startpunt van de Raad ver van het startpunt van het kabinet lag. Uiteindelijk is men dus op de nullijn uitgekomen. De Raad wenste dus aanvankelijk meer geld voor de rechtspraak, terwijl het kabinet bezuinigingen voor ogen had. Dit getuigt van veel flexibiliteit bij beide onderhandelingspartners en dat is voor beiden bijzonder.
Het kabinet betuigt zich begrotingstechnisch meestentijds erg star. Voorgenomen bezuinigingen worden zonder (dreiging van) politieke ophef en zonder (dreiging van) massale demonstraties nooit teruggedraaid. Politieke ophef en demonstraties waren er hier niet en vielen ook niet te verwachten. De politieke ophef viel rond het manifest wel mee en bij mijn weten stonden er nog geen rechters klaar om naar het Malieveld af te reizen. De rechtspraak heeft ook zonder die drukmiddelen kennelijk dus veel macht, heel veel macht. Die macht is in ons staatsbestel terecht, maar het relatieve gemak waarmee dreigende bezuinigingen kunnen worden geredresseerd schept wel een extra verantwoordelijkheid. Zeker nu in ons begrotingsstelsel bij het uitblijven van een voorgenomen bezuiniging ergens anders geld moet worden gezocht, bijvoorbeeld in het onderwijs en de zorg. De machtsfactor en ’s lands rijksfinanciën eisen dus een zekere terughoudendheid bij het domweg vragen van meer geld.
Voor de Raad voor de Rechtspraak is de getoonde flexibiliteit ook bijzonder. Die bijzonderheid zit in de koppeling die de Raad maakt tussen de financiering van de rechtspraak en de kwaliteit daarvan. ‘De kwaliteit van de rechtspraak gaat boven alles’ en ‘De samenleving moet er altijd van op aankunnen dat de rechtspraak van goede kwaliteit is’, aldus de Raad. Volgens de Raad kunnen die doelen met het bereikte onderhandelingsresultaat worden verwezenlijkt. Uiteindelijk kan het dus toch met minder geld dan waarop is ingezet. Is er dan een concessie gedaan aan die alles overstijgende kwaliteit? Natuurlijk ken ik het spel niet dat met deze onderhandelingen gepaard ging, maar in dat spel zal hoe dan ook de gestelde eis goed moeten zijn beargumenteerd. Dat de Raad uiteindelijk genoegen neemt met minder kan verschillende dingen betekenen. Er gaat in de toekomst minder geld naar activiteiten buiten de kerntaak van het rechtspreken, de Raad ziet in dat ook over kwaliteit best onderhandeld kan en mag worden of er zal gezocht moeten worden naar mogelijkheden om met minder middelen toch de gewenste kwaliteit te leveren. Ivoren Toga geeft ondertussen meer dan een handvol voorbeelden van hoe dat kan worden gerealiseerd.

Dan nu de toekomst. Blijven de huidige financiën daadwerkelijk behouden? Dat valt te bezien. Elk gerecht wordt in hoofdzaak gefinancierd op basis van het aantal uitspraken maal een afgesproken prijs voor die uitspraken. Er worden daarvoor 53 soorten uitspraken onderscheiden met elk een eigen prijskaartje. Die prijs is een rechtstreeks afgeleide van de prijsafspraken die het kabinet met de Raad maakt, zij het dat daar van een minder fijnmazig onderscheid tussen de uitspraken sprake is. Nu is het in het verleden bij elk onderhandelingsakkoord tussen kabinet en de Raad voor de rechtspraak zo geweest dat daarin een prijs per categorie uitspraak werd afgesproken en dat die prijs voor drie jaar werd gefixeerd. Als dat nu ook het geval is, roept dat de vraag op hoe de komende twee jaar de nullijn kan worden vastgehouden. De voorgenomen krimp in het derde jaar zou dan al in de prijsafspraken voor de eerste twee jaar moeten zijn verdisconteerd en dan is van een nullijn geen sprake. Als van fixatie geen sprake is, dan zullen de prijzen in het derde jaar moeten dalen en die daling zal uiteraard groter zijn dan wanneer de pijn over drie jaar verdeeld wordt. Hoe dan ook zal de voorgenomen krimp linksom of rechtsom gevolgen hebben voor de organisatie van de rechtspraak. Zeker wanneer daarbij de inspanningen worden opgeteld die in de komende jaren zullen moeten worden verricht om in een organisatie als de rechtspraak tot digitalisering te kunnen komen (ik roep nog maar even in herinnering dat daar niet zo heel lang geleden de potlood en de gum gehanteerd werd bij het nakijken van concepten). En dan heb ik het nog niet gehad over hoe de Raad wil bewerkstelligen dat het primaire proces niets van de voorgenomen digitalisering merken zal. Digitalisering betekent niet alleen het werken met Ipads in plaats van met het vertrouwde papier, maar ook dat klussen die nu door de administratie worden gedaan (denk aan het in rondlezing brengen van de dossiers) door de rechters zelf moeten worden verricht, zij het met behulp van die Ipad. Vergelijk het met het verdwijnen van het gemeenteloket, het NS-loket en het bankloket. Geen beambten meer die voor de klant alles in orde maken, maar zelfredzaamheid met Dig-ID, OV-chipkaart en E.dentifier. Ook dat zal, op zijn zachtst gezegd, de nodige inspanningen van rechters vergen. Het suggereren van de nullijn lijkt een beetje op verstoppertje spelen en of dat verstandig is valt te bezien. Digitalisering van de rechtspraak zal een enorme ombuiging betekenen zoals dat bij gemeente, de NS en de banken het geval is (geweest). Personeel is verreweg de grootste kostenpost binnen de rechtspraak, zodat bezuinigingen vooral op dat vlak gevoeld zullen worden. De consequenties van deze ombuiging wordt op geen enkele manier in beeld gebracht. De beoogde bezuiniging wordt niet eens benoemd. Zwijgen daarover zal nieuwe verwachtingen wekken en, wanneer die niet kunnen worden waargemaakt, nieuwe onrust. Bovendien, en dat is misschien nog wel belangrijker, wordt tijd onbenut gelaten om met de rechters te zoeken naar oplossingen om de beoogde krimp tegemoet te treden. En die tijd dringt als de Raad haar (overigens terechte) ambities op het vlak van de digitalisering waar wilt maken. Het niet uitgesprokene is daarmee minstens zo interessant als de voor het overige boeiende witte rook van afgelopen woensdag.

Rick Robroek
Stafjurist gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, wetenschappelijk medewerker vakgroep Strafrecht RUG en rechter-plaatsvervanger rechtbank Limburg

Deze post is de onderdeel van een reeks bijdragen over de rechtspraak en de organisatie daarvan die tegelijk hier en op de blog IvorenToga.nl verschijnen. Reacties worden gesynchroniseerd.

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: