Hoge Raad zet art. 22 Gemeentewet in koelkast

door MN op 29/12/2011

in Grondrechten, Rechtspraak

Post image for Hoge Raad zet art. 22 Gemeentewet in koelkast

De Hoge Raad heeft op 11 november uitspraak gedaan in het cassatieberoep dat voormalig Delfts wethouder B. heeft ingesteld tegen de beslissing van het Hof in zijn geschil met een gemeenteraadslid. Zie deze post voor de ranzige voorgeschiedenis. De cassatierechter verwerpt de stellingen van de gewezen wethouder die erop neerkwamen dat het gemeenteraadslid te ruim gebruik maakte van zijn vrije meningsuiting. Het arrest bevestigt de eerdere (Straatsburg-conforme) rechtsopvatting van het hof dat politici een ruime(re) vrijheid van meningsuiting toekomt.

Op het NRC-weblog Recht en Bestuur is door de Amsterdamse ud Staatsrecht S.A.J. Munneke (VU) gewezen op een merkwaardige passage in het arrest van de Hoge Raad. De cassatierechter stelt namelijk:

“de omstandigheid dat de uitlatingen zijn gedaan door een politicus buiten het vertegenwoordigende forum [brengt] niet mee dat deze uitlatingen niet eenzelfde of vergelijkbare bescherming genieten als uitlatingen die in de openbare vergaderingen van de gemeenteraad zijn gedaan.”

Munneke vindt deze redenering onjuist, en ik volg hem daarin. De Gemeentewet bepaalt namelijk dat uitlatingen gedaan binnen een vertegenwoordigend forum juist wél sterkere bescherming genieten dan uitlatingen buiten de raadszaal. Binnen de raadszaal geldt onvervolgbaarheid zonder meer, buiten de raadszaal is er ruimte voor een afweging tussen het belang van de vrijheid van de spreker en het belang van de goede naam van de besprokene. Zou de Hoge Raad hier de Gemeentewet buiten toepassing laten in de zin van art. 94 Grondwet? Dat lijkt me onwaarschijnlijk, want ik zie niet in waarom er sprake zou zijn van onverenigbaarheid van art. 22 Gemeentewet met art. 10 EVRM. Een andere verklaring is dat de Hoge Raad zich hier eenvoudigweg verschrijft. Dat is aannemelijker, temeer daar de gewraakte uitlatingen van het gemeenteraadslid niet in de vergaderzaal maar daarbuiten (krant, weblog) gedaan zijn. De gemeentewettelijke regeling werd daardoor mogelijk wat aan het zicht onttrokken.

Overigens: het ging in de Delftse zaak om een ménage à trois. Het gemeenteraadslid kwam in het geweer tegen de wijze waarop de wethouder de eigenaar van een Italiaans restaurant aan het lijntje hield. De restaurantuitbater stelde daartoe beeld- en geluidsopnames van gesprekken met de wethouder ter beschikking. Dat laatste was volgens het Hof onrechtmatig. De restauranthouder heeft tegen dit oordeel tevergeefs cassatieberoep ingesteld. Zijn beroep is met toepassing van art. 81 Wet RO afgewezen. Daar gaat nog wel een mooie conclusie van A-G Spier aan vooraf.

{ 6 reacties… read them below or add one }

1 JU 29/12/2011 om 11:56

Is een derde verklaring niet gewoon dat de HR hier aangeeft dat, in het geval van politici, de afweging vrijwel steeds zal uitvallen ten gunste van de betrokken politicus? Met andere woorden: hier is niet sprake van het buiten toepassing laten van 22 Gemeentewet, maar van het vergroten van het afzetgebied van die bepaling. Zij het – daar heb je, resp. heeft Munneke, een punt – over de merkwaardige band van een afwegingsmechanisme.

Ik lees de overweging zo dat de HR stelling neemt tegen het argument dat, nu het gemeenteraadslid ìn de vergadering alles mag zeggen, hem buiten die zaal geen bijzondere bescherming toekomt. Een soort a contrario uitleg van 22 Gemeentewet.

Los daarvan: buiten toepassing laten van 22 Gemeentewet was sowieso niet aan de orde. Dat had alleen maar kunnen leiden tot aansprakelijkheid en daarom is het Hof en HR nu juist níet te doen. Als dit een naampje moet hebben zou ik het eerder conforme interpretatie noemen.

2 MM 29/12/2011 om 12:38

Ik ben het eens met de auteurs en de heer Munneke dat dit een merkwaardige passage betreft. Het lijkt dan ook te gaan om een verschrijving, mede gelet op het feit dat de Hoge Raad in het verleden een geheel andere lijn koos.

Zou de Hoge Raad hiermee een voorschot willen geven voor functionele immuniteit voor politici? Ik kan me dat haast niet indenken, vooral niet omdat de wetgever zich keer op keer heeft uitgelaten uit te gaan van een plaatselijke immuniteit in tegenstelling tot functionele immuniteit.

Zie in dit verband ook mijn scriptie over artikel 25 en 22 Gemeentewet
http://arno.uvt.nl/show.cgi?fid=116110

3 JADB 29/12/2011 om 14:16

De conclusie van Huydecoper erop nalezend, begrijp ik de overweging van de HR iets beter. De discussie betrof de reikwijdte van art. 6 EVRM. Eiser in cassatie betoogde dat de bescherming van art. 6 EVRM beperkter is ten aanzien van uitlatingen buiten de politieke arena. Waarschijnlijk strekte dit betoog ten doel om de toepasselijkheid van bepaalde arresten van het EHRM uit te sluiten (maar dat weet ik niet zeker, natuurlijk).

De AG acht dit middelonderdeel ongegrond:

“In de zaken die bij de vorige alinea werden aangehaald gaat het in veel gevallen om uitingen van politici waarbij geen beroep op immuniteit gold, of die niet plaatsvonden in een gremium waar op immuniteit een beroep kon worden gedaan. In sommige uitspraken van het EHRM wordt ook specifiek aangegeven dat aan de hiervóór genoemde uitgangspunten niet afdoet, dat de uitingen in kwestie (van een gekozen politicus) niet plaatsvonden in de desbetreffende politieke arena (o.a. EHRM 4 mei 2006, Appl. nr. 34520/97, Alinak c.s./Turkije, rov. 33).”

Ik denk dat we niet te snel moeten concluderen dat de HR het helemaal bij het verkeerde eind heeft; de inhoud van zo’n overweging wordt immers voor een belangrijk deel gekleurd door de inhoud van het middelonderdeel.

4 RvdW 29/12/2011 om 22:09

Nou nou, dat is allemaal wel heel kort door de bocht. De klacht die de wethouder had opgeworpen, was (blijkens punt 15 van de conclusie van de A-G) dat het Hof een te ruime mate van uitingsvrijheid (zoals m.n. gewaarborgd in het EVRM) aan het raadslid had toegekend. De vraag die de Hoge Raad diende te beantwoorden was dan ook of het EVRM (en niet art. 22 van de Gemeentewet, dat in casu volstrekt irrelevant was) dezelfde of vergelijkbare bescherming biedt aan uitingen gedaan buiten de raadszaal als aan die gedaan binnen de raadszaal.

Het antwoord luidt: “de omstandigheid dat de uitlatingen zijn gedaan door een politicus buiten het vertegenwoordigende forum [brengt] niet mee dat deze uitlatingen niet eenzelfde of vergelijkbare bescherming genieten als uitlatingen die in de openbare vergaderingen van de gemeenteraad zijn gedaan.”

Das logisch. Toch? Nou kun je de Hoge Raad wel verwijten dat het na het woord “bescherming” niet de woorden “onder het EVRM” heeft ingevoegd. Want nu zijn alle gemeenterechtdeskundigen van slag. Zelf zou ik eerder kritiek leveren op de formulering “eenzelfde of vergelijkbare”. Die komt de rechtszekerheid natuurlijk niet ten goede. Welk van de twee is het, Hoge Raad?

5 Joke Mizée 29/12/2011 om 23:30

@4: Zo’n dubbele ontkenning oogt ook niet bepaald (literair) stijlvol. De Raad van Europa windt er geen doekjes om: ‘Het zou geen verschil moeten maken of een parlementariër iets in het parlement zegt of daarbuiten’, zegt Hammarberg. ‘Hij moet ook vrij kunnen spreken in het publieke debat of tegenover zijn kiezers.’ (http://tinyurl.com/d47obm7)

6 Yoeri Roosendaal 04/01/2012 om 12:57

Ik denk dat we een onderscheid moeten maken tussen ‘mogen’ en ‘kunnen’. Een gemeenteraadslid mag binnen de raadsvergadering hetzelfde zeggen (en niet zeggen) als daarbuiten. Zijn uitlatingen genieten steeds dezelfde bescherming op grond van Grondwet en EVRM en ook binnen de raadsvergadering zijn de bepalingen van het Wetboek van Strafrecht gewoon van toepassing. Een raadslid kan dus heel goed een strafbaar feit plegen door in de gemeenteraad een racistische tirade af te steken. Hij mag dat niet, maar kan het wel omdat artikel 22 Gemeentewet hem immuniteit verleent. Stelt het OM vervolging in, dan volgt niet-ontvankelijkverklaring. Dat zegt evenwel niets over de strafwaardigheid van de uitlatingen. De Hoge Raad zit m.i. niet op het verkeerde spoor met deze uitspraak.

Reactie achterlaten

{ 2 trackbacks }

Vorige post:

Volgende post: