Homodocenten. Anders gezegd: geen homodocenten

door Redactie op 08/09/2009

in Grondrechten

Post image for Homodocenten. Anders gezegd: geen homodocenten

De Raad van State gaf op 18 mei jl. het kabinet advies over aanpassing van de Algemene wet gelijke behandeling. Het advies bevat een tegenspraak.

Het kabinet had de Raad van State (hierna: Raad) gevraagd of het mogelijk was artikel 5 van de Algemene Wet Gelijke Behandeling (Awgb) aan te passen aan de terminologie en/of strekking van de Europese richtlijn (2000/78/EG). Daarbij moest de balans tussen het anti-discriminatiebeginsel en de vrijheid van godsdienst en onderwijs behouden blijven. Artikel 5 Awgb regelt de bevoegdheden van confessionele onderwijsinstellingen en andere instellingen op godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag (niet kerken) met betrekking tot hun personeelsbeleid. De Raad stelt, dat volgens de (Kader)richtlijn de bedoelde instellingen, mits het noodzakelijk is voor de verwezenlijking van hun grondslag, eisen mogen stellen aan hun personeel in verband met een houding van goede trouw en loyaliteit aan de grondslag. Confessionele onderwijsinstellingen mogen daarbij niet alleen eisen stellen aan de godsdienst of levensovertuiging van personeelsleden, maar ook eisen in verband met de voorbeeldfunctie van het personeel. De Raad stelt:

“Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Kaderrichtlijn kan en mag aan gedragingen buiten deze instellingen daarom betekenis worden toegekend voor zover het gaat om de beoordeling of nog gesproken kan worden van loyaliteit en trouw aan de grondslag van de instelling.”

Te ver
Hoe ver mogen confessionele onderwijsinstellingen dan gaan met hun beroepsvereisten? De Raad vervolgt met:

“Deze vereisten mogen echter niet zo ver gaan dat zij discrimineren op grond van in de richtlijn genoemde andere gronden dan godsdienst/­levensovertuiging, zo volgt uit het tweede lid van artikel 4. In dat geval zou namelijk niet langer sprake zijn van legitieme beroepsvereisten. Artikel 5, tweede lid, onder c, Awgb bevat een vergelijkbare regeling.”

In de Nederlandstalige richtlijn is “seksuele geaardheid” – sexual orientation in de Engelstalige en orientation sexuelle in de Franstalige richtlijn – een van die andere gronden. Een docent ontslaan of weigeren op grond van zijn homoseksuele geaardheid gaat volgens de Raad dus te ver, hoe de grondslag van de instelling ook maar luidt. Onder seksuele geaardheid valt in de richtlijn ook homoseksueel samenleven. Op basis van de richtlijn oordeelde het Europese Hof van Justitie (overwegingen 67-72) immers, dat ongelijke behandeling in een pensioenregeling tussen een homoseksuele geregistreerde partner en een heteroseksuele echtgenoot directe discriminatie op grond van seksuele geaardheid is. In de Awgb wordt de term “hetero- of homoseksuele gerichtheid” gebruikt en daaronder vallen “seksuele gevoelens en liefdesgevoelens, liefdesuitingen en -relaties”, zo lichtte de regering toe bij de parlementaire behandeling in 1991 (p.13) en 1993 (p.3508). Ook de geloofwaardigheid van een docent voor zijn functioneren mag door zijn hetero- of homoseksuele gerichtheid, dus inclusief liefdesuituingen en -relaties, niet in twijfel worden getrokken, zo lichtte de regering toe, zie 1993 (p.3516) en Commissie Gelijke Behandeling (oordeel 1999-38, overweging 4.8). Tot zover niets aan de hand met het advies.

Te ver
De Raad suggereert dan twee nagenoeg identieke tekstvarianten die artikel 5 Awgb zouden kunnen vervangen en licht toe:

“In de beide tekstvarianten is het vereiste van legitimiteit van het beroepsvereiste zo opgevat, dat instellingen op godsdienstige of levensbe­schouwelijke grondslag een grote vrijheid toekomt bij het formuleren van het doel dat met het vereiste wordt beoogd. Deze vrijheid gaat echter niet zo ver dat daarmee, onder de noemer van die grondslag en het op basis daarvan geformuleerde doel, tevens discriminatie toelaatbaar zou worden die is gerelateerd aan een of meer van de andere persoonskenmerken waarop het discriminatieverbod van de Richtlijn ziet.”

De Raad herhaalt hier het eerder gestelde. Tot zover dus weer niets aan de hand met het advies.

Gerechtvaardigd
Maar de Raad vervolgt dan met:

“Anders gezegd: het stellen van eisen die zien op een of meer van deze andere antidiscriminatiegronden is uitsluitend gerechtvaardigd te achten voor zover deze eisen voldoende kunnen worden herleid tot de godsdienst of levensbeschouwing die de grondslag van de instelling vormt.“

Tegenspraak
De Raad stelt nu, dat de bedoelde instellingen toch wel op een of meer van de andere antidiscriminatiegronden hun personeel mogen ontslaan en sollicitanten weigeren! Een docent mag dus wel op grond van zijn homoseksuele geaardheid worden ontslagen of geweigerd!? Dus zelfs ook als er geen sprake is van liefdesuituingen en -relaties. Dat stelt de Raad met “Anders gezegd” als een samenvattende conclusie, terwijl van enige aanvullende argumentatie of rechtvaardigingsgrond die deze conclusie rechtvaardigt geen sprake is. Bovendien: eisen die “onder de noemer” van de godsdienstige of levensbe­schouwelijke grondslag vallen, zijn welhaast logischerwijs ook eisen die “voldoende kunnen worden herleid” tot de godsdienstige of levensbe­schouwelijke grondslag. En eisen kunnen niet tegelijkertijd te ver gaan en gerechtvaardigd zijn. De tekstvarianten spreken dan ook van, dat eisen “een wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd beroepsvereiste vormen”; er is sprake van cumulatieve criteria. De Raad van State spreekt zichzelf dus tegen. Anders gezegd: Tegenspraak van State.

De Commissie OCW vergadert volgens de agenda op woensdag 30 september over het advies en de kabinetsreactie op het advies. De kabinetsreactie is op dit moment nog niet bekend.

Rob Kooijman

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: