Hoogste bestuursrechters geven duidelijk signaal aan de politiek

door Ingezonden op 22/03/2017

in Haagse vierkante kilometer

Post image for Hoogste bestuursrechters geven duidelijk signaal aan de politiek

Handen af van de hoogste bestuursrechtspraak. Dat is de boodschap die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), de Centrale Raad van Beroep (CRvB), het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb), de Hoge Raad (HR) en de Raad voor de rechtspraak (Rvdr) hebben voor de wetgever. Deze instanties hebben gezamenlijk een position paper opgesteld waarin ze eensgezind de politiek verzoeken ‘te voorzien in een periode waarin geen institutionele veranderingen worden voorgesteld voor de hoogste bestuursrechtspraak’. Hoe lang deze standstill-fase ongeveer zou moeten duren, wordt niet vermeld. In de eerste plaats moet er rust in de bestuursrechtelijke tent komen, zodat de betrokken colleges zich naar eigen zeggen ‘waar nodig kunnen hervinden’.

De oproep volgt op een turbulente periode voor de bestuursrechtspraak in hoogste instantie. De meest recente poging om de hoogste bestuursrechtspraak te reorganiseren strandde in november 2016. Het kabinet trok toen de stekker uit het wetsvoorstel organisatie hoogste bestuursrechtspraak.

Het wetsvoorstel hield, kort gezegd, in dat de CRvB en het CBb werden opgeheven, de taken van het CBb werden overgeheveld naar de ABRvS en de rechtsmacht van de CRvB werd verdeeld over de vier gerechtshoven. De ABRvS zou samen met de HR overblijven als enige hoogste bestuursrechter. Deze reorganisatie van de bestuursrechtspraak vloeide voort uit het regeerakkoord van Rutte II uit 2012. In de vier jaren die volgden verkeerden de betrokken partijen in grote onzekerheid over de voornemens zoals die in het wetsvoorstel tot uiting kwamen.

De plannen van het kabinet hadden vooral voor het CBb en de CRvB ingrijpende gevolgen, met name op het gebied van personeel. Rechters gingen weg en waren moeilijk door nieuwe te vervangen. Het voortbestaan van de rechtscolleges was immers onzeker. De weggevloeide expertise zal de komende tijd weer op peil moeten worden gebracht. Het forse verloop onder de rechters heeft bij het CBb geleid tot een aanzienlijke stijging van de werkvoorraad en een verlenging van de doorlooptijden.

Ook de voorbereiding op de invoering van het digitaal procederen in het kader van de ‘KEI-wetgeving’ heeft vertraging opgelopen. Dit moet binnen korte tijd worden ingehaald, hetgeen met de nodige organisatorische aanpassingen gepaard zal gaan. Al met al heeft het weinig objectief beredeneerde politieke verlangen de hoogste bestuursrechtspraak eenvoudiger te maken tot aanzienlijke schade geleid. Tot een structurele oplossing voor een betere organisatie van de bestuursrechtspraak is het nog (steeds) niet gekomen.

Ondanks de negatieve consequenties van het politieke getouwtrek met de hoogste bestuursrechtspraak, zijn de rechterlijke instanties er naar eigen zeggen in geslaagd de rechtseenheid in het bestuursrecht te bewaken. Dit geeft volgens de colleges aan dat institutionele veranderingen met daaraan gekoppelde reorganisaties niet noodzakelijk zijn om rechtseenheid te bereiken. Door de huidige inrichting van de bestuursrechtspraak met vier hoogste bestuursrechters blijft echter een risico bestaan voor de rechtseenheid. Er is naar mijn mening behoefte aan verdergaande rechtseenheidsvoorzieningen. In dit kader zou de bestaande leemte (deels) kunnen worden opgevuld met de voorstellen die zijn gedaan door de Commissie rechtseenheid bestuursrecht. Te denken valt bijvoorbeeld aan het instrument van de amicus curiae. Ook anderen dan partijen krijgen hierbij de mogelijkheid om schriftelijke opmerkingen te maken met het oog op de beantwoording van de rechtsvraag. Belangen van niet direct betrokkenen kunnen via deze weg in de rechterlijke procedure naar voren worden gebracht, waardoor omissies in de informatieverschaffing door partijen worden gecompenseerd. Rechtseenheid dient de samenleving als geheel en niet alleen de betrokken partijen.

Waar de hoogste bestuursrechtspraak nu – via de weg van een gemeenschappelijke verklaring – broederlijk optrekt tegen de politiek, is dit echter niet altijd het geval geweest. Eerder waren de vier hoogste rechtscolleges nog niet principieel tegen elke verandering. Zo stond de ABRvS niet onwelwillend tegen een overname van de zaken van het CBb en de CRvB. Volgens de laatste instanties zou dit geen goede en duurzame keuze voor de inrichting van de bestuursrechtspraak in Nederland zijn. Deze mening was uiteindelijk ook de Tweede Kamer toegedaan. Tijdens de behandeling van het bovengenoemde wetsvoorstel stemde een meerderheid van de Kamer voor een amendement dat er voor zorgde dat zowel de zaken van het CBb als van de CRvB werden ondergebracht bij de reguliere rechterlijke macht en dus niet bij de ABRvS. Hierin zou een mogelijke verklaring voor het ‘bijdraaien’ van de ABRvS kunnen worden gevonden. Zij lijkt in het huidige politieke klimaat te willen voorkomen dat het CBb en de CRvB definitief naar de rechterlijke macht verdwijnen. Daarnaast houdt zij op deze wijze de mogelijkheid open om op langere termijn – na de afkoelingsperiode uit het position paper – alsnog de zaken van de twee colleges over te nemen. In dit licht kan het verkiezingsprogramma van de VVD (p. 16) als een duwtje in de rug van de ABRvS worden beschouwd. Deze partij wil het CBb en de CRvB op termijn samenvoegen met de ABRvS.

In de recente wetenschappelijke periodiek van de Rvdr (p. 27) wordt geconcludeerd dat de verhouding tussen de hoogste bestuursrechtelijke rechtscolleges wordt gekenmerkt door een directe machtsstrijd, die ziet op het behoud en versterking van de positie van de Raad van State. Met de gemeenschappelijke verklaring zoals geuit in het position paper lijken de hoofdrolspelers in deze machtsstrijd de strijdbijl voorlopig te hebben begraven.

Jasper Kennis, student Civiel recht en Staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Leiden

 

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: