Huisbezoeken in de sociale zekerheid I (bevel tot regelgeving)

door GB op 22/06/2009

in Rechtspraak

Sinds ongeveer 2004 zijn gemeenten bezig met het afleggen van huisbezoeken bij mensen die een uitkering ontvangen op basis van de WWB. Het doel is om vast te stellen of iemand bijvoorbeeld samenwoont met een ander. Doet hij dat, dan wordt zijn uitkering verlaagd. De uitkering voor een alleenstaande is namelijk meer dan de helft van een samenwonende uitkeringsgerechtigde. De samenwoner kan immers bepaalde kosten delen.

Een huisbezoek is niet te vergelijken met een huiszoeking zoals dat in het strafrecht plaatsvindt. Er worden geen deuren ingetrapt, kussens open gesneden of mensen tegen de grond gewerkt. Je kunt gewoon weigeren de ambtenaar binnen te laten, zij het dat je dan meestal je uitkering kwijt bent. Anderzijds is het toch behoorlijk indringender dan de welzijnswerkachtige aanduiding ‘huisbezoek’ suggereert. Krijg je zo’n ambtenaar over de vloer dan wil die weten van wie die onderbroek in de wasmand is, waarom er twee tandenborstels in de badkamer liggen en hoe het kan dat het tweepersoonsbed er aan twee kanten zo onopgemaakt uitziet. Huisbezoeken kunnen daarbij ook onaangekondigd worden afgelegd – soms is dat de enige manier om het zinvol te laten zijn.

De rechter is op verschillende manieren gevraagd om dergelijk handhavingsenthousiasme nader in te kaderen. De Centrale Raad van Beroep heeft daar belangwekkend werk verzet, waar ik later op zal ingaan. In deze post gaat het over de parallelle procedure tegen de Staat. Je kunt namelijk ook gewoon stellen dat (dreigende) huisbezoeken een onrechtmatige daad opleveren. Ars c.s. doen dat. Onlangs deed het Gerechtshof Den Haag uitspraak. (KG 06/937)

Lees verder

In hoger beroep eisten zij dat de rechter de gemeenten zou verbieden om onaangekondigde huisbezoeken af te leggen zolang daarvoor geen bevoegdheid in een formele wet is gecreëerd, dan wel, subsidiair, de Staat te gebieden een algemeen verbindend voorschrift uit te vaardigen met landelijke procedureregels voor deze huisbezoeken. Die laatste eis is interessant, omdat het feitelijk een bevel tot het uitvaardigen van een ministeriele regeling is. Het is namelijk een beroep op artikel 76 lid 3 van de WWB: ‘Onze Minister kan, indien hij met betrekking tot de rechtmatige uitvoering van deze wet ernstige tekortkomingen constateert, aan het college, nadat het gedurende acht weken in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, een aanwijzing geven.’ (ik ga er gemakshalve vanuit dat hier mede een regelgevende bevoegdheid gedelegeerd wordt) Een bevel tot wetgeving hebben we al zien sneuvelen (Waterpakt). Naar later bleek (Faunabeheer) moesten we dat zo lezen dat alle ‘vertegenwoordigende lichamen’, dus ook Provinciale Staten, gevrijwaard dienden te blijven van rechterlijke inmenging in hun regelgevende bevoegdheid. Bij een bevel tot het vaststellen van een ministeriele regeling ligt dat anders.

Materieel moeten Ars c.s. daarvoor eerst slagen in hun betoog dat onaangekondigde huisbezoeken geen basis in een formele wet hebben. De voorzieningenrechter in eerste aanleg had geoordeeld dat de artikelen 17 WWB (vestigt de plicht voor de belanghebbende om informatie te verstrekken) en 53a WWB (creëert de bevoegdheid voor B en W om onderzoek te doen naar informatie) voldoende waren.

In hoger beroep voeren Ars c.s. aan dat de memorie van toelichting aangeeft dat dit nooit de bedoeling is geweest. Bovendien is het geen ‘wet’ in de zin van artikel 8 lid 2 EVRM, omdat het niet voldoet aan de eisen van de rule of law. Materieel zijn de onaangekondigde huisbezoeken in strijd met de ‘noodzakelijkheid’ van de artikel 8 EVRM, met artikel 6 lid 3 EVRM en met de abbb. (daarvoor richten Ars c.s. zich uiteraard op de uitvoering van de wet, en niet de wet zelf. Die mag namelijk niet aan ongeschreven rechtsbeginselen getoetst worden)

Ook het gerechtshof is niet van mening dat gemeenten uit de formeelwettelijke rails gereden zijn. Meer in het bijzonder verwerpt het hof het beroep op de Memorie van Toelichting, door erop te wijzen dat artikel 53a WWB later bij Nota van Wijziging is ingevoegd. De MvT is daarom dus van minder belang. Daarmee is het toch altijd wat gekunstelde karakter van een beroep op de wetsgeschiedenis maar weer geïllustreerd.

Ten aanzien van de strijd met artikel 8 EVRM sluit het gerechtshof zich aan bij de Centrale Raad van Beroep. Ook zij oordeelden dat de wettelijke grondslag niet het probleem was – mits het huisbezoek in het individuele geval een redelijke grond had. Helaas hebben Ars c.s. hun eis niet aangevuld met het verzoek om te verbieden dat gemeenten huisbezoeken zouden afleggen zonder redelijke grond in het individuele geval. Hadden zij dat gedaan, dan had de zaak interessante gevolgen kunnen krijgen. Anderzijds had het gerechtshof de eis ook kunnen toewijzen voor zover het gaat om huisbezoeken die zonder redelijke grond in het individuele geval worden afgelegd.

Ten aanzien van het gevraagde bevel tot ministeriele regeling kruipt het gerechtshof nog verder terug in zijn hok. Allereerst is een bevel tot uitvaardiging van een algemeen verbindend voorschrift niet geschikt als een voorziening in kort geding. Maar ook principieel wil het hof er niet aan. Er is weliswaar geen politieke besluitvorming nodig ‘maar het tot stand brengen van(algemeen verbindende) regelgeving vergt een afweging van vele belangen, ook van niet bij de onderhavige procedure betrokken partijen, zodat toewijzing van het gevorderde ertoe zou leiden dat die regelgeving ook voor anderen dan de procespartijen zou gaan gelden.’

Daar voegt het hof nog aan toe dat het bevel in casu ook wel erg onbepaald zou zijn. Terwijl het juist de bedoeling van de wetgever was om veel ruimte aan de gemeenten te laten. ‘In dit (bestuurlijke) speelveld is derhalve voor de rechter, anders dan in de individuele gevallen die hem concreet ter rechterlijke toetsing worden voorgelegd, geen taak weggelegd.’

Met dat laatste ben ik het eens. De eis is onvoldoende precies. Dat zou – denk ik – anders zijn wanneer bijvoorbeeld komt vast te staan dat huisbezoeken soms in strijd komen met artikel 8 EVRM. (wat de Centrale Raad feitelijk ook zegt) Als de eis was geweest om de minister zijn bevoegdheid om regels te stellen ten behoeve van een rechtmatige uitvoering van de wet te laten gebruiken om te voorkomen dat huisbezoeken worden uitgevoerd in strijd met het EVRM, dan zie ik niet in waarom toewijzing van dit verzoek op principiële bezwaren zou stuiten. Welke belangen vallen er dan zoal af te wegen? En wat is dan precies het nadeel van het feit dat de regelgeving ook voor andere partijen gaat gelden?

Ik hoop, kortom, dat cassatie zal volgen.

{ 2 reacties… read them below or add one }

1 mr. R.P.Kuijper (Amsterdam) 19/08/2010 om 13:05

Geachte heer Bogaard,

Na lezing van uw commentaar bij bovengenoemd arrest bekruipen mij als advocaat in deze zaak een paar vragen waarop ik hoop dat u vanuit uw expertise als docent bestuursrecht antwoord zou willen geven.

In de eerste plaats merk ik op dat juist omdat wegens het Waterpakt-arrest de rechter niet op de stoel van de rechter mag gaan zitten en bepalen wat er in te maken wetgeving zou moeten staan de eis tot formulering opzettelijk vaag is gehouden. Juist omdat uitsluitend de invoering van een uniform landelijk geldende procedure inzake de uitvoering van de huisbezoeken is gevorderd, om enerzijds het teveel aan bewegingsvrijheid van de gemeente te beëindigen en de bal neer te leggen bij de centrale overheid met de bedoeling Minister een wereld van bewegingsvrijheid te laten en geen inbreuk te maken op de politieke beslissingen.
Uiteraard is ook uitvoerig bevoegd dat het doel van de vordering was om de minister zijn bevoegdheid om regels te stellen ten behoeve van een rechtmatige uitvoering van de wet te laten gebruiken om te voorkomen dat huisbezoeken worden uitgevoerd in strijd met het EVRM, en dat de vordering ook zo moest worden begrepen. Net als u zag ik het probleem hier niet van in.

Het Hof zag het anders, het zij zo. Er waren helaas niet voldoende cliënten te porren voor cassatie, anders zou ik dit zeker heben ingesteld.

Wat hiervan ook zij, verneem ik gaarne uw visie inzake het oordeel van de voorzieningenrechter over de onrechtmatigheid van de (on-)aangekondigde huisbezoeken als geheel. Aangevoerd is dat deze geen basis in een formele wet hebben (hetgeen overigens opmerkelik genoeg onlangs nadrukkelijk en ondubbelzinnig is erkend door de regering in het Nader rapport inzake het voorstel van wet houdende een regeling in de sociale zekerheid van de rechtsgevol-gen van het niet aantonen van de leefsituatie na het aanbod van een huisbezoek IVV/OOG/08/36779 waarin men stelde: “Indien er gevolgen voor de uitkering moeten worden verbonden wanneer belanghebbende een huisbezoek weigert, dan is dit, gelet op de jurisprudentie, slechts toegestaan indien de mogelijkheid van een huisbezoek wettelijk is geregeld waarbij recht wordt gedaan aan de grondwettelijke waarborg van het huisrecht. Het kabinet vindt daarom (!!!) dit wetsvoorstel nodig.”

Mijns inziens erkent de wetgever hier wat ik ondermeer in deze procedure heb aangevoerd, te weten dat zelfs áls de huisbezoeken hun werttelijke grondslag zouden vinden in art 53a lid 2 WWB, dit artikel niet voldoet aan de ‘rule of law’ wegens het ontbreken van adequate en effectieve waarborgen ter voorkoming van misbruik.
Ik zou graag weten of u deze visie deelt. (Overigens wil tot op heden ondanks uitdrukkelijk verzoek daartoe bij akte of al dan niet prejudiciële rechtsvraag of beroep op art 6 en 9 van het Verdrag van Lissabon geen enkele Nederlandse rechter hier een inhoudelijk (positief noch negatief) oordeel over geven).

Ook de voorzieningenrechter én het hof zijn hieraan voorbijgegaan (om welke reden ik deze zaak graag had voorgelegd aan de Hoge Raad) en hebben (gemakshalve) de CRvB gevolgd die dit verweer – ondanks mijn herhaald verzoek om hier op te regageren – ook al jarenlang negeert en geoordeeld dat de artikelen 17 WWB en 53a WWB voldoende waren. Men mag mij overigens uitleggen hoe een plicht van de burger (17 WWB) een bevoegdheid voor de wetgever kan creëren. Mijns inziens kan dat niet.

Aardig detail is overigens dat de SVB in een aanhangige procedure bij de Rechtbank Utrecht in 2010 uitdrukelijk en ondubbelzinnig de juistheid van voornoemd verweer heeft erkend ten aanzien van het vergelijkbare art. 49 AOW (plicht burger), aangezien de AOW überhaupt geen equivalent van art. 53a WWB kent. Ik ben nog in afwachting van de uitspraak.

Er is evenwel misschien licht aan het einde van de tunnel aangezien in de vijftien zaken waarin dit verweer expliciet is gevoerd bij en (uiteraard) nadrukkelijk genegeerd door de CRvB zijn voorgelegd aan het EHRM. Hopelijk doet dit college er wél wat mee. In bestuursstrafzaken waarin ik dit verweer eveneens heb gevoerd en door het Hof dit verweer is genegeerd is cassatie ingesteld bij de Hoge Raad, die er ook hopelijk wél wat mee doet.

Tenslotte ligt (ondermeer) deze vraag thans voor bij het Gerechtshof Amsterdam in een bodemprocedure in een individueel geval die wel eens een ander oordeel zou kunnen vellen dan de voorzieningenrechter te ‘s-Gravenhage.

2 Hugo Carsten 21/08/2010 om 10:24

Dit is een onderwerp die ik al jaren volg. De makkelijkste oplossing lijkt mij dat bij een sterke vermoeden van fraude volgens de normale procedure een huiszoekingsbevel via de officier van Justitie zou moeten worden aangevraagd. De gemeenteambtenaren dan wel de wethouder van sociale zaken moeten vanzelfsprekend de aangevraagde huiszoeking overlaten aan politie. Om ongetrainde gemeenteambtenaren huiszoekingen te laten verrichten, is al overduidelijk gebleken dat dit behoorlijk wat “ondemocratische” problemen hebben veroorzaakt.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: