I want my money back

door PWdH op 07/01/2010

in Rechtspraak

Hoe liep het eigenlijk af met de beleggers die na de mislukte eerste reddingspoging van Fortis massaal aandelen inkochten, in de verwachting dat ze zichzelf zo voor een dubbeltje op de eerste rang plaats lieten nemen? Na de volledige nationalisatie van ABN Amro en Fortis Bank Nederland werden hun aandelen in de ontmantelde Fortisholding uiteraard aanmerkelijk gedevalueerd.

Bij de rechtbank Den Haag vingen de teleurgestelde beleggers – al weer even geleden – bot. De uitlatingen van minister Bos dat Fortis was gered na de eerste reddingspoging gelden naar het oordeel van de rechtbank niet als misleiding, noch had de Staat openheid van zake moeten geven over de onderhandelingen in de aanloop naar de volledige nationalisering, evenmin als commerciële partijen in een vergelijkbare situatie (fusies en overnames van beursvennootschappen). Dit geldt te meer gezien het risico van een (verdere) bankrun, wanneer de op handen zijnde nationalisering voortijdig publiek zou worden.

De uitspraak is reeds helder besproken op het blog The Defining Tension, inclusief citaten van de belangrijkste overwegingen. Annotator Pijls voegt hieraan in Ondernemingsrecht 2009/175 terecht toe dat de rechtbank een wel erg subjectief en daarmee nauw begrip van misleiding hanteert. Bos beoogde met de reddingspogingen van Fortis beleggers niet te misleiden. Niettemin, aldus Pijls, hadden beleggers bij openheid van zaken wellicht geen aandelen Fortis aangeschaft. Wel misleiding derhalve, maar gezien de overige omstandigheden (namelijk: het redden van een systeembank) kan niet worden gezegd dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld. Als alternatief voert Pijls nog op de figuur dat de Staat wel degelijk onrechtmatig heeft gehandeld, maar dat dit door een rechtvaardigingsgrond wordt geheeld.

Aan dit alles valt in het kader van dit blog nog één opmerking toe te voegen. De teleurgestelde beleggers voerden als feitelijke grondslag onder meer een brief op van Bos aan de Tweede Kamer. De vraag of de inhoud daarvan – gezien de bijzondere adressant – aanleiding kan geven tot civielrechtelijke aansprakelijkheid wordt door de rechtbank vakkundig omzeild:

‘Ditzelfde [namelijk Bos zet beleggers niet op het verkeerde been noch misleidt hen; WdH] geldt voor de onder 2.8 genoemde brief aan de Kamer, al aangenomen dat de inhoud daarvan niet valt onder de grondwettelijke onschendbaarheid van de minister (als orgaan van gedaagde) ook in zijn civielrechtelijke aansprakelijkheid.’ (r.o. 4.9)

Op de staatsrechtelijke merites van deze passage valt misschien nog wel wat af te dingen. Is het niet de koning die onschendbaar is, terwijl juist de ministers verantwoordelijk zijn? Het woord ‘immuniteit’ lijkt hier beter op zijn plaats: immers kunnen (onder meer) ministers die deelnemen aan de beraadslaging niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overgelegd (art. 71 Gw). Aldus ook Tekst en Commentaar. Dat deze parlementaire immuniteit behalve op strafrechtelijke ook ziet op civielrechtelijke aansprakelijkheid moge overigens blijken uit de in 1983 toegevoegde woorden ‘of aangesproken’ (h/t GB).

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: