Ik stond erbij en keek ernaar. Strafbaar?

door Ingezonden op 11/03/2015

in strafrecht

Post image for Ik stond erbij en keek ernaar. Strafbaar?

Vorige week wees de Rechtbank Oost-Brabant vonnis tegen vier verdachten naar aanleiding van een zeer gewelddadig schietincident op de provinciale weg. Drie werden er veroordeeld, één verdachte werd vrijgesproken. Van de vrijgesproken persoon was zijn bijdrage aan het incident op basis van het voorhanden bewijs niet goed te beoordelen. Dat kwam niet in de laatste plaats doordat geen van de vier ervoor had gekozen openheid van zaken te geven. Een vrijspraak kan in zo’n geval wrang aandoen, omdat ons onderbuikgevoel ertoe neigt een groep daders als collectief verantwoordelijk te houden. Juridisch zitten daar echter nogal wat haken en ogen aan. En dat is niet voor niets.

Op woensdagochtend 15 januari 2014 wordt op de provinciale weg in het bij Oss gelegen Lithoijen een BMW achtervolgd door een Volkswagen en een Audi. Terwijl de Audi de BMW van de weg probeert te duwen worden er vanuit de Volkswagen met een volautomatisch vuurwapen meerdere schoten gelost in de richting van de BMW. Vanuit de BMW wordt eerst nog teruggeschoten, maar niet veel later botst het voertuig op een taxibusje met schoolkinderen. De Audi en de Volkswagen kiezen het hazenpad, net als enkele inzittenden van de BMW. Twee verdachten worden later die dag met behulp van een helicopter opgespoord en gearresteerd. Enkele inzittenden van de Volkswagen en de BMW worden vervolgd. Van de Audi wordt niets meer vernomen.

Hoewel het daadwerkelijke aantal betrokkenen dus hoger lag, deed de rechtbank afgelopen donderdag uitspraak over de betrokkenheid van vier verdachten bij het gewelddadige schietincident. Doordat de vier zich voornamelijk op hun zwijgrecht hadden beroepen, was het niet gemakkelijk om te reconstrueren welke bijdrage ieder van hen aan het geweld had geleverd. Vast stond wel dat twee verdachten de enige inzittenden waren geweest van de Volkswagen. De andere twee die terechtstonden hadden in de BMW gezeten, samen met twee niet vervolgde personen. Vanuit zowel de Volkswagen als de BMW was met vuurwapens geschoten. Van de twee inzittenden van de Volkswagen was niet komen vast te staan wie de auto had bestuurd, en wie het automatische wapen had gehanteerd. De rechtbank oordeelde dat dat niet uitmaakte en dat ze gezamenlijk verantwoordelijk konden worden gehouden. Beiden werden veroordeeld voor medeplegen van poging tot doodslag en wapenbezit tot een gevangenisstraf van zeven jaar. Voor het – slechts – besturen van een auto zou je kunnen betogen dat dat een behoorlijk forse straf is. Aan de andere kant: als je geen openheid van zaken geeft, loop je nu eenmaal het risico verantwoordelijk te worden gehouden voor het gedrag van de ander. Moet je je mond maar opentrekken.

Maar daarin moet enige nuance worden aangebracht. Zwijgen frustreert enerzijds inderdaad de waarheidsvinding, maar het staat een verdachte anderzijds vrij om zijn eigen proceshouding te kiezen. Het zwijgrecht vormt een fundamenteel beginsel van ons strafproces en vloeit voort uit de gedachte dat niemand gedwongen kan worden mee te werken aan zijn eigen veroordeling, bijvoorbeeld door een verdachte door marteling te dwingen tot een bekentenis. Tegen die achtergrond moet ook worden benadrukt dat de bewijslast bij de officier van justitie ligt; de verdachte hoeft zijn onschuld niet te bewijzen. Bovendien dient bedacht te worden dat zwijgen geen zinnige informatie geeft over de betrokkenheid van een verdachte bij een strafbaar feit. Grote gerechtelijke dwalingen als die in de zaak Ina Post illustreren dat ook onschuldige verdachten goede redenen kunnen hebben om te zwijgen. Dat beide inzittenden van de Volkswagen hun mond houden is dus weliswaar onpraktisch, maar in het licht van het strafproces volstrekt begrijpelijk.

Doordat niet bekend was welk van de twee inzittenden van de Volkswagen de bestuurder was en wie van hen het vuurwapen had gehanteerd, vertoont de zaak in Lithoijen erg veel overeenkomsten met de zogenaamde Nijmeegse scooterzaak. Daarin hadden twee mannen het plan gevat om een hotel te overvallen. Op één scooter reden zij, gemaskerd en bewapend, naar het hotel. Voordat ze aankwamen merkte de bestuurder echter een onopvallende politieauto op en zette daarop een wilde vlucht in. Hij negeerde een rood verkeerslicht en trof een overstekende man met dodelijk gevolg. Beiden ontkenden gedurende het gehele proces de scooter te hebben bestuurd. Het hof zag zich genoodzaakt om ze allebei vrij te spreken van – individueel – plegen omdat niet kon worden vastgesteld wie van de twee de scooter had bestuurd. Verder was er geen bewijs waaruit bleek dat de bestuurder en de achterop zittende persoon ten tijde van de wilde vlucht hadden samengewerkt, zodat ook van medeplegen geen sprake kon zijn. De vrijspraken leidden tot veel commotie. Het kan toch niet zo zijn dat je wordt vrijgesproken terwijl vaststaat dat je betrokken bent geweest bij een dodelijk ongeval en op geen enkele manier hebt meegewerkt aan het achterhalen van de waarheid?

Eigenlijk klopt dat laatste verwijt niet helemaal. Stel dat A daadwerkelijk achterop de scooter heeft gezeten en steeds naar waarheid verklaart dat B de bestuurder is geweest. B liegt echter en verklaart dat A bestuurder is geweest. Kan A worden verweten dat B liegt, terwijl A zelf steeds naar waarheid verklaart dat hij slechts achterop zat? Het hof vond van niet, en omdat niet kon worden vastgesteld wie in deze zaak A was en wie B, werden beide verdachten vrijgesproken. De Hoge Raad was het daar echter niet mee eens. Weliswaar was niet duidelijk geworden op wiens conto het dodelijke rijgedrag kon worden geschreven, maar dat betekende nog niet dat degene die achterop zat geen verwijt kon worden gemaakt. Hadden ze door samen een overval voor te bereiden niet ook ‘samengewerkt’ aan het gevaarlijke rijgedrag, zodat mogelijk wel sprake was van medeplegen?

Voor strafbaar medeplegen moet naar geldend recht vast komen te staan dat twee of meer verdachten‘bewust en nauw hebben samengewerkt’. Uit het vereiste van nauwe samenwerking vloeit voort dat elk van de medeplegers een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd. Vanaf een afstandje toekijken terwijl een vriend met behulp van een vlinderbom een NS-kaartautomaat vernielt, is volgens de Hoge Raad nog geen wezenlijke bijdrage. Mogelijk zit je al wat dichter op het vuur als je de vriend een aansteker leent. Behalve de nauwe samenwerking, moet de verdachte ook bewust hebben samengewerkt. Hij moet dus min of meer weten wat de andere persoon gaat doen.

Terug naar het schietincident in Lithoijen. Ondanks dat de onderlinge rolverdeling niet kon worden vastgesteld was de rechtbank van oordeel dat beide inzittenden van de Volkswagen verantwoordelijk waren voor zowel het rijgedrag als het schieten op de BMW. De gevangenisstraf van zeven jaren die hun allebei werd opgelegd wegens medeplegen van poging tot doodslag en verboden wapenbezit, is zodoende goed te verklaren. Van de mannen uit de Audi, die het samen met het duo uit de Volkswagen hadden gemunt op de BMW, is niets meer vernomen. Van de vier inzittenden van de BMW werden er twee vervolgd. Uit technisch bewijs kon worden opgemaakt wie met het vuurwapen had geschoten. Hij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf. De ander was slechts inzittende geweest en had vermoedelijk verder niets gedaan, aldus de rechtbank. Hoewel je dus op het eerste gezicht zou kunnen zeggen dat hij door zijn aanwezigheid in de BMW, onderdeel uitmaakte van een gewelddadige groep, werd hij vrijgesproken. Uit niets bleek immers dat hij een bijdrage aan het geweld had geleverd of dat hij zich bewust was geweest van het plan van de ander om terug te schieten met een vuurwapen. Van bewuste en nauwe samenwerking was daarom geen sprake.

Tot slot. Er wordt wel gezegd dat de gevolgen van het plegen van een strafbaar feit de laatste decennia behoorlijk zijn toegenomen. Zo worden er hogere straffen uitgedeeld, worden strafzaken in de media tegenwoordig breed uitgemeten en is voor steeds meer functies vereist dat je een Verklaring Omtrent Gedrag kunt overleggen. Tegelijkertijd wordt er bezuinigd op rechtsbijstand en heeft het openbaar ministerie in meer zaken de bevoegdheid om zonder tussenkomst van een rechter, een straf op te leggen. Juist daarom is het belangrijk dat we vasthouden aan een systeem waarin drempels worden opgeworpen voor strafrechtelijke aansprakelijkheid. Het strafrecht is er immers niet om al het gedrag aan te pakken dat als onwenselijk of onverstandig kan worden bestempeld, maar om juist die daders te kunnen bestraffen die persoonlijk hebben bijgedragen aan het ontstaan van leed of schade. Dat de drempel van strafbaarheid in de regel nog niet is genomen als de verdachte slechts aanwezig was bij een criminele activiteit, is dan ook toe te juichen.

Robert Jansen

Docent strafrecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam

{ 0 reacties… add one now }

Reactie achterlaten

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: