Ik worstel en kom in Londen

door JU op 13/10/2009

in Buitenland, Rechtspraak

Vandaag deed het Asylum & Immigration Tribunal uitspraak in het beroep tegen de beslissing van de Britse Home Secretary om Geert Wilders te weren van het Britse grondgebied. Wilders wilde in februari 2009 naar Londen afreizen om zijn film Fitna in het Hogerhuis te vertonen. De Britse regering liet weten dat zij Wilders als veiligheidsrisico beschouwde en weigerde hem toegang. Het Tribunal meent nu dat die beslissing onrechtmatig was. Hoewel het nog een week duurt voordat de uitspraak van het Tribunal op schrift staat, is de argumentatie van deze rechter in eerste aanleg al wel in de media verschenen. Zo berichten de NOS en de Volkskrant uitvoerig over de uitspraak, al konden zij het niet eens worden over de naam van de rechtbankpresident. Heette die man nou Pinkerton of Ockelton?

Het argument van de Britse regering dat Wilders een gevaar is voor de openbare orde veegt de Britse rechter van tafel. Daarvoor is onvoldoende bewijs. Wilders bezoekt regelmatig het buitenland en dat levert doorgaans geen ordeproblemen op. Interessant is dat de verschillende media ook melding maken van een principiëlere argumentatie van de rechter. De weigering Wilders toe te laten zou ook een onevenredige inbreuk zijn op de uitingsvrijheid en de bewegingsvrijheid. Wilders zelf prees de beslissing van het Tribunal als ‘een overwinning voor de vrijheid van meningsuiting’. Daar zou hij weleens gelijk in kunnen hebben.

Het ligt namelijk niet zonder meer voor de hand dat een staat een vreemdeling moet toelaten wanneer die zijn mening in dat land wil komen verkondigen. Traditioneel mogen staten mensen weigeren wanneer zij denken dat die mensen onrust of schade aan hun buitenlands beleid zullen toebrengen. Zo vond onze eigen Raad van State het in 1978 helemaal niet zo vanzelfsprekend dat de Amerikaanse auteur en ex-spion Agee een verblijfsvergunning kreeg. Agee was in eigen land omstreden vanwege onthullingen over zijn voormalige werkgever, de CIA. De Afdeling meende dat de minister de vergunning van Agee terecht had geweigerd omdat de belangen van Nederland met diens verblijf niet gediend zouden zijn. Jaren later liet de regering ‘Poncke’ Princen wel toe voor een laatste familiebezoek. Princen had zijn Nederlandse nationaliteit verspeeld door tijdens de politionele acties in Indonesië te deserteren en was in Nederland een omstreden figuur. Het kabinet-Kok gaf Princen een visum, maar alleen onder de voorwaarde dat hij tijdens zijn verblijf weg zou blijven bij welke vergadering of demonstratie dan ook. De Tweede Kamer ging zelfs dat te ver en riep minister Van Mierlo op het visum in te trekken nog voor Princen voet op Nederlandse bodem had gezet.

Wat nogal een rol speelt is dat enkel de uitingsvrijheid niet uitsluitend reden kan zijn om iemand toegang te geven. Agee verbleef in de zeventiger jaren ook in Cambridge. Toen zijn verblijfsvergunning afliep en de Britse regering die weigerde te verlengen deed hij een beroep op de in artikel 10 EVRM neergelegde uitingsvrijheid. De toenmalige Commissie voor de Rechten van de Mens (tegenwoordig opgegaan in het Straatsburgse hof) vond echter dat artikel 10 EVRM geen recht gaf op verblijf, hoe belangrijk de boodschap die Agee bracht ook was. Iemand uit, zeg, Mozambique, kan zich er niet vanaf maken een visum aan te vragen omdat hij toevalligerwijs naar Nederland wil komen om op scholen een spreekbeurt over het bouwen van vakantiehuisjes te geven.

Anders wordt het wanneer men, zoals Wilders, al een recht op toegang heeft maar dat recht wordt gefrustreerd vanwege de uiting. Wilders krijgt als EU-burger doorgaans toegang tot de Britse eilanden. Hij beroept zich dus niet uitsluitend op de uitingsvrijheid. Het gaat hem er om dat hij zijn recht vanwege het uiten van zijn mening niet kan uitoefenen. Maar ook die stelling is niet altijd kansrijk.

De zaak van Wilders doet denken aan een uitspraak van het EHRM uit 1995. In Piermont t. Frankrijk verklaarde het hof een klacht gegrond van een Duitse Europarlementariër, Dorothée Piermont, die in Frans Polynesië de milieubeweging wilde toespreken toen de Franse overheid daar atoomproeven wilde houden. De Fransen zetten haar uit en Piermont beklaagde zich bij het hof over een schending van artikel 10 EVRM. De Franse regering beriep zich op een schimmige bepaling uit het EVRM (artikel 16) waarin – kortgezegd – staat dat de politieke vrijheden toelaten dat de politieke activiteiten van vreemdelingen worden beperkt. Het EVRM accepteert dus dat een staatsburger wel het recht kan hebben om een toespraak te houden, maar een vreemdeling niet. Iemand uit Nederland heeft – door de bril van het EVRM – dus niet ‘net zo veel recht om naar Londen te komen om een toespraak te houden als iemand uit Yorkshire’, zoals het Tribunal in de Wilderskwestie kennelijk meent. Volgens een krappe meerderheid van het hof is artikel 16 EVRM echter niet van toepassing op mevrouw Piermont ‘omdat zij burger is van een EU-lidstaat èn bovendien lid is van het EP’. Het voegt er aan toe dat burgers in Frans-Polynesië daarvoor óók stemrecht hebben. Kortom: de EG is een eigen rechtsorde aan het worden, met een eigen parlement en een eigen volk, en de band tussen kiezer en gekozene mag niet lichtvaardig worden gefrustreerd.

Wilders is géén lid van het EP. Hij had het kunnen zijn, maar hij is het niet. Dat is een verschil met Piermont. Een overeenkomst is dat beiden EU-burger zijn. Welk element geeft de doorslag? Wilders is wel actor in een politiek debat dat in de hele Unie speelt. Men zou dus ook in zijn geval wel kunnen volhouden dat hij niet snel mag worden afgehouden van een dialoog met kiezers of gekozenen. Al zijn de Lords natuurlijk niet te kwalificeren als kiezers en al helemaal niet als gekozenen.

Als de Britse rechter inderdaad zo principieel de nadruk legt op het belang van vrije meningsuiting dan heeft Wilders gelijk met zijn uitroep dat het een overwinning voor deze vrijheid is. Of hij zich de betekenis daarvan ten volle bewust is? Als we dan toch principieel gaan doen, moeten we eigenlijk ook stoppen met het uitzetten van imams die zich in hun preken verzetten tegen de integratie. Uitzetten is dan toch ook een aantasting van uitings- en geloofsvrijheid? Het is bovendien op zijn minst opmerkelijk dat Wilders zijn zaak wint met een beroep op de vergaande integratie van Europa waar hij zich politiek zo tegen afzet.

{ 3 reacties… read them below or add one }

1 Anonymous 13/10/2009 om 21:18

'Het is bovendien op zijn minst opmerkelijk dat Wilders zijn zaak wint met een beroep op de vergaande integratie van Europa waar hij zich politiek zo tegen afzet.' Dit is inderdaad een erg leuk feit:)

2 Wil Geertens 14/10/2009 om 21:50

Goede, genuanceerde bijdrage. Vraag me wel af of het voorbeeld van Princen nu zo gelukkig is. Heeft een rechter destijds over zijn zaak geoordeeld? Het zou me niet verbaasd hebben als een rechter de politieke hysterie en partijdigheid rondom het bezoek van Princen zou hebben afgestraft, net zoals in de Wilders-zaak nu gebeurd is (men zie het gedrag van Lord Ahmed, die ook gisteren weer niet veel verder kwam dan Wilders een fascist te noemen, maar wel wijselijk besloot de man te negeren).

En die uitzetting van imams? Heeft een rechter ooit de uitzetting van een geestelijke rechtmatig geoordeeld op de grond dat deze zich al prekend tegen de integratie verzette? Zou best kunnen, maar er zijn mij geen voorbeelden van bekend.

3 Jerfi 16/10/2009 om 13:31

Dank voor het commentaar. De Princenkwestie is, in ieder geval voorzover ik weet, inderdaad niet voorgelegd aan de rechter. Ik ben er echter niet zeker van dat die regering en parlement op dit dossier een veeg uit de pan zou hebben gegeven. Intrekking van het visum vond ook de regering te ver gaan en dat heeft de minister dan ook niet gedaan. Maar het stellen van voorwaarden aan het visum wordt over het algemeen gezien als vrij normaal, ook als met die voorwaarden politieke grondrechten beknot worden.

Het voorbeeld van de imams was inderdaad wat provocatief. Ik doelde niet zozeer op rechtspraak, maar op de mededeling van toenmalig minister Verdonk in de Tweede Kamer die namens de hele regering liet weten dat zij een anti-integratieve houding beschouwde als gevaar voor de nationale veiligheid. De meeste partijen – en in elk geval Kamerlid Wilders, vonden dat prima.

In diezelfde periode zette de minister een aantal Eindhovense imams uit die door de AIVD waren aangemerkt als veiligheidsrisico. Dat risico zou blijken uit hun preken. De rechtbank vond in die zaak dat de minister in elk geval beter moest aangeven wat precies het probleem was, juist omdat de vrijheid van – in dit geval – geloof in het geding was. Maar de RvS ging in hoger beroep niet in op die argumentatie en hield het er op dat de beslissing van de minister rechtmatig was. Mijn punt is dus deze: zou de Afdeling eenzelfde attitude hebben gehad als deze Britse rechter, dan zou zij in elk geval wat moeilijker hebben gedaan over de uitzetting van de Eindhovense imams.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: