In de plaats van de staatssecretaris?

door GB op 11/09/2017

in Bestuursrecht, Rechtspraak

Post image for In de plaats van de staatssecretaris?

Sinds 1948 mag een staatssecretaris van artikel 46 Grondwet ‘in de plaats van een minister optreden, met inachtneming van diens aanwijzingen.’ De bevoegdheidsverdeling tussen hen luistert nauw. Begin dit jaar oordeelde de Afdeling dat het taakbesluit waarin specifiek mr. F. Teeven met bepaalde aangelegenheden in het bijzonder werd belast, zijn functie had verloren toen Fred de deur van het ministerie voor het laatst achter zich dicht trok. Wie wil weten wat dr. K.H.D.M. Dijkhoff mag, moet kijken in het besluit dat specifiek naar hem verwijst.

Gek genoeg, doet de Afdeling over de omgekeerde beweging helemaal niet moeilijk. In een zaak waarin de minister gebruik had gemaakt van een bevoegdheid in een aangelegenheid waarmee nu juist de staatssecretaris was belast, kwamen de staatsraden uit de vreemdelingenkamer met deze regel op de proppen:

In artikel 46, tweede lid, van de Grondwet ligt besloten dat de staatssecretaris ondergeschikt is aan de minister. Deze ondergeschiktheid brengt mee dat de minister bevoegd was in plaats van de staatssecretaris op het bezwaar van de vreemdeling te beslissen.

Omdat de staatssecretaris ondergeschikt is aan de minister, aldus de Afdeling, mag hij de bevoegdheden van zijn ondergeschikte ook zelf uitoefenen. Dat is in zijn algemeenheid een merkwaardige redenering. Alle belastinginspecteurs zijn aan de staatssecretaris van Financiën ondergeschikt. Mag Wiebes dan ook zelf belastingaanslagen opleggen? De Commandant der Strijdkrachten moet de aanwijzingen van de minister van Defensie in acht nemen. Mag Hennis-Plasschaert dan ook zelf de troepen gaan aanvoeren? Dat lijkt mij allemaal niet. En er zijn vele redenen te bedenken waarom dat ook geen goed idee zou zijn. De redenering van de Afdeling is dan ook een non-sequitur, potjeslatijn voor drogreden. Het is niet zo dat de minister bevoegd blijft omdat de staatssecretaris aan hem ondergeschikt is.

Hoewel de redenering van de Afdeling niet deugt, klopt de conclusie wel. De minister blijft inderdaad bevoegd. Dat komt door de bijzondere aard van de bevoegdheidstoedeling aan de top van het ministerie. Die heeft namelijk noch het karakter van mandaat noch dat van delegatie. Mandaat is het niet, omdat de staatssecretaris zijn besluiten niet ‘namens de minister’ ondertekent en uit eigen naam politieke verantwoordelijkheid draagt. Delegatie is het echter evenmin, omdat de staatssecretaris wel ‘in de plaats van de minister’ optreedt. Bovendien zou delegatie aan ondergeschikten een afwijking van de hoofdregel uit de Awb opleveren. De bevoegdheidstoedeling van artikel 46 Grondwet zit dus ergens tussen mandaat en delegatie in; de minister en de staatssecretaris delen de bevoegdheden. Of, zoals de oude Wet op de Staatssecretarissen zegt: de bevoegdheden van de minsister komen mede toe aan de staatssecretaris.

De poging van de Afdeling om dit soort hogere staatsrechtelijke mystiek tot bestuursrechtelijke helderheid te brengen, ontspoort helaas. Zoiets is ook onmogelijk. Want wat in artikel 46 Grondwet gebeurt, is van een geheel eigen aard. Sui generis, in potjeslatijn.

{ 1 reageer… read it below or add one }

1 Willem van den Hagemot 11/09/2017 om 15:38

Misschien is die uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State nog niet zo raar en de regeling niet zo mystiek als wordt gedacht. De minister is politiek altijd hoogst verantwoordelijk voor alles op het departement, van staatssechretaris tot inderdaad het niveau van de laagste ambtenaar. De staatssecretaris treedt weliswaar op als was hij niet (slechts) de gemandateerde / gedelegeerde maar de minister zelf, maar ontleent die bevoegdheid volledig aan het gezag van de minister. De Gronwet zegt dan ook: “in gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen”. Dat beperkt wat kan worden afgeleid uit de wet op de staatssectretarissen. Dus zodra die bevoegheid vervalt (deur achter zich dicht doen), ligt die bevoegdheid weer bij de hoogste verantwoordelijke, de minister. Door de formulering “optreden als minister” wordt voorkomen dat het gezag en de rol van de staatssecretaris wordt ondermijnd/beperkt als minder bevoegde dan de minister. Je kunt dat vergelijken met de oude tijden (Esther 8:8) waarin een koning of keizer zijn zegel gaf aan iemand om daarmee de maatregelen van diegene bij voorbaat te bekrachtigen (blanko volmacht). Diegene tekent dan “in de plaats van” koning of keizer, maar zodra hij dat zegel niet meer heeft, is hij betekenisloos. De staatssecretaris loopt dus als het ware rond met een specifiek op zijn naam geschreven volmacht waarop het ‘ministeriële zegel’ reeds staat voorgedrukt.

Allerlei wanorde of misverstanden of opgewekt vertrouwen kan dan wel optreden als de minister afwijkt van de orde die hij zelf heeft geschapen, maar dan moet er wel sprake zijn van benadeling van belanghebbenden. Dat was niet gebleken.

Reactie achterlaten

Vorige post:

Volgende post: